Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2107

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-07-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
201705931/1/A3 en 201705931/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

[verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: de rechtbank) van 17 juli 2017 in zaak nrs. 17/5833 en 17/5948 en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het geding betreft het besluit van de burgemeester van 3 juli 2017, waarbij aan [verzoeker] een huisverbod is opgelegd, en het besluit van de burgemeester van 12 juli 2017, waarbij het huisverbod met achttien dagen is verlengd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705931/1/A3 en 201705931/2/A3.

Datum uitspraak: 27 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van de Awb, op het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te Oostvoorne, gemeente Westvoorne,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 17 juli 2017 in zaken nrs. 17-5833, 17-783, 17-5948 en 17-803 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

de burgemeester van Westvoorne.

Openbare zitting gehouden op 27 juli 2017 om 11:00 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad: mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzieningenrechter

griffier: mr. E.A. Binnema

Verschenen:

[verzoeker], vertegenwoordigd door mr. J.J.E. Stout, advocaat te Rotterdam;

De burgemeester, vertegenwoordigd door G.R. Goemaat-Breederland, G.C.J. Nagtegaal, D. Sluijmers en I. Houfaty.

[verzoeker] heeft hoger beroep ingesteld tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: de rechtbank) van 17 juli 2017 in zaak nrs. 17/5833 en 17/5948 en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het geding betreft het besluit van de burgemeester van 3 juli 2017, waarbij aan [verzoeker] een huisverbod is opgelegd, en het besluit van de burgemeester van 12 juli 2017, waarbij het huisverbod met achttien dagen is verlengd.

De voorzieningenrechter doet met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter

I.     bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.     wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Gronden

De rechtbank heeft het huisverbod terecht in stand gelaten. De burgemeester was bevoegd het huisverbod aan [verzoeker] op te leggen en heeft in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken. Hierbij is van belang:

- Uit de stukken komt naar voren dat [verzoeker] en zijn vriendin [vriendin] op 2 juli 2017 ruzie hebben gekregen. Tijdens deze ruzie heeft [verzoeker], die zwaar onder invloed van alcohol was, een luchtdrukpistool gepakt en op [vriendin] gericht. Vervolgens heeft hij in de deur van de woonkamer geschoten. [vriendin] is met haar minderjarige zoon, die ook bij het incident aanwezig was, naar de buren gevlucht en heeft daar de komst van de politie afgewacht. De betwisting door [verzoeker] van deze feiten is niet met concrete gegevens onderbouwd.

- Het incident volgt op een periode waarin zich spanningen in de relatie tussen [verzoeker] en [vriendin] voordeden.

- De burgemeester heeft op basis van deze feiten en omstandigheden terecht aangenomen dat de aanwezigheid van [verzoeker] een ernstig gevaar als bedoeld in artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod opleverde.

- De gedragsaanwijzing die de officier van justitie aan [verzoeker] heeft opgelegd is een strafrechtelijke maatregel die losstaat van de bestuursrechtelijke maatregel tot oplegging van een huisverbod. Deze gedragsaanwijzing doet daarom niet af aan de bevoegdheid van de burgemeester.

- Gelet op de eerdergenoemde feiten en omstandigheden heeft de burgemeester de belangen van [vriendin] en haar minderjarige zoon, over wie zij het ouderlijk gezag heeft, in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan de door [verzoeker] gestelde belangen. Daarbij heeft de burgemeester een zwaar gewicht mogen toekennen aan het belang van het kind bij een veilige leefomgeving. De burgemeester heeft daarbij ook mogen betrekken dat [verzoeker] onderdak heeft bij zijn moeder, hetgeen - zoals ter zitting gebleken - tijdelijk wordt gedoogd door de verhuurder.

De rechtbank heeft eveneens de verlenging van het huisverbod terecht in stand gelaten. Van belang hierbij is:

- Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.

- De Afdeling heeft eerder overwogen dat bij de beoordeling of de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan daadwerkelijk niet langer bestaat, van belang is of de uithuisgeplaatste inmiddels een reële aanvang met de hulpverlening heeft gemaakt en of de verwachting gerechtvaardigd is dat hij aan de hulpverlening blijft meewerken.

- Tot op heden is nog geen aanvang met de hulpverlening gemaakt, omdat [vriendin] te kennen heeft gegeven heel erg bang voor [verzoeker] te zijn. Veilig Thuis en andere betrokken hulpverleners hebben aan de burgemeester geadviseerd het huisverbod te verlengen om een zogenoemd systeemgesprek met [verzoeker], [vriendin] en hulpverleners in te plannen. Ter zitting is gebleken dat dit gesprek zal plaatsvinden op 31 juli 2017.

- Gelet op de ernst van het incident is hulpverlening van groot belang. Nu de hulpverlening nog niet is opgestart, bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat de dreiging van het gevaar niet langer bestaat. De burgemeester heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de dreiging van het gevaar zich voortzet.

w.g. Van der Beek-Gillessen    w.g. Binnema

voorzieningenrechter    griffier    

589.