Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:208

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-01-2017
Datum publicatie
01-02-2017
Zaaknummer
201606132/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:3875, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 mei 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de referente om de vreemdeling een machtiging voor voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606132/1/V1.

Datum uitspraak: 27 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 14 juli 2016 in zaak nr. 16/806 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de referente om de vreemdeling een machtiging voor voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 18 december 2015 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 14 juli 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.T.C. Rebergen, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De staatssecretaris heeft de aanvraag om de vreemdeling een mvv voor verblijf als familie- of gezinslid te verlenen afgewezen, omdat de referente niet zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.73, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000). Volgens de staatssecretaris blijkt uit ambtelijk verkregen informatie van de belastingdienst dat de wettelijk vereiste premies en belastingen door de werkgever van de referente niet worden afgedragen. In hoger beroep is onbestreden dat ten tijde van het besluit van 18 december 2015 de werkgever nog steeds niet over alle maanden de vereiste premies en belastingen had betaald.

2. De vreemdeling klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte in navolging van de staatssecretaris heeft overwogen dat zijn beroep op het arrest van het Hof van Justitie van 4 maart 2010, Chakroun, ECLI:EU:C:2010:117, niet slaagt. De vreemdeling voert daartoe aan dat de staatssecretaris de niet betaalde afdracht aan premies en belastingen door de werkgever van de referente niet aan hem heeft mogen tegenwerpen zonder een individuele beoordeling te maken. Dat de staatssecretaris een individuele beoordeling moet maken volgt volgens hem niet alleen uit het arrest Chakroun, maar ook uit de artikelen 7, eerste lid, aanhef en onder c, en 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn, de desbetreffende richtsnoeren van de Europese Commissie en uit het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel.

2.1. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie - zoals bijvoorbeeld het arrest Chakroun, punt 48, en het arrest van 21 april 2016, Khachab, ECLI:EU:C:2016:285, punt 43 - valt, anders dan de rechtbank in navolging van de staatssecretaris heeft geconcludeerd, niet af te leiden dat het vereiste van een individuele beoordeling geen rol speelt bij de weigering van een mvv vanwege het niet zelfstandig beschikken over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.73, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000.

De klacht is in zoverre terecht voorgedragen. De grief leidt, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen, echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:271), vereist het arrest Chakroun dat de staatssecretaris, naar aanleiding van hetgeen door de desbetreffende vreemdeling naar voren is gebracht, een concrete beoordeling maakt van de situatie van die vreemdeling en de desbetreffende referent waarbij hij alle door of namens die vreemdeling aangevoerde individuele omstandigheden betrekt.

3. In dit geval heeft de vreemdeling zowel in bezwaar als in beroep aangevoerd dat de werkgever van de referente inmiddels de verschuldigde premies en belastingen heeft betaald. Zoals de staatssecretaris in het besluit van 18 december 2015 heeft vermeld, heeft hij op 3 december 2015 van de belastingdienst een overzicht ontvangen betreffende de periode van december 2014 tot en met oktober 2015. Uit dit overzicht valt af te leiden dat de werkgever van de referente op dat moment over zeven van de elf maanden nog geen loonheffing had afgedragen. Voorts heeft de vreemdeling in het beroepschrift aangekondigd dat hij stukken zal nazenden ter onderbouwing van zijn standpunt dat de werkgever van de referente de fouten inmiddels heeft gecorrigeerd en ten tijde van beroep de wettelijk vereiste premies en belastingen wel heeft afgedragen. Deze stukken heeft hij echter niet overgelegd, zoals de staatssecretaris ter zitting bij de rechtbank ook te kennen heeft gegeven. Hieruit volgt dat de vreemdeling de omstandigheden waarop hij zich heeft beroepen niet heeft gestaafd. De staatssecretaris heeft hetgeen is aangevoerd bij zijn beoordeling betrokken. Andere individuele omstandigheden zijn niet gesteld. De staatssecretaris was in dit geval dan ook niet gehouden tot nader onderzoek om een concrete beoordeling te maken als bedoeld in het arrest Chakroun. Dat de referente, naar gesteld, geen beroep heeft gedaan op publieke middelen maakt dit niet anders, reeds omdat - zoals de staatssecretaris ter zitting bij de rechtbank heeft toegelicht - het niet afdragen van premies en belastingen door een werkgever van invloed kan zijn op de hoogte van het door een werknemer werkelijk verdiende loon.

De grief faalt.

4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.

w.g. Troostwijk w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2017

766/488.