Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2123

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
201605408/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juni 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605408/1/V3.

Datum uitspraak: 7 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 11 juli 2016 in zaak nr. NL16.1411 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 11 juli 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B.W.M. Toemen, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Op 8 december 2015 heeft de vreemdeling een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De staatssecretaris heeft krachtens artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (PbEU 2013 L180; hierna: de Dublinverordening), Bulgarije verantwoordelijk gehouden voor de behandeling van de aanvraag. De Bulgaarse autoriteiten hebben het terugnameverzoek op 9 februari 2016 geaccepteerd krachtens artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening.

2.    In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt had mogen stellen dat overdracht van de vreemdeling aan Bulgarije niet zal leiden tot een situatie die strijdig is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, omdat onduidelijk is in welke situatie de vreemdeling bij overdracht aan Bulgarije terecht zal komen. Daartoe betoogt de staatssecretaris dat de Afdeling in haar uitspraak van 15 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2076, waarin zijn hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 13 mei 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:6018 gegrond is verklaard, als volgt heeft overwogen. Uit het 'Country Report: Bulgaria' van Asylum Information Database van oktober 2015 en de 'Research Note: Reception conditions, detentions and procedural safeguards for asylum seekers and content of international protection status in Bulgaria' van de European Council on Refugees and Exiles en het European Legal Network on Asylum van februari 2016, waarop de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, haar oordeel heeft gebaseerd, volgt dat een vreemdeling die in Bulgarije een asielaanvraag heeft ingediend en daarop een in rechte vaststaand afwijzend besluit heeft gekregen alvorens hij Bulgarije heeft verlaten, of een vreemdeling die een afwijzend besluit heeft gekregen dat in afwezigheid bekend is gemaakt en waartegen geen beroep is ingesteld, na overdracht het risico loopt te worden beschouwd als irreguliere migrant en direct naar een detentiecentrum te worden overgebracht. Hiervan is in het geval van de vreemdeling geen sprake, aldus de staatssecretaris, zodat geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat hij het risico loopt na overdracht te worden gedetineerd en zich geconfronteerd te zien met gestelde tekortkomingen in het detentieregime in Bulgarije, dan wel vanuit detentie onvoldoende toegang tot de asielprocedure te hebben.

3.    Zoals de staatssecretaris terecht aanvoert, volgt uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2016 reeds dat de vreemdeling geen risico loopt na overdracht te worden gedetineerd omdat de acceptatie van het terugnameverzoek krachtens artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening niet betekent dat in Bulgarije sprake is geweest van een inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag die is geëindigd in een in rechte vaststaand besluit. Gelet daarop was de staatssecretaris, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet gehouden nader onderzoek te doen.

    De grief slaagt.

4.    Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het besluit van 13 juni 2016 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

5.    In beroep voert de vreemdeling aan dat de staatssecretaris, gelet op de door hem overgelegde rapporten, in de verhouding tot Bulgarije niet langer kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, vanwege de gebreken in de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Bulgarije.

5.1.    De vreemdeling heeft gewezen op de brieven van Vluchtelingenwerk Nederland en de daarin genoemde rapporten van 20 april 2016, "Bulgarije - Dublin; update vanaf 6 januari" en van mei 2016, "Veelgestelde vragen - Dublin Bulgarije", waarin de informatie is bijgewerkt tot 24 mei 2016. De informatie uit voormelde brieven van Vluchtelingenwerk heeft de Afdeling reeds meegenomen in haar uitspraken van 4 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:885 en ECLI:NL:RVS:2017:891, waaruit volgt dat de staatssecretaris in de verhouding tot Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan en dat een vreemdeling bij overdracht aan Bulgarije geen reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. De beroepsgrond faalt reeds hierom.

6.    Het beroep is ongegrond.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 11 juli 2016 in zaak nr. NL16.1411;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Leeman, griffier.

w.g. Troostwijk    w.g. Leeman

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2017

759.