Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2113

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-08-2017
Datum publicatie
09-08-2017
Zaaknummer
201606969/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2016:8289, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 augustus 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201606969/1/V2.

Datum uitspraak: 3 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 5 september 2016 in zaak nr. NL16.1970 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 5 september 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. drs. J.E. Groenenberg, advocaat te Nieuw-Vennep, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Aanleiding

1.    De vreemdeling heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat zijn vader in 2012 door de Taliban is ontvoerd en vermoord. In 2015 is ook zijn broer (hierna: de broer) door de Taliban ontvoerd. Volgens de vreemdeling verliep al het contact met de Taliban over zijn broer, via twee medewerkers van de winkel van de vreemdeling (hierna: de medewerkers). De Taliban hebben de medewerkers telefonisch te kennen gegeven dat de vreemdeling ongeveer 50.000,- Amerikaanse dollars aan losgeld diende te betalen, anders zouden zij de broer vermoorden. Eénmaal hebben de Taliban te kennen gegeven dat zij ook de vreemdeling zouden vermoorden als hij het losgeld niet zou betalen. Om het losgeld te kunnen betalen heeft de vreemdeling zijn winkel verkocht. Toen de medewerkers de opbrengst van deze verkoop in juli 2015 op de afgesproken plaats aan de Taliban hadden overhandigd, kregen zij te horen dat de broer was vermoord. Op 30 november 2015 is de vreemdeling uit Afghanistan vertrokken. Hij vreest dat de Taliban hem zullen vermoorden als hij terugkeert naar Afghanistan.

1.1.    De staatssecretaris heeft zich op het standpunt gesteld dat hij geen aanleiding ziet om ongeloofwaardig te achten dat de vader van de vreemdeling in 2012 is ontvoerd en vermoord door de Taliban. Hij heeft de aanvraag afgewezen omdat hij het asielrelaas voor het overige wél ongeloofwaardig acht. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat de vreemdeling wisselend heeft verklaard over wie aan de medewerkers had gemeld dat de broer was ontvoerd. Aanvankelijk heeft de vreemdeling immers verklaard dat de broer dit zelf telefonisch had gedaan. Nadien heeft hij echter verklaard dat de Taliban dit hadden gemeld. Verder heeft de staatssecretaris de vreemdeling tegengeworpen dat zijn verklaring, dat de Taliban meermalen telefonisch aan de medewerkers hebben gemeld dat de vreemdeling losgeld diende te betalen voor de vrijlating van de broer, niet strookt met de verklaring van de vreemdeling dat de Taliban, uit angst dat hij aangifte zou doen, aan de medewerkers hebben gevraagd om hem niet over de ontvoering te informeren. Verder heeft de staatssecretaris aan zijn standpunt ten grondslag gelegd dat bevreemdingwekkend is dat de vreemdeling, die nimmer zelf heeft gesproken met de Taliban, van de medewerkers zonder meer heeft aangenomen dat zijn broer door de Taliban was ontvoerd, en dat hij het aanzienlijke geldbedrag dat bestemd was voor de vrijlating van zijn broer, aan de medewerkers heeft toevertrouwd. De vreemdeling heeft immers niet aannemelijk gemaakt dat hij een vertrouwensband had met de medewerkers. De staatssecretaris heeft zich verder op het standpunt gesteld dat bevreemdingwekkend is dat de Taliban de medewerkers als tussenpersonen hebben gebruikt. Verder heeft de staatssecretaris de vreemdeling tegengeworpen dat bevreemdingwekkend is dat hij, hoewel hij ook zelf door de Taliban was bedreigd, nog tot 30 november 2015 in zijn woonplaats heeft verbleven, en dat hij in die periode geen problemen heeft ondervonden.

1.2.    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling wisselend heeft verklaard over de wijze waarop de medewerkers op de hoogte werden gebracht van de ontvoering. Volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris zich evenzeer terecht op het standpunt gesteld dat de verklaring van de vreemdeling dat hij losgeld moest betalen, niet strookt met zijn verklaring dat hij niet op de hoogte mocht worden gebracht van de ontvoering. De staatssecretaris heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vreemdeling de door hem gestelde vertrouwensband met de medewerkers niet aannemelijk heeft gemaakt. Volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris echter ondeugdelijk gemotiveerd dat bevreemdingwekkend is dat de Taliban de medewerkers als tussenpersonen hebben gebruikt. Dat is immers dezelfde werkwijze als de Taliban hebben gebruikt bij de door de staatssecretaris geloofwaardig geachte ontvoering van de vader van de vreemdeling. Gelet hierop heeft de staatssecretaris ondeugdelijk gemotiveerd dat het asielrelaas ongeloofwaardig is, aldus de rechtbank.

Grief

2.    In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank niet heeft onderkend dat, wat ook zij van de overweging van de rechtbank over het gebruik van de medewerkers als tussenpersonen, voldoende tegenwerpingen overblijven om zijn standpunt, dat het asielrelaas ongeloofwaardig is, te kunnen dragen.

2.1.    Zelfs als, ondanks het feit dat de vreemdeling tijdens het nader gehoor niet heeft verklaard dat de Taliban bij de ontvoering van zijn vader ook gebruik hebben gemaakt van een tussenpersoon, ervan wordt uitgegaan dat de staatssecretaris de vreemdeling ten onrechte heeft tegengeworpen dat bevreemdingwekkend is dat de Taliban gebruik hebben gemaakt van tussenpersonen, neemt dit niet weg dat de staatssecretaris het asielrelaas niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De tegenwerpingen die de rechtbank wél deugdelijk gemotiveerd heeft geacht, kunnen, samen met de door de vreemdeling niet bestreden tegenwerping dat bevreemdingwekkend is dat hij nog tot 30 november 2015 in zijn woonplaats heeft verbleven en in deze periode geen problemen heeft ondervonden, het standpunt van de staatssecretaris reeds dragen. Bij deze laatste tegenwerping neemt de Afdeling met name nog in aanmerking dat de vreemdeling, die stelt te vrezen voor de Taliban, heeft verklaard dat de Taliban vanaf het moment dat het losgeld was betaald, te weten juli 2015, op de hoogte waren van zijn adres, en hij tijdens het eerste gehoor heeft verklaard dat hij tot aan zijn vertrek, te weten 30 november 2015, ook op dat adres heeft verbleven.

    De grief slaagt.

Conclusie

3.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden meer zijn die bespreking behoeven, moet het beroep ongegrond worden verklaard.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 5 september 2016 in zaak nr. NL16.1970;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Fernandez, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Fernandez

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2017

753.