Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2125

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
201704953/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 mei 2017 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 6
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 5.1a
Vreemdelingenbesluit 2000 5.1b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2017/206 met annotatie van prof. mr. P. Boeles
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201704953/1/V3.

Datum uitspraak: 7 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 13 juni 2017 in zaak nr. NL17.2697 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2017 is aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Bij uitspraak van 13 juni 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.L. Hoogendoorn, advocaat te Leiden, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De in de enige grief opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling bij uitspraak van 15 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1601, beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak, waarbij de Afdeling blijft, volgt dat de grief slaagt.

2.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 29 mei 2017 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

3.    In beroep heeft de vreemdeling aangevoerd dat de staatssecretaris het significante risico op onderduiken, als bedoeld in artikel 28, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (PbEU 2013 L180), in het besluit van 29 mei 2017 ten onrechte heeft gebaseerd op de gronden dat de vreemdeling Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen dan wel een poging daartoe heeft gedaan en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. De vreemdeling heeft erop gewezen dat hij bij aankomst in Nederland beschikte over een geldig paspoort met een Schengenvisum en over € 750,00 en twee creditcards.

3.1.    Bij zijn inreis was de vreemdeling in het bezit van een geldig, op zijn naam gesteld, nationaal paspoort, met daarin een door Zweden afgegeven Schengenvisum type C, geldig van 5 juni 2015 tot 4 juni 2017. Dat visum is naar zijn aard een visum voor kort verblijf. Met het uiten van zijn asielwens heeft de vreemdeling er evenwel blijk van gegeven langdurig verblijf in Nederland te beogen. De staatssecretaris heeft de vreemdeling dan ook terecht tegengeworpen dat hij bij binnenkomst niet in het bezit was van een voor zijn beoogde verblijf benodigd visum. De grond dat de vreemdeling Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen is daarmee feitelijk juist. Omdat de beroepsgrond hiertoe is beperkt, komt de Afdeling niet toe aan de beantwoording van de vraag of de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd waarom uit deze grond volgt dat een significant risico op het onttrekken aan het toezicht bestaat.

    Voor zover de vreemdeling erop heeft gewezen dat hij bij zijn inreis beschikte over € 750,00 en twee creditcards, heeft hij niet gestaafd dat hij daarmee beschikte over voldoende middelen van bestaan voor een verblijf van meer dan drie maanden.

    De beroepsgrond faalt.

4.    In beroep heeft de vreemdeling voorts aangevoerd dat de staatssecretaris in zijn geval had moeten volstaan met toepassing van een lichter middel. Daarbij heeft hij gewezen op zijn hiv-besmetting en zijn depressiviteit.

4.1.    Tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de vrijheidsontnemende maatregel heeft de staatssecretaris de vreemdeling gevraagd of er feiten en omstandigheden waren die volgens hem aan toepassing van die maatregel in de weg stonden. Daarop heeft de vreemdeling verklaard dat hij begreep dat er medische voorzieningen waren in de inrichting waar hij naartoe zou gaan, dat hij geen medicijnen gebruikte, dat zijn hiv-besmetting voor hem geen reden was om niet naar een gesloten inrichting te gaan en dat hij geen bezwaar had tegen tijdelijke opsluiting.

Uit de vrijheidsontnemende maatregel blijkt dat de staatssecretaris de hiv-besmetting van de vreemdeling kenbaar bij zijn belangenafweging heeft betrokken. De staatssecretaris heeft daarbij verwezen naar de verklaring van de vreemdeling tijdens het gehoor.

4.2.    Tijdens het aanmeldgehoor Dublin op 1 juni 2017 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opnieuw gevraagd of met betrekking tot zijn persoonlijke belangen feiten en omstandigheden bestonden die de detentie onevenredig bezwarend maakten. Daarop heeft de vreemdeling verklaard dat, samengevat weergegeven, de beperkingen van zijn vrijheid hem depressief maakten. De staatssecretaris is hierop ingegaan in zijn voornemen van 7 juni 2017 om de door de vreemdeling ingediende asielaanvraag niet in behandeling te nemen. Daarbij heeft hij opgemerkt dat de door de vreemdeling gestelde medische en psychische omstandigheden voor de medische dienst van de detentielocatie, waar hij onder medische controle staat, tot op heden geen aanleiding hebben gevormd om, gevraagd dan wel ongevraagd, tot opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel te adviseren.

4.3.    Gelet hierop en nu de vreemdeling niet heeft gestaafd dat hij detentieongeschikt is, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de gezondheidssituatie van de vreemdeling geen aanleiding gaf voor toepassing van een lichter middel.

    De beroepsgrond faalt.

5.    Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 13 juni 2017 in zaak nr. NL17.2697;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;

IV.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.H. Nienhuis, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Nienhuis

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2017

551.