Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2080

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
201604749/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:2419, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 9 november 2015 heeft [wederpartij] het college in gebreke gesteld in verband met het uitblijven van een besluit op zijn verzoek van 30 september 2015 op grond van de Wet openbaarheid bestuur (hierna: de Wob).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

201604749/1/A3.

Datum uitspraak: 2 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

het college van burgemeester en wethouders van Veghel, thans Meierijstad;

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 mei 2016 in zaak nr. 16/84 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college.

Procesverloop

Bij brief van 9 november 2015 heeft [wederpartij] het college in gebreke gesteld in verband met het uitblijven van een besluit op zijn verzoek van 30 september 2015 op grond van de Wet openbaarheid bestuur (hierna: de Wob).

Bij brief van 11 januari 2016 heeft [wederpartij] beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

Bij besluit van 30 maart 2016 heeft het college het verzoek afgewezen.

Bij uitspraak van 13 mei 2016 heeft de rechtbank het door [wederpartij] tegen het niet tijdig beslissen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 maart 2016, waarop het beroep op grond van artikel 6:20 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) mede betrekking heeft, gegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[wederpartij] heeft incidenteel hoger beroep ingediend.

Het college heeft een zienswijze ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2017, waar het college, vertegenwoordigd door T.J.M. Bockting, is verschenen.

Overwegingen

1.    Het college betoogt dat de handelwijze van [wederpartij] en zijn [gemachtigde] blijk geeft van misbruik van een wettelijke bevoegdheid. Daartoe verwijst het college onder meer naar de uitspraken van de Afdeling van 7 oktober 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3118), de rechtbank Oost-Brabant van 28 januari 2015 (ECLI:NL:RBOBR:2015:402) en de rechtbank Gelderland (zaak nr. ARN13/8187 WOB 243)

1.1.    In de door het college aangehaalde uitspraak van de Afdeling heeft de Afdeling overwogen dat ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen, niet kan worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst en bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.

1.2.    Ter beoordeling van de vraag of zodanige situatie zich in dit geval voordoet, overweegt de Afdeling het volgende. Met openbaarmaking op grond van de Wob wordt beoogd dat een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. De omstandigheid dat in artikel 3, derde lid, van de Wob is bepaald dat de indiener van een Wob-verzoek geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, laat onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met dit oogmerk is toegekend. Misbruik van recht kan zich voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven. Derhalve kan het doel van een Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden.

1.3.    Het verzoek van [wederpartij] luidt: "Ik verzoek u mij krachtens de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) de volgende documenten toe te sturen. Alle documenten waaruit (alleen of in samenhang met andere documenten) het aantal opvangplaatsen in de gemeente Veghel (al dan niet tijdelijk) van de afgelopen 12 maanden blijken. Mochten de kosten van de afschriften hoger zijn dan € 7,- vraag ik u mij, voordat u deze kosten maakt, op de hoogte te stellen van het totaal bedrag en om toestemming te vragen deze ook te mogen maken. Hopend op een spoedig antwoord per brief verblijf ik met vriendelijke groeten." In de aanhef van het verzoek staat: Per e-mail: [mailadres] en/of post"

    [gemachtigde] heeft bij brief van 11 januari 2016 bij de rechtbank beroep ingesteld vanwege het niet tijdig beslissen op zijn verzoek van 30 september 2015. Vervolgens heeft het college alsnog besloten. Daarbij is het verzoek afgewezen omdat het verzoek niet nader gepreciseerd is, ondanks verzoeken daartoe via e-mail en ingesproken voicemail, en tevens omdat het college meent dat misbruik van recht wordt gemaakt.

    Van [gemachtigde] en [wederpartij] mag verwacht worden dat een Wob-verzoek in beginsel een duidelijke inhoud en strekking heeft. In dit geval heeft [wederpartij] een Wob-verzoek ingediend dat zo ruim en ongespecificeerd is dat het voor velerlei uitleg vatbaar is. Bovendien moet het op voorhand duidelijk zijn geweest dat het door [wederpartij] gestelde maximum aan kosten voor afschriften, gezien het ruime verzoek, onmiddellijk bereikt zou worden en hem overeenkomstig zijn verzoek om toestemming zou moeten worden gevraagd voor vergoeding van de kosten.

    Vast staat dat het college [wederpartij] in een periode van twee weken na het verzoek meerdere e-mails heeft gestuurd met een verzoek tot specificatie en hem meermaals tevergeefs gebeld en daarbij voicemailberichten achtergelaten met het verzoek terug te bellen voor een nadere toelichting. [wederpartij] heeft niet op de e-mails gereageerd en niet teruggebeld. [wederpartij] geeft in hoger beroep aan dat hij per post wenste te communiceren en daarom in het verzoek te hebben opgenomen te hopen op een antwoord per brief. De Afdeling stelt evenwel vast dat [wederpartij] door in de aanhef van zijn verzoek bij zijn contactgegevens uitdrukkelijk zijn e-mailadres te vermelden, gevolgd door de woorden en/of per post, er blijk van heeft gegeven per e-mail bereikbaar te zijn. Het zonder deugdelijke verklaring niet reageren op de verzoeken van het college om specificatie en toelichting en het thans wijzen op de passage in de brief met zijn verzoek waarin staat dat hij hoopt op een spoedig antwoord per brief, duiden er op dat het de bedoeling geweest is verwarring te zaaien over de wijze van communicatie en aldus deze situatie te doen ontstaan.    

    In reactie op het verweer van het college en het alsnog genomen besluit reageert [gemachtigde] met het betoog dat de telefonische en digitale weg door zijn cliënt niet is opengesteld en dat van misbruik van recht geen sprake is. Een specificatie van het verzoek wordt ook in deze reacties niet gegeven. Ook ter zitting bij de rechtbank is geen toelichting gegeven welke stukken [wederpartij] wenst dan wel op andere wijze een nadere specificatie gegeven door [gemachtigde] of [wederpartij].

    Voorts heeft het college onweersproken gesteld dat [wederpartij] gelijkluidende verzoeken bij alle gemeenten in Nederland heeft gedaan. Ook heeft hij eerder vergelijkbare onduidelijke verzoeken gedaan. Dat deze verzoeken enig doel dienen, is niet gebleken. In de betogen in bezwaar en beroep concentreren [wederpartij] en zijn gemachtigde [gemachtigde] zich op gestelde formele gebreken. Deze gebreken vloeien evenwel voort uit de onduidelijkheid en verwarring over de wijze van communiceren die door [wederpartij] zelf is veroorzaakt. Zij verstrekken geen duidelijkheid over de informatie die [wederpartij] wenst te ontvangen. Kennelijk is het hem dan ook niet om die informatie te doen.

    Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat [wederpartij] de bevoegdheid om een Wob-verzoek in te dienen heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven en dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw. Er is misbruik gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Dit geldt evenzeer voor het gebruik van de bevoegdheden om bezwaar te maken en beroep en incidenteel hoger beroep in te stellen, nu het aanwenden van deze rechtsmiddelen niet los kan worden gezien van het doel waarvoor de bevoegdheden uit de Wob zijn gebruikt.

    Het hoger beroep van het college slaagt.

Incidenteel hoger beroep

2.    Nu het instellen van het incidenteel hoger beroep wordt aangemerkt als misbruik van recht is het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk.

Conclusie.

3.    Het incidenteel hoger beroep van [wederpartij] is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep van het college is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaren en het beroep tegen het besluit van 30 maart 2016 van het college alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het incidenteel hoger beroep van [wederpartij] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Veghel, thans Meierijstad gegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 mei 2016 in zaak nr. 16/84;

IV.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

V.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 30 maart 2016 van het college niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Rietberg, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Rietberg

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2017

725.