Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2124

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
201704943/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201704943/1/V3

Datum uitspraak: 7 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 12 juni 2017 in zaak nr. 17/8823 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 12 juni 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.D. den Hartogh, advocaat te Zutphen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling, van Sierraleoonse nationaliteit, heeft op 26 oktober 2016 via Italië de buitengrens van de Europese Unie overschreden. Op 24 november 2016 heeft hij in Nederland een verzoek om internationale bescherming ingediend. Het gaat in deze zaak om de vraag of de staatssecretaris Italië terecht verantwoordelijk heeft gehouden voor de behandeling van dit verzoek. De vreemdeling heeft gesteld dat hij een niet-begeleide minderjarige is en dat de staatssecretaris daarom krachtens artikel 8, vierde lid, van Verordening (EU) 604/2013 (Pb 2013 L 180; hierna: de Dublinverordening) zijn verzoek dient te behandelen. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris nader onderzoek had moeten doen naar de leeftijd van de vreemdeling.

2.    De staatssecretaris klaagt in zijn grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door de vreemdeling ingebrachte geboorteakte een sterk aanknopingspunt biedt voor twijfel aan de door hem geregistreerde geboortedatum. Daarbij heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat niet is gebleken hoe deze registratie tot stand is gekomen, aldus de staatssecretaris.

2.1.    In het besluit van 24 april 2017 heeft de staatssecretaris het standpunt ingenomen dat de geboortedatum van de vreemdeling [geboortedatum A] 1995 is nu die datum is vermeld in de door de vreemdeling ondertekende aanvraag om een verblijfsvergunning asiel en in de zogenoemde 'kopie Vp intake' die ook is aangeduid als 'ID Staat vreemdelingenrecht'. Voorts heeft de staatssecretaris in aanmerking genomen dat de Italiaanse autoriteiten, gelet op het fictieve claimakkoord van 16 februari 2017, geen aanleiding hebben gezien om te twijfelen aan die geboortedatum en dat uit navraag bij de liaisonambtenaar in Italië is gebleken dat de vreemdeling bij de Italiaanse autoriteiten bekend is met de geboortedatum [geboortedatum A] 1995.

2.2.    In zijn hogerberoepschrift heeft de staatssecretaris ter nadere toelichting op zijn standpunt gewezen op de zich in het dossier bevindende zogenoemde 'loopbrief' die bij binnenkomst van de vreemdeling in Nederland op 22 november 2016 is aangemaakt met als geboortedatum van de vreemdeling [geboortedatum A] 1995. Ook heeft hij een kopie van de e-mail van de liaisonambtenaar bijgevoegd, waaruit blijkt dat hij de informatie over de bij de Italiaanse autoriteiten bekend zijnde geboortedatum op 20 april 2017 heeft toegezonden gekregen.

2.3.    Het besluit van de staatssecretaris van 24 april 2017 stoelt, gelet op de in het hogerberoepschrift gegeven toelichting, op de verklaring van de vreemdeling bij binnenkomst in Nederland dat zijn geboortedatum [geboortedatum B] 1995 is. Er was op dat moment immers geen andere bron dan de vreemdeling zelf. Met de ontvangst van de informatie van de liaisonambtenaar in Italië over de geboortedatum van de vreemdeling op 20 april 2017 is die verklaring bevestigd.

    Dat de vreemdeling nadien heeft verklaard dat hij niet weet waar het geboortejaar 1995 vandaan komt en zich slechts zijn verwardheid weet te herinneren, maakt het voorgaande niet anders. De medische rapportage die hij ter staving van die verklaring heeft overgelegd over de periode van 25 november 2016 tot en met 14 december 2016 biedt daarvoor geen grond nu die geen informatie geeft over de eerste dagen na aankomst van de vreemdeling in Nederland en verder het beeld schetst dat de psychische gesteldheid van de vreemdeling eerst in de loop van genoemde periode achteruit is gegaan. Van zodanige verwardheid dat de vreemdeling ten tijde van zijn binnenkomst in Nederland niet juist over zijn geboortedatum heeft kunnen verklaren blijkt daaruit niet. Ook uit de daartoe overgelegde IMMO Signaleringslijst van 7 december 2016 en de verklaring van de psychiater van de vreemdeling van 2 mei 2017 komt dat niet naar voren.

2.4.    Nu, gelet op hetgeen onder 2.3. is overwogen, over de herkomst van de in Nederland geregistreerde geboortedatum geen onduidelijkheid bestaat en die datum overeen komt met de in Italië geregistreerde datum, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de door de vreemdeling overgelegde, authentiek bevonden geboorteakte een sterk aanknopingspunt is voor twijfel aan de door de staatssecretaris geregistreerde geboortedatum. Die twijfel was immers gevoed door de onduidelijke herkomst van de door de staatssecretaris geregistreerde geboortedatum. De geboorteakte is op zichzelf, zoals de rechtbank ook heeft overwogen, geen identificerend document. De staatssecretaris heeft terecht geen aanleiding gezien voor het doen van een leeftijdsonderzoek.

De grief slaagt.

3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, nu uit het vooroverwogene voortvloeit dat de voorgedragen beroepsgronden geen aanleiding geven voor een ander oordeel, het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 24 april 2017 alsnog ongegrond verklaren.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 12 juni 2017 in zaak nr. 17/8823;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Van Meurs-Heuvel

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2017

47.