Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2117

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-08-2017
Datum publicatie
16-08-2017
Zaaknummer
201704052/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 oktober 2016 heeft het college, voor zover thans van belang, de tot winkelcentrum In den Vijfhoek te Oldenzaal behorende overdekte passages krachtens artikel 9 van de Wegenwet aan het openbaar verkeer onttrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201704052/2/A3.

Datum uitspraak: 7 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker] en anderen, wonend te Oldenzaal, (hierna in enkelvoud: [verzoeker]),

verzoekers,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 4 april 2017 in zaak nr. 16/2756 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oldenzaal.

Procesverloop

Bij besluit van 11 oktober 2016 heeft het college, voor zover thans van belang, de tot winkelcentrum In den Vijfhoek te Oldenzaal behorende overdekte passages krachtens artikel 9 van de Wegenwet aan het openbaar verkeer onttrokken.

Bij uitspraak van 4 april 2017 heeft de rechtbank het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.

Voorts heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college en UniBail-Rodamco Nederland Winkels B.V. hebben ieder een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 augustus 2017, waar [verzoeker] en [andere verzoeker], Unibail, vertegenwoordigd door N.F. Kwantes en R. de Koning, bijgestaan door mr. A. Kamphuis, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door E.S.M. Slot, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Op 26 juni 1980 zijn de overdekte passages van het winkelcentrum als openbare weg aangewezen om regeling van de winkeltijden bij verordening mogelijk te maken. Op 5 juli 2016 heeft het college het voornemen gepubliceerd om de passages weer aan het openbaar verkeer te onttrekken, zodat revitalisering van het winkelcentrum, onder meer door een van de vier entrees inclusief bijbehorende passage te laten vervallen, mogelijk wordt. Volgens het college is voor de huidige regeling van de winkeltijden op grond van de Winkeltijdenwet aanwijzing als openbare weg niet meer noodzakelijk, worden de passages feitelijk niet als openbare weg gebruikt, omdat deze 's avonds worden afgesloten, en heeft onttrekking geen gevolgen voor het verkeer, omdat alleen voetgangers toegang tot de passages hebben en voldoende alternatieve routes voorhanden zijn. [verzoeker] is het hiermee niet eens gezien de nadelige effecten op de passantenstroom naar de Deurningerstraat en heeft tegen het voornemen een zienswijze van 15 augustus 2016 naar voren gebracht. Bij het besluit van 11 oktober 2016 heeft het college de passages aan het openbaar verkeer onttrokken.

3.    [verzoeker] beoogt met het verzoek schorsing van het besluit van 11 oktober 2016 totdat de Afdeling uitspraak op het hoger beroep heeft gedaan, omdat de passage naar de Deurningerstraat inmiddels is afgesloten. Hierdoor is het aantal passanten in de Deurningerstraat met 30% afgenomen, waardoor de winkeliers in de Deurningerstraat, onder wie [verzoeker], in hun voortbestaan worden bedreigd.

4.    In hoger beroep betoogt [verzoeker] dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte ongegrond heeft verklaard. Volgens hem heeft de rechtbank miskend dat het college hem niet bij de totstandkoming van het besluit heeft betrokken, dat de uitkomst van de door het college gemaakte belangenafweging onevenredig is en dat de onttrekking in strijd is met de Richtlijn 2006/123/EG betreffende diensten op de interne markt (hierna: de Dienstenrichtlijn).

4.1.    Artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet luidt: "Een weg, niet behoorende tot de in artikel 8 bedoelde, kan aan het openbaar verkeer worden onttrokken bij een besluit van den raad der gemeente, waarin de weg is gelegen."

4.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 20 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ4925) is de in artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet neergelegde bevoegdheid van discretionaire aard. Aan het bevoegd gezag komt daarbij een ruime mate van beleidsruimte toe. De rechter dient de aanwending daarvan te beoordelen aan de hand van de maatstaf of er strijd is met wettelijke voorschriften dan wel of de betrokken belangen zodanig onevenwichtig zijn afgewogen, dat niet in redelijkheid tot onttrekking kon worden overgegaan.

4.3.    Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter mocht het college de passages aan het openbaar verkeer onttrekken. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, heeft het college de voor de voorbereiding van het besluit voorgeschreven uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht gevolgd, in het kader waarvan [verzoeker] een zienswijze naar voren heeft gebracht. Geen rechtsregel verplichtte het college [verzoeker] op andere wijze bij de besluitvorming te betrekken. Voorts heeft [verzoeker], zoals de rechtbank eveneens terecht heeft geoordeeld, onvoldoende onderbouwd dat zijn belangen door de onttrekking onevenredig worden geschaad. [verzoeker] heeft niet aannemelijk gemaakt dat door de sluiting het aantal passanten zal afnemen en hij hierdoor nadeel zal ondervinden. Op de zitting van 2 augustus 2017 is komen vast te staan dat de passage naar de Deurningerstraat op 19 juli 2017 is afgesloten met het oog op het verrichten van voorbereidende werkzaamheden voor de bouw van een bibliotheek. [verzoeker] heeft niet concreet onderbouwd dat hij door deze afsluiting schade, laat staan onevenredige schade, zal lijden. Evenmin heeft [verzoeker] onderbouwd waarom het besluit in strijd is met de Dienstenrichtlijn.

5.    Gelet op het voorgaande moet het verzoek worden afgewezen.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Hartsuiker

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 augustus 2017

620.