Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2094

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
201606396/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:4228, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 oktober 2015 heeft het college aan Ontwikkelingsmaatschappij Buitenveldert B.V. (hierna: OMB) een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van negen woningen op het perceel Herenweg 112 te Vinkeveen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201606396/1/A1.

Datum uitspraak: 2 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B] en [appellant C] (hierna: [appellant] en anderen), allen wonend te Vinkeveen, gemeente De Ronde Venen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 juli 2016 in zaak nr. 15/6269 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van de Ronde Venen.

Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2015 heeft het college aan Ontwikkelingsmaatschappij Buitenveldert B.V. (hierna: OMB) een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van negen woningen op het perceel Herenweg 112 te Vinkeveen.

Bij tussenuitspraak van 22 april 2016 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes weken na verzending van de tussenuitspraak het geconstateerde gebrek in het besluit van 16 oktober 2015 te herstellen met inachtneming van de overwegingen in de tussenuitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 18 mei 2016 heeft het college het besluit gewijzigd in die zin dat de bijgevoegde en gewaarmerkte gewijzigde situatietekening van 4 mei 2016 in de plaats komt van de bij het besluit van 16 oktober 2015 behorende en daarvan onderdeel uitmakende situatietekening van 30 december 2015 (lees: 2014).

Bij uitspraak van 8 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen tegen het besluit van 16 oktober 2015 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Voorts heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 mei 2016 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraken hebben [appellant] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college en OMB hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

OMB heeft nog een nadere stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2017, waar [appellant] en anderen, bijgestaan door [gemachtigde] en mr. M.M. Kaajan, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door G.H. Voerman, zijn verschenen. Voorts is ter zitting OMB, vertegenwoordigd door H. Philipsen, bijgestaan door mr. H.J.M. van Schie, advocaat te Haarlem, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het bouwplan betreft de bouw van negen vrijstaande woningen op een perceel dat onderdeel is van de eilanden die zijn gelegen aan de oostzijde van Vinkeveen. Het betreft meerdere smalle langgerekte percelen die aan de oostzijde grenzen aan de Vinkeveense Plassen en die van elkaar zijn gescheiden door watergangen. Aan de westzijde van het perceel, dat ongeveer 140 m diep is en 30 m breed, loopt de Herenweg. De ontsluitingsweg naar de Herenweg is gesitueerd aan de noordzijde van het perceel. Aan de noordzijde van het perceel zal 537 m² aan oppervlaktewater worden gedempt en aan de zuidzijde van het perceel zal 727 m² van het perceel worden ontgraven. Voorts zullen aan de zuidzijde van het perceel aan de rand van een nieuw te realiseren strook water legakkers worden gerealiseerd. [appellant] en anderen wonen in de directe nabijheid van het te realiseren bouwplan. Zij verzetten zich tegen de voorgenomen bouw van de woningen omdat zij vrezen dat deze bouw afbreuk zal doen aan het groene landelijke karakter van de omgeving en aan hun woon- en leefklimaat.

2.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kom Vinkeveen" rust op het perceel de bestemming "Wonen". Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, omdat het bestemmingsplan de bouw van slechts één woning binnen het bouwvlak op het perceel toestaat. Voorts zal bij enkele woningen de maximaal toegestane bouw- en goothoogte worden overschreden en past de ontsluiting aan de noordzijde van het perceel niet binnen de bestemming. Het dempen van het oppervlaktewater aan de noordzijde van het perceel en het ontgraven van het perceel aan de zuidzijde zijn ingevolge het bestemmingplan evenmin toegestaan.

    Om het bouwplan niettemin mogelijk te maken, heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor het bouwplan een omgevingsvergunning verleend.

Uitspraken van de rechtbank

3.    De rechtbank heeft in de tussenuitspraak overwogen dat geen grond bestaat voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan als passend in de omgeving kan worden gekenschetst en niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd evenmin grond gevonden voor het oordeel dat het bouwplan in strijd is met het gemeentelijk beleid. Wat betreft de door [appellant] en anderen gestelde aantasting van hun privacy heeft de rechtbank overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de privacy niet onevenredig zal worden aangetast door realisering van het bouwplan en dat hierin aldus geen reden wordt gezien voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat het college bij de verlening van de omgevingsvergunning onvoldoende acht heeft geslagen op de gevolgen van het bouwplan voor de doorvaartmogelijkheden van de watergang ten zuiden van het perceel.

    In de uitspraak van 8 juli 2016 heeft de rechtbank overwogen dat het college met het besluit van 18 mei 2016 voldoende heeft toegelicht op welke wijze het de invloed van het bouwplan op de doorvaartmogelijkheden van de watergang aan de zuidzijde van het perceel in de beoordeling heeft betrokken en dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze invloed op de doorvaartmogelijkheden niet zodanig is dat dit aanleiding moet zijn om de omgevingsvergunning te weigeren. Die aanleiding ziet de rechtbank evenmin in de gestelde extra aantasting van de privacy van [appellant C] wegens de inkorting van een van de twee voorziene legakkers die bij het herstelbesluit van 18 mei 2016 is vergund.

Procesbelang [appellant A]

4.    Het door OMB ingenomen standpunt dat het procesbelang van [appellant A] verloren is gegaan, volgt de Afdeling niet. Weliswaar heeft [appellant A] zijn woning aan de [locatie] verkocht, maar ter zitting heeft [appellant A] onweersproken gesteld ook eigenaar te zijn van een naastgelegen perceel. Reeds hierom heeft [appellant A] nog belang bij een uitspraak op het hoger beroep.

Goede ruimtelijke ordening

5.    [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en dat de ruimtelijke impact op de omgeving zelfs groter is geworden door de bij het besluit van 18 mei 2016 in de omgevingsvergunning aangebrachte wijziging in de lengte van een van de legakkers. Onder verwijzing naar het door hen in beroep overgelegde rapport "Herenweg 112. Beoordeling ruimtelijke relatie met de omgeving" van 16 december 2015 van Remco Rolvink Spatial Strategies voeren zij hiertoe aan dat het in het oorspronkelijk boerderijlint gesitueerde bouwplan gelet op het landelijk karakter van de omgeving alsmede de aard en omvang van de bebouwing niet in de omgeving past.

5.1.    In de aan het besluit ten grondslag liggende ruimtelijke onderbouwing "Ruimtelijke onderbouwing Herenweg 112" van 10 juni 2015 van Croonenburo5 is ingegaan op de feitelijke situatie ter plaatse, de relatie met het bestemmingsplan, alsmede op de inpassing van het bouwplan in de omgeving. In de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat, door de bebouwing in de lengterichting van het perceel te plaatsen, rekening is gehouden met de oorspronkelijke structuur van het gebied. Voorts is vermeld dat de woningen ruim op het perceel zijn gesitueerd en zijn voorzien van verschillende kapvormen en goothoogten, zodat een gevarieerd beeld ontstaat vanuit zowel de Herenweg, de plaszijde als vanuit de naastgelegen woningen. Volgens de ruimtelijke onderbouwing is in het ontwerp ingespeeld op de bijzondere landschappelijke en recreatieve kwaliteiten van het dorp aan de plas. Zo blijft de kavel- en waterstructuur behouden, worden de oeverzone en het water optimaal benut en ontstaat er vanaf de Herenweg via de centrale ontsluitingsweg een doorzicht naar de Vinkeveense Plassen. Voorts is in de ruimtelijke onderbouwing vermeld dat de verbreding van de watergang aan de zuidzijde van het perceel ook zorgt voor een doorzicht naar de Vinkeveense Plassen en dat tussen de woningen eveneens drie noord-zuid doorzichten zijn gecreëerd. Volgens de ruimtelijke onderbouwing sluiten de woningen aan de noordzijde aan bij het nieuwbouwproject aan de Bernhardlaan-Zuid en zullen aan de zuidzijde van het perceel op de huidige oeverlijn typische Vinkeveense legakkers worden aangelegd, waardoor groene buffers ontstaan tussen het perceel en de bestaande woningen aan de zuidzijde.

5.2.    De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het bouwplan door zijn massaliteit en hoge bebouwingsdichtheid detoneert in de omgeving. Hierbij heeft de rechtbank terecht de bebouwingspatronen en bebouwingsdichtheid op de in de omgeving van het bouwplan gelegen eilanden in aanmerking genomen. Voor het oordeel dat het college het inmiddels gerealiseerde nieuwbouwproject aan de Bernhardlaan-Zuid vanwege zijn massaliteit niet bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het bouwplan heeft mogen betrekken, zoals [appellant] en anderen hebben aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen grond gezien. Het bouwplan sluit aan de noordzijde direct aan op deze bestaande bebouwing, zodat hiermee rekening dient te worden gehouden bij de inpassing van het bouwplan in de omgeving. Weliswaar acht het college de massaliteit van dit nieuwbouwproject minder passend in de omgeving en acht het herhaling ervan onwenselijk, maar dat betekent niet dat het voorziene bouwplan om die reden evenmin passend is in de omgeving. In de ruimtelijke onderbouwing en de van het besluit deel uitmakende zienswijzennota heeft het college voldoende gemotiveerd dat door de aanleg van ruime tuinen en legakkers alsmede de aanplant van bomen en realisering van doorzichten het open en groene karakter van het perceel voldoende behouden zal blijven en dat het bouwplan niet vergelijkbaar is met de massale nieuwbouw aan de Bernhardlaan-Zuid. Het college ziet de stedenbouwkundige opzet van het bouwplan als een meer open tegenhanger van de bebouwing aan de Bernhardlaan en om die reden ruimtelijk aanvaardbaar. Voor zover [appellant] en anderen hebben aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het bouwplan tekort schiet, nu de door hen aangevoerde grote verschillen in de zogenoemde Floor Space Index (hierna: de FSI) tussen het perceel en de omliggende eilanden hierin niet kenbaar zijn betrokken, slaagt dit niet. Zoals uit vorenoverwogene volgt, heeft het college de voorziene bebouwingsdichtheid op het perceel in relatie tot de bebouwingsdichtheid op omliggende percelen uitdrukkelijk betrokken bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het bouwplan. Aldus heeft het college een inhoudelijk oordeel gegeven over hetgeen [appellant] en anderen met een beroep op het FSI beogen te betogen, te weten dat de bebouwingsdichtheid van het bouwplan niet passend is in de omgeving.

    De rechtbank heeft voorts in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd over de aard en omvang van de voorziene vrijstaande woningen in relatie tot de oorspronkelijke bebouwing in de omgeving, die bestaat uit één bouwlaag met kap met groene ruimte tussen de bebouwing, terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college het bouwplan niet ruimtelijk aanvaardbaar heeft kunnen achten. In de ruimtelijke onderbouwing is voldoende gemotiveerd ingegaan op de aanvaardbaarheid van de aard en omvang van de woningen in relatie tot de omgeving. Hierbij is onder meer van belang geacht dat het bouwplan haaks op de Herenweg in het lint is gesitueerd waardoor vanaf de Herenweg beschouwd de ruimtelijke effecten van het bouwplan beperkt blijven tot de voorste woning, dat de woningen ruim op het perceel zijn gesitueerd en dat door de verschillende kapvormen en goothoogten een gevarieerd beeld van de bebouwing ontstaat. Voorts is van belang geacht dat alleen de achterste twee woningen op het perceel de ingevolge het bestemmingsplan toegestane maximale bouwhoogte overschrijden, zodat de ruimtelijke gevolgen hiervan voor de op een afstand van ongeveer 100 m gelegen Herenweg te verwaarlozen zijn, en dat in de directe omgeving van het bouwplan bebouwing aanwezig is met een vergelijkbare bouwhoogte.

    Naar aanleiding van de tussenuitspraak van de rechtbank heeft OMB het bouwplan gewijzigd in die zin dat een van de twee voorziene legakkers ter hoogte van de voorziene woning type B met 7 m zal worden ingekort. Dit betreft een geringe wijziging van het bouwplan zonder significante gevolgen voor de ruimtelijke uitstraling van het bouwplan. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat deze wijziging gevolgen heeft voor de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het bouwplan.

    Gelet op vorenstaande heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het bouwplan vanwege het karakter van de omgeving en de aard en omvang van de bebouwing in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

    Het betoog faalt.

Gemeentelijk beleid

6.    [appellant] en anderen betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in strijd is met het gemeentelijk beleid. Hiertoe voeren zij aan dat in de Structuurvisie De Ronde Venen 2030 (hierna: Structuurvisie) weliswaar is bepaald dat op het perceel nieuwbouw is toegelaten, maar dat het bouwplan strijdig is met de in de Structuurvisie neergelegde algemene uitgangspunten. Voorts voeren [appellant] en anderen aan dat de voorziene woningen niet passen in de Dorpsvisie Centrum Vinkeveen (hierna: de Dorpsvisie), nu hierin alleen incidentele villa-achtige bebouwing in een groene setting met het gezicht richting de plassen worden genoemd als mogelijke nieuwe woningen.

6.1.    Het perceel ligt in het gebied dat op de bij de Structuurvisie behorende kaart 9 is aangeduid als locatiekeuze bij nieuwbouw. Gelet op de aan het besluit ten grondslag liggende ruimtelijke onderbouwing waarin gemotiveerd is ingegaan op de ruimtelijke inpassing van het bouwplan in het gebied, heeft de rechtbank in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het bouwplan niet in overeenstemming is met de door [appellant] en anderen aangehaalde op de ruimtelijke inpassing betrekking hebbende algemene beleidsuitgangspunten van de Structuurvisie. Deze uitgangspunten zien op de bescherming van de specifieke ruimtelijke kwaliteiten van het gebied, zoals de openheid van het landschap en het dorpse karakter van de kernen. Gegeven de motivering in de ruimtelijke onderbouwing bestaat geen grond voor het oordeel dat deze kwaliteiten zullen worden aangetast.

    De rechtbank heeft voorts terecht voldoende aannemelijk gemaakt geacht dat het bouwplan niet in strijd is met de Dorpsvisie. Niet in geschil is dat het gehele perceel ligt in het gebied dat op de in de Dorpsvisie opgenomen kaart 4 is aangeduid met een 4. Ten aanzien van gebied 4, dat ligt tussen de Herenweg en de Plassen, is vermeld dat bebouwing in de tweede lijn Vinkeveen een gezicht aan de Plassen kan geven. Nieuwe woningen zijn hier mogelijk. Het gaat hierbij om incidentele villa-achtige bebouwing in een groene setting met het gezicht richting de Plassen. Het college heeft voldoende gemotiveerd dat daarvan in dit geval sprake is. Gegeven de verschijningsvorm van de negen verschillende vrijstaande woningen heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan als villa-achtige bebouwing is aan te merken. Nu het bouwplan uitsluitend voorziet in bebouwing op het perceel aan Herenweg 112, is het bouwplan in relatie tot zijn omgeving eveneens als incidentele bebouwing aan te merken. Geen grond bestaat voor het oordeel dat de term incidentele bebouwing betrekking heeft op één gebouw. Voor de juistheid van de stelling van [appellant] en anderen dat met de term incidentele bebouwing is bedoeld dat de bebouwing ondergeschikt dient te zijn aan het groene karakter van het perceel, heeft de Afdeling in de Dorpsvisie evenmin aanknopingspunten gevonden. De Dorpsvisie biedt verder geen aanknopingspunten voor het oordeel dat bij de beoordeling of het bouwplan in een groene setting is gelegen niet het hele gebied van de eilanden kan worden betrokken, zoals de rechtbank heeft gedaan. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het groene karakter van het perceel voldoende behouden zal blijven en dat in samenhang met de omgeving sprake is van een groene setting. Uit het feit dat niet alle negen woningen het gezicht richting de Plassen hebben, kan evenmin worden afgeleid dat het bouwplan in strijd is met de Dorpsvisie. De twee direct aan de Plassen liggende woningen hebben hun gezicht overeenkomstig de Dorpsvisie richting de Plassen. Nu de overige woningen niet direct grenzen aan de Plassen bestaat gelet op de strekking van de Dorpsvisie geen reden om aan te nemen dat ook deze woningen naar de Plassen gericht moeten zijn.

    Het betoog faalt.

Belangenafweging

7.    [appellant] en anderen betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning voor het bouwplan heeft kunnen verlenen. Hiertoe voeren zij aan dat de realisering van het bouwplan overeenkomstig de bij besluit van 18 mei 2016 gewijzigde omgevingsvergunning voor [appellant A] en [appellant C] een onaanvaardbare beperking van hun doorvaartmogelijkheden zal blijven meebrengen. Volgens [appellant] en anderen is het college bij de beoordeling van de doorvaartmogelijkheden aan de zuidzijde van het perceel uitgegaan van te kleine boten en heeft het ten onrechte geen rekening gehouden met de te verwachten aanzienlijke toename van het aantal boten aan de zuidzijde van het perceel als gevolg van de versmalling van de watergang aan de noordzijde van het perceel. Omdat de boten niet meer langs de noordzijde kunnen varen, zullen zij via zuidzijde gaan varen. [appellant] en anderen voeren verder aan dat de privacy van [appellant C] door het herstelbesluit in onacceptabele mate zal worden aangetast doordat een van de twee voorziene legakkers aan de zuidzijde van het perceel 7 m zal worden ingekort.

7.1.    Naar aanleiding van de tussenuitspraak van de rechtbank is een wijziging in het bouwplan aangebracht in die zin dat een van de twee legakkers aan de zuidzijde van het perceel 7 m korter zal zijn om de manoeuvreerruimte voor boten op dat deel van de watergang te vergroten. Het college heeft zich in het besluit van 18 mei 2016 op het standpunt gesteld dat de gewijzigde indeling er in voorziet dat de toekomstige bewoners eenvoudig via eigen terrein naar de plassen kunnen varen en dat de doorvaartmogelijkheden voor [appellant] en anderen niet zullen worden beperkt.

7.2.    De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich bij de beoordeling van de doorvaartmogelijkheden aan de zuidzijde van het perceel niet heeft mogen baseren op een boot met een gemiddelde breedte van 2,20 m en een gemiddelde lengt van 5,50 m. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, hebben [appellant] en anderen hun betoog dat een gemiddelde boot in het gebied 2,50 m breed en 6,2 m lang is, niet onderbouwd. Ook in hoger beroep hebben zij dat niet gedaan. Voorts heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat er van kan worden uitgegaan dat toekomstige bewoners van de te bouwen woningen bij de keuze van hun boot rekening zullen houden met de beschikbare doorvaartmogelijkheden.

    Niet in geschil is dat het bouwplan zal leiden tot een toename van het aantal boten, nu het in de lijn der verwachting ligt dat de toekomstige bewoners van de vergunde woningen een boot zullen afmeren aan hun aanlegsteiger. Aan de hand van de bij het besluit van 18 mei 2016 behorende situatietekening en de ter zitting van de Afdeling gegeven toelichting heeft de Afdeling vastgesteld dat in de watergang aan de zuidzijde van het perceel voldoende manoeuvreerruimte voor deze boten aanwezig is en dat de boten elkaar kunnen passeren. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling voorts geen aanleiding om aan te nemen dat de versmalling van de watergang aan de noordzijde van het perceel tot een zodanige toename van het aantal boten in de watergang aan de zuidzijde zal leiden dat daardoor de doorvaartmogelijkheden aldaar onaanvaardbaar zullen worden beperkt.

7.3.    Niet in geschil is dat de bij besluit van 18 mei 2016 in de omgevingsvergunning aangebrachte wijziging voor [appellant C] een extra aantasting van zijn privacy zal betekenen, nu er door de inkorting van een legakker vanuit de vergunde woning type C zicht zal ontstaan op zijn woning en zijn tuin. Weliswaar is de woning van [appellant C] georiënteerd op de Herenweg en niet op het bouwplan, maar anders dan de rechtbank heeft overwogen heeft de zijgevel van de woning aan de zijde van het bouwplan een raam. Zoals [appellant C] voorts ter zitting onweersproken heeft toegelicht, zal vanuit de woning type C direct zicht bestaan op het deel van zijn perceel dat hij gebruikt als tuin. Voor het oordeel dat de inkorting van een van de legakkers tot een zodanige extra aantasting van de privacy van [appellant C] zal leiden, dat het college daarin reden had moeten zien om de omgevingsvergunning te weigeren, heeft de rechtbank evenwel terecht geen grond gevonden.

7.4.    Gelet op vorenstaande heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning voor het bouwplan heeft kunnen verlenen.

    Het betoog slaagt niet.

Conclusie

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen

voorzitter    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2017

604.