Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2102

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
201600736/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:10872, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 augustus 2014 heeft het college op verzoek van [appellant] informatie openbaar gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201600736/1/A3.

Datum uitspraak: 2 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 december 2015 in zaak nr. 14/3697 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Beesel.

Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2014 heeft het college op verzoek van [appellant] informatie openbaar gemaakt.

Bij besluit van 3 december 2014 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 22 december 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 9 juni 2017.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij brief van 12 april 2013 heeft [appellant] het college op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) verzocht om openbaarmaking van documenten betreffende de uitkering van wachtgeld aan oud-bestuurders en oud-raadsleden van de gemeente Beesel. Bij besluit van 22 april 2013 heeft het college dit verzoek gedeeltelijk ingewilligd.

    Bij brief van 1 augustus 2014 heeft [appellant] het college op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van alle correspondentie betreffende het Wob-verzoek van 12 april 2013 die intern in de gemeentelijke organisatie en tussen de gemeentelijke organisatie en derden heeft plaatsgevonden en van documenten waaruit blijkt welke ambtenaren de correspondentie met derden hebben gevoerd. Het besluit van 26 augustus 2014 is in reactie daarop genomen.

    In zijn bezwaar tegen het besluit van 26 augustus 2014 heeft [appellant] aangevoerd dat het college bij dat besluit ten onrechte persoonsgegevens van hem openbaar heeft gemaakt. Kort na het indienen van het bezwaarschrift heeft hij het college in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een besluit op het Wob-verzoek van 1 augustus 2014, hoewel dat besluit al was genomen.

    Bij het besluit van 3 december 2014 heeft het college het standpunt ingenomen dat [appellant] misbruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen en om daarop voortbouwend rechtsmiddelen aan te wenden. Het college heeft het bezwaar daarom niet-ontvankelijk verklaard. Bij de aangevallen uitspraak heeft ook de rechtbank dergelijk misbruik aangenomen en om die reden het beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Misbruik bevoegdheid

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij misbruik van een bevoegdheid heeft gemaakt. Hij voert daartoe aan dat hij onderzoek doet naar de uitkering van wachtgelden door gemeenten. Hij is geïnteresseerd in correspondentie over zijn onderzoek omdat diverse gemeenten zich daar negatief over hebben uitgelaten. Het Wob-verzoek van 1 augustus 2014 is dan ook niet om oneigenlijke redenen ingediend. Dat hij het college ten onrechte in gebreke heeft gesteld wegens het uitblijven van een besluit op dat verzoek, is slechts een menselijke fout en geeft geen blijk van kwade trouw, aldus [appellant].

2.1.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129, kan ingevolge de artikelen 13 en 15 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen, niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich derhalve tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van een bevoegdheid behelst en bieden dan ook een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep.

    Zoals de Afdeling in de uitspraak van 19 november 2014 ook heeft overwogen, zijn voor niet-ontvankelijkverklaring wegens misbruik van een bevoegdheid zwaarwichtige gronden vereist. Zulke gronden zijn onder meer aanwezig indien een bevoegdheid zodanig evident is aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij gegeven is, dat het aanwenden van die bevoegdheid blijk geeft van kwade trouw. Een min of meer overmatig beroep op door de overheid geboden faciliteiten levert in het algemeen op zichzelf geen misbruik van een bevoegdheid op. Elk beroep op die faciliteiten brengt immers kosten met zich voor de overheid en benadeelt de overheid in zoverre. Wel kan het aantal malen dat een bepaalde bevoegdheid wordt aangewend, in combinatie met andere omstandigheden bijdragen aan de conclusie dat misbruik van een bevoegdheid heeft plaatsgevonden.

2.2.    Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan. Ingevolge het vijfde lid wordt het verzoek ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

    Het Wob-verzoek van 1 augustus 2014 is op vrijwel identieke wijze geformuleerd als het door [appellant] ingediende Wob-verzoek dat aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling van 11 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:58. In zijn bezwaar tegen het besluit op het daarin aan de orde zijnde Wob-verzoek heeft [appellant] dezelfde gronden aangevoerd als in zijn bezwaar tegen het besluit op het Wob-verzoek van 1 augustus 2014. In de uitspraak van 11 januari 2017 heeft de Afdeling onvoldoende grond gezien voor het oordeel dat [appellant] misbruik van een bevoegdheid heeft gemaakt. De onterechte ingebrekestelling van het college door [appellant], is, gelet op de onder 2.1 beschreven maatstaf, onvoldoende om in dit geval anders te oordelen.

2.3.    Gezien het voorgaande, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat [appellant] misbruik van een bevoegdheid heeft gemaakt. Derhalve heeft zij het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Uit het voorgaande vloeit tevens voort dat het college ten onrechte misbruik van een bevoegdheid heeft aangenomen en dus het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het betoog slaagt.

Conclusie hoger beroep

3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 3 december 2014 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, ziet de Afdeling aanleiding om zelf in de zaak te voorzien.

Openbaarmaking persoonsgegevens

4.    [appellant] heeft in bezwaar betoogd dat het college ten onrechte zijn persoonsgegevens niet heeft weggelaten uit de openbaar gemaakte documenten. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij niet uitdrukkelijk heeft ingestemd met openbaarmaking van zijn persoonsgegevens. Volgens hem weegt het belang van openbaarmaking van zijn persoonsgegevens niet op tegen het belang van de eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.

4.1.    Ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Ingevolge het derde lid is deze bepaling niet van toepassing voor zover de betrokken persoon heeft ingestemd met de openbaarmaking.

    Zoals hiervoor onder 2.2 is overwogen, is het Wob-verzoek van 1 augustus 2014 op vrijwel identieke wijze geformuleerd als het door [appellant] ingediende Wob-verzoek dat aan de orde was in genoemde eerdere uitspraak. De Afdeling heeft daarin overwogen dat [appellant] ondanks zijn ruime kennis en ervaring op het gebied van de Wob een ongeclausuleerd Wob-verzoek heeft ingediend, waarin hij op geen enkele wijze te kennen heeft gegeven dat hij bezwaar heeft tegen openbaarmaking van zijn persoonsgegevens. Gelet hierop, heeft de Afdeling geoordeeld dat het aangezochte bestuursorgaan niet in strijd met artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob heeft gehandeld door ook persoonsgegevens van [appellant] openbaar te maken. Er is geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen. Het betoog faalt.

Zelf voorzien in bezwaar

5.    Het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 26 augustus 2014 is ongegrond. De Afdeling zal dienovereenkomstig op het bezwaar beslissen en bepalen dat haar uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 3 december 2014.

Proceskosten

6.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 december 2015 in zaak nr. 14/3697;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Beesel van 3 december 2014, kenmerk 201411074;

V.    verklaart het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Beesel van 26 augustus 2014, kenmerk 201410198, ongegrond;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Beesel tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.485,00 (zegge: veertienhonderdvijfentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Beesel aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 416,00 (zegge: vierhonderdzestien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen

lid van de enkelvoudige kamer    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2017

582.