Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2071

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
201605221/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 mei 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Tubbergen Buitengebied 2016" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/806

Uitspraak

201605221/1/R3.

Datum uitspraak: 2 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Vasse, gemeente Tubbergen,

2.    [appellant sub 2], wonend te Albergen, gemeente Tubbergen,

3.    [appellante sub 3], gevestigd te Geesteren, gemeente Tubbergen,

4.    [appellante sub 4A] en [appellant sub 4B], gevestigd onderscheidenlijk wonend te Albergen, gemeente Tubbergen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 4]),

5.    [appellante sub 5A] en [appellant sub 5B], gevestigd onderscheidenlijk wonend te Reutum, gemeente Tubbergen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellante sub 5]),

6.    [appellant sub 6], wonend te Hoogland, gemeente Amersfoort,

7.    [appellant sub 7], wonend te Langeveen, gemeente Tubbergen,

8.    [appellant sub 8], wonend te Tubbergen,

en

de raad van de gemeente Tubbergen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Tubbergen Buitengebied 2016" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellante sub 3], [appellante sub 4], [appellante sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7] en [appellant sub 8] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende A] en [belanghebbende B] en anderen hebben gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid een schriftelijke uiteenzetting te geven.

[appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8], de raad en [belanghebbende A] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juni 2017, waar [appellant sub 2], bijgestaan door mr. G. Visser, rechtsbijstandverlener te Leeuwarden, [appellante sub 3], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellante sub 4], vertegenwoordigd door [appellant sub 4B], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellante sub 5], vertegenwoordigd door [appellant sub 5B], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellant sub 6], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, [appellant sub 7], bijgestaan door ing. A.J. Albers, [appellant sub 8], en de raad, vertegenwoordigd door drs. mr. M.Y. Rutjes, A.W.M. Staarink en S.H. Prins, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting [belanghebbende A], bijgestaan door mr. J.H.B. Averdijk, advocaat te Enschede, en [belanghebbende B] en anderen, bijgestaan door mr. B. Oudenaarden, advocaat te Arnhem, gehoord.

Overwegingen

Het plan

1.    Het plan heeft betrekking op alle gronden gelegen buiten de dorpskernen van de gemeente Tubbergen met uitzondering van enkele gronden waarvoor afzonderlijke bestemmingsplannen gelden. Met het vaststellen van dit plan wordt het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2006" geactualiseerd.

Toetsingskader

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 1]

3.    [appellant sub 1] is eigenaar van een boerderij aan de [locatie 1] te Vasse. Hij kan zich niet verenigen met het plan nu de raad geen woonbestemming dan wel recreatieve woonbestemming heeft toegekend aan zijn boerderij.

3.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk dient te worden geacht, omdat [appellant sub 1] geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

3.2.    Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

    [appellant sub 1] heeft geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht.

    Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

    Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep van [appellant sub 1] is niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellant sub 2]

4.    [appellant sub 2] woont aan [locatie 2] te Albergen en exploiteert daar een pluimveebedrijf. Hij beschikt tevens over een stal aan [locatie 3] te Albergen. [appellant sub 2] wenst de stal aan [locatie 3] uit te breiden met een overdekte buitenloop in verband met het voornemen om zijn bedrijfsvoering om te zetten naar een scharrelkipboerderij. Hij kan zich niet verenigen met de planregeling voor zijn stal aan [locatie 3].

5.    [appellant sub 2] betoogt dat ten onrechte geen bouwvlak is toegekend aan zijn stal aan [locatie 3] te Albergen. Daartoe voert hij aan dat de stal in 1967 met een bouwvergunning is opgericht en thans nog steeds kippen in de stal worden gehouden. Volgens hem dienen zijn bestaande rechten als zodanig te worden bestemd. Voor zover de raad stelt dat zijn stal moet worden aangemerkt als veldschuur voert [appellant sub 2] aan dat zonder aanduiding op de verbeelding onduidelijk is of zijn stal als veldschuur kan worden aangemerkt. Daarnaast voert [appellant sub 2] aan dat het plan ter plaatse van zijn stal geen intensieve veehouderij mogelijk maakt, waardoor het huidige gebruik van de stal niet is toegestaan. Voorts voert hij aan dat het aanmerken van zijn stal als veldschuur leidt tot een verslechtering.

5.1.    Blijkens de verbeelding zijn ter plaatse van de stal aan [locatie 3] te Albergen de enkelbestemming "Agrarisch - 1", de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 4" en de aanduidingen "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied" en "vrijwaringszone - radarverstoringsgebied" toegekend.

    Artikel 4, lid 4.1, van de planregels, voor zover hier van belang, luidt:

"De voor "Agrarisch - 1" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. het agrarisch gebruik;

b. de uitoefening van een agrarisch bedrijf, ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak", waarbij uitsluitend ter plaatse van de aanduidingen "intensieve veehouderij" of "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied" tevens agrarische bedrijfsvoering in de vorm van intensieve veehouderij mag worden uitgeoefend, (…)

met de daarbij behorende:

(…)

aa. bestaande veldschuren.

(…)."

    Lid 4.2.1, aanhef en onder a, luidt:

"Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen geldt dat de gebouwen en overkappingen uitsluitend binnen een bouwvlak zullen worden gebouwd, tenzij bestaande gebouwen en overkappingen buiten een bouwvlak zijn gebouwd, in welk geval de bestaande buiten het bouwvlak gebouwde gebouwen en overkappingen tevens en uitsluitend op dezelfde locatie buiten een bouwvlak gebouwd mogen worden."

    Lid 4.4.1, aanhef en onder j, luidt:

"Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming wordt in aanvulling op het gestelde in 51.1 in ieder geval gerekend het gebruik van bestaande veldschuren voor een gebruik anders dan het bestaande gebruik dan wel een minder afwijkend gebruik van het gebruik als veldschuur als bedoeld in het begrip onder 1.140."

    Artikel 1, voor zover hier van belang, luidt:

"In deze regels wordt verstaan onder:

1.28 bestaand: ten aanzien van de legaal aanwezige bouwwerken en de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden, en het overige gebruik: bestaand ten tijde van het inwerkingtreden van het plan;

1.140 veldschuur: een geheel buiten bouwvlakken/bouwpercelen staande schuur, die wordt of werd gebruikt voor het stallen of het melken van vee, dan wel de opslag van landbouwproducten of agrarische werktuigen."

5.2.    Tussen partijen is niet in geschil dat de stal aan [locatie 3] te Albergen met een bouwvergunning is opgericht. Tevens is tussen partijen niet in geschil dat de stal bij de vaststelling van het vorige plan "Buitengebied 2006" onder het overgangsrecht is gebracht. De raad heeft toegelicht dat de stal onder de veldschuurregeling van het thans voorliggende plan valt en dat hij deze derhalve als zodanig heeft bestemd. De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder aa, en lid 4.2.1, aanhef en onder a, van de planregels in samenhang gelezen met artikel 1, onder 1.28 en onder 1.140, van de planregels de stal van [appellant sub 2] als zodanig is bestemd in het onderhavige plan. Voor zover [appellant sub 2] heeft aangevoerd dat het huidige gebruik van de stal in het plan niet is toegestaan nu ter plaatse van de stal geen intensieve veehouderij mag worden uitgeoefend, overweegt de Afdeling dat op grond van artikel 4, lid 4.4.1, aanhef en onder j, van de planregels in samenhang gelezen met artikel 1, onder 1.28 en onder 1.140, van de planregels het bestaande gebruik van de stal ten tijde van het inwerkingtreden van het plan niet tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met de bestemming "Agrarisch - 1" wordt gerekend. Dit is ter zitting ook door de raad bevestigd. De Afdeling acht het plan in zoverre niet onduidelijk. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid voor deze regeling had mogen kiezen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat niet is gebleken dat [appellant sub 2] ten tijde van de vaststellen van het plan al een voldoende concreet voornemen voor de uitbreiding van zijn stal aan de raad kenbaar had gemaakt.

    Het betoog faalt.

6.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 3]

7.    [appellante sub 3] exploiteert aan de [locatie 4] te Geesteren een melkrundveehouderij. Zij wil op het perceel op de hoek van de Witteveensweg - Geesterseveldweg tevens een varkenshouderij gaan exploiteren. Zij kan zich niet verenigen met dit plan voor zover voor dit perceel geen bebouwingsmogelijkheid is opgenomen.

8.    [appellante sub 3] betoogt dat ten onrechte geen bouwvlak is toegekend aan haar perceel op de hoek van de Witteveensweg - Geesterseveldweg voor de nieuwvestiging van een intensieve veehouderij. Daartoe voert zij aan dat de raad ten onrechte stelt dat geen aanleiding bestaat terug te komen op zijn besluit van 1 juli 2013 om geen bouwvlak toe te kennen aan het perceel op de hoek van de Witteveensweg - Geesterseveldweg. In dit verband wijst zij op de omstandigheid dat de Afdeling in de uitspraak van 20 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3061, over het besluit van de raad van 1 juli 2013, is uitgegaan van het kennelijk door [appellante sub 3] niet hebben willen doorzetten van de procedure na de peildatum die de provincie hanteert voor lopende initiatieven, terwijl daarvan geen sprake was. Zij stelt dat juist veel inspanningen zijn verricht in de periode na de peildatum tot aan de ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning. Voorts voert zij aan dat het standpunt van de raad dat sprake is van een conserverend plan, evenmin in de weg staat aan het toekennen van een bouwvlak. Uit de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1047, blijkt dat uit het begrip conserverend bestemmingsplan niet volgt dat alle bestemmingen gelijk moeten blijven aan de bestemmingen in het voorgaande plan en dat het plan geen enkele ruimte voor nieuwe ontwikkelingen mag bieden, aldus [appellante sub 3]. Verder voert zij aan dat er geen ruimtelijke beletselen zijn die aan toekenning van een bouwvlak in de weg staan.

8.1.    Blijkens de verbeelding is aan het perceel op de hoek van de Witteveensweg - Geesterseveldweg, voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch - 1" met de aanduiding "reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied" toegekend.

8.2.    Bij besluit van 1 juli 2013 heeft de raad besloten het bestemmingsplan "Geesteren, hoek Witteveensweg - Geesterseveldweg", dat voorziet in de nieuwvestiging van een intensieve veehouderij op het perceel op de hoek van de Witteveensweg - Geesterseveldweg, niet vast te stellen, omdat er onder meer strijd is met het Reconstructieplan Salland-Twente en de in het reconstructieplan opgenomen overgangsregeling niet van toepassing is. De Afdeling heeft bij uitspraak van 20 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3061, het beroep van [appellante sub 3] tegen dit besluit ongegrond verklaard. In die uitspraak is onder 3.3. het volgende overwogen:

"Niet in geschil is dat uitgaande van het reconstructieplan voor de voorziene vestiging van de veehouderij van [appellante sub 3] op de locatie hoek Witteveenseweg - Geesterseveldweg de eis van saldering geldt tenzij sprake is van een lopend initiatief als bedoeld in het reconstructieplan.

    Uit de uitspraak van 5 oktober 2011, in zaak nr. 200909196/1/R1, volgt dat de regeling voor lopende initiatieven niet met zich brengt dat het reconstructieplan geen ruimte laat om in gevallen waarin niet vóór 18 december 2008 een aanvraag om een bouwvergunning is ingediend, van de voorwaarde van saldering af te zien. Daarbij is volgens die uitspraak van belang dat ter invulling van deze ruimte moet worden gekeken naar het tijdstip waarop de plannen om een veehouderij te (her)vestigen in een landbouwontwikkelingsgebied zijn aangevangen en hoe ver de plannen op de peildatum 18 december 2008 waren gevorderd."

Voorts is onder 3.7. van de uitspraak van 20 augustus 2014 het volgende overwogen:

"De Afdeling overweegt dat de brief van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 14 februari 2012 geen wijziging van de regeling in het reconstructieplan voor lopende initiatieven tot gevolg heeft. Gelet hierop is de raad er terecht van uitgegaan dat op de peildatum 18 december 2008 nog een belangrijk deel van de benodigde gegevens ontbrak, zodat het initiatief van [appellante sub 3] voor de vestiging van een veehouderij op de locatie Witteveenseweg - Geesterseveldweg te Geesteren op 18 december 2008 niet zodanig ver gevorderd was, dat het initiatief ondanks het ontbreken van een vóór 18 december 2008 ingediende aanvraag om een bouwvergunning niettemin zou kunnen worden aangemerkt als een lopend initiatief in de zin van het reconstructieplan. Daarbij is van belang dat er een periode is van meer dan 4 jaar tussen de peildatum en de indiening van de aanvraag die [appellante sub 3] kennelijk op zich niet beoogde door te zetten, terwijl van [appellante sub 3] verwacht had mogen worden dat zij na de gereedkoming van het MER op de kortst mogelijke termijn een aanvraag om een omgevingsvergunning zou hebben ingediend. Het initiatief voldoet in zoverre niet aan de voorwaarden waaronder van de eis van saldering als bedoeld in het reconstructieplan kan worden afgeweken. Het betoog faalt."

    De Afdeling concludeert in de uitspraak van 20 augustus 2014 dat de raad zich in zijn besluit tot weigering van de vaststelling van het bestemmingsplan "Geesteren, hoek Witteveenseweg - Geesterseveldweg" terecht op het standpunt heeft gesteld dat paragraaf 5.6.1 van het reconstructieplan in de weg staat aan de beoogde vestiging van een veehouderij op de locatie hoek Witteveenseweg - Geesterseveldweg te Geesteren.

8.3.    In artikel 2.9.2, eerste lid, van de Omgevingsverordening Overijssel 2009 staat dat bestemmingsplannen voor gebieden die zijn opgenomen in het reconstructieplan, wat betreft de mogelijkheden van bebouwing en het gebruik van gronden en opstallen, in overeenstemming dienen te zijn met het reconstructieplan. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op het Reconstructieplan Salland-Twente in samenhang gelezen met de Omgevingsverordening Overijssel 2009 er geen redenen zijn om terug te komen op zijn besluit van 1 juli 2013.

    De Afdeling ziet geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen dan in de genoemde uitspraak van 20 augustus 2014, te weten dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat paragraaf 5.6.1 van het reconstructieplan in de weg staat aan de beoogde vestiging van een veehouderij op de locatie hoek Witteveenseweg - Geesterseveldweg te Geesteren. [appellante sub 3] heeft in de onderhavige procedure geen argumenten aangevoerd die de Afdeling thans tot een ander oordeel brengen. Het betoog van [appellante sub 3] over de door haar verrichte inspanningen in de periode na de peildatum tot aan de ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat uit overweging 3.7. van de uitspraak van 20 augustus 2014 volgt dat acht is geslagen op de ten tijde van de peildatum aanwezige stukken en de periode van meer dan vier jaar tussen de peildatum en de indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning. Dat deze feiten en omstandigheden in die procedure onvoldoende aan de orde zouden zijn gekomen - wat daarvan ook zij - dient voor rekening van [appellante sub 3] te blijven.

    Het betoog faalt.

9.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 3] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 4]

10.    [appellante sub 4] exploiteert een pluimveehouderij aan [locatie 5] te Albergen. Zij kan zich niet verenigen met het plan voor zover het het aan haar perceel toegekende bouwvlak betreft. Volgens haar is het bouwvlak te gering van omvang, althans qua vorm niet juist.

    [belanghebbende B] en anderen zijn omwonenden van de pluimveehouderij en verzetten zich tegen een uitbreiding van de pluimveehouderij.

11.    [appellante sub 4] betoogt dat bij het toekennen van het bouwvlak aan haar perceel aan [locatie 5] te Albergen ten onrechte geen rekening is gehouden met haar bouwplan voor een nieuwe vleeskuikenstal. Zij voert aan dat sprake is van een concreet bouwplan. De omvang en de locatie van de stal zijn volstrekt helder, aldus [appellante sub 4]. In dit verband wijst [appellante sub 4] mede op de aangevraagde omgevingsvergunning. Uit het onderzoek dat hieraan ten grondslag ligt volgt dat de realisatie van de stal ruimtelijk aanvaardbaar is en het woon- en leefklimaat niet verslechtert. Tevens is volgens haar een onherroepelijke milieuvergunning verleend. Voorts voert [appellante sub 4] aan dat het woon- en leefklimaat beter is gediend met de door haar gewenste locatie voor de stal dan dat gebruik wordt gemaakt van de nog beschikbare bouwoppervlakte. De raad heeft dit volgens haar ten onrechte niet in zijn afweging betrokken.

11.1.    Bij besluit van 31 mei 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tubbergen geweigerd aan [appellante sub 4] een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een stal op haar perceel. Bij uitspraak van 10 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2177, heeft de Afdeling het beroep van [appellante sub 4] tegen het besluit van 31 mei 2016 ongegrond verklaard. In dat besluit staat onder meer dat het bedrijf is gelegen in het verwevingsgebied en dat op grond van het Reconstructieplan Salland-Twente de maximale omvang van bouwvlakken voor intensieve veehouderijen binnen het verwevingsgebied 1,5 ha bedraagt. Nu deze oppervlakte in de bestaande situatie ruimschoots wordt overschreden, is het bouwplan van [appellante sub 4] in strijd met het Reconstructieplan Salland-Twente, aldus het besluit van 31 mei 2016. Voorts staat in dit besluit dat nu het bouwplan in strijd is met het Reconstructieplan Salland-Twente, het bouwplan tevens in strijd is met de Omgevingsverordening Overijssel 2009. In artikel 2.9.2, eerste lid, van de Omgevingsverordening Overijssel 2009 staat dat bestemmingsplannen voor gebieden die zijn opgenomen in het reconstructieplan, wat betreft de mogelijkheden van bebouwing en het gebruik van gronden en opstallen, in overeenstemming dienen te zijn met het reconstructieplan. De raad heeft zich, net als het college, op het standpunt gesteld dat het bouwplan van [appellante sub 4] in strijd is met het Reconstructieplan Salland-Twente en de Omgevingsverordening Overijssel 2009. [appellante sub 4] heeft dit niet bestreden. De Afdeling overweegt dat de raad wegens strijdigheid van het bouwplan met het Reconstructieplan Salland-Twente en de Omgevingsverordening Overijssel 2009 met dit voornemen geen rekening behoefde te houden en in redelijkheid heeft kunnen afzien van het in het plan voorzien in het door [appellante sub 4] gewenste bouwvlak. Voor zover [appellante sub 4] ter zitting heeft gewezen op de in artikel 4, lid 4.7.5, van de planregels opgenomen bevoegdheid voor wijziging van de situering van het bouwvlak, overweegt de Afdeling dat dit een bevoegdheid betreft en niet een plicht.

    Het betoog faalt.

12.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 4] ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 5]

13.    [appellante sub 5] is gevestigd aan de [locatie 6] te Reutum en is een handels- en reparatiebedrijf in (vracht)auto’s. [appellante sub 5] kan zich niet verenigen met de omvang van het bestemmingsvlak en de bebouwingsmogelijkheden op haar perceel. Tevens wenst zij ter plaatse een bedrijfswoning te realiseren.

14.    [appellante sub 5] betoogt dat de raad de bebouwingsmogelijkheden op haar perceel ten onrechte niet heeft verruimd naar 1.000 m2. Tevens betoogt zij dat de raad het bestemmingsvlak op haar perceel ten onrechte niet heeft vergroot. Zij voert aan dat het standpunt van de raad dat sprake is van een conserverend plan, niet in de weg staat aan het toekennen van ruimere bebouwingsmogelijkheden. Volgens haar is hoogstens sprake van een overwegend conserverend plan. Bovendien volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 4 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1047, dat uit het begrip conserverend bestemmingsplan niet volgt dat alle bestemmingen gelijk moeten blijven aan de bestemmingen in het voorgaande plan en dat het plan geen enkele ruimte voor nieuwe ontwikkelingen mag bieden, aldus [appellante sub 5] Volgens [appellante sub 5] is haar bedrijfssituatie de afgelopen jaren zodanig gewijzigd dat behoefte bestaat aan meer bedrijfsruimte. In dit verband wijst zij op de vergroting van vrachtwagens. Zij stelt in haar verzoek bereidheid te hebben getoond om te voldoen aan het beleid Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving. Ten aanzien van de omvang van het bestemmingsvlak voert [appellante sub 5] aan dat zij nu gehouden is een deel van haar perceel als grasland in gebruik te houden, terwijl dit niets toevoegt aan haar bedrijfsvoering.

14.1.    Blijkens de verbeelding is aan het perceel aan de [locatie 6] te Reutum, voor zover hier van belang, de bestemming "Bedrijf" met de aanduidingen "bedrijfswoning uitgesloten", "specifieke vorm van bedrijf - garagebedrijf" en "maximum oppervlakte 520 m2" toegekend.

14.2.    De Afdeling stelt vast dat naar aanleiding van de zienswijze van [appellante sub 5] de bebouwingsmogelijkheden op het perceel van [appellante sub 5] zijn verruimd van 451 m2 naar 520 m2. Tussen partijen is niet in geschil dat enige ontwikkelingsruimte wordt geboden. Ten aanzien van het verzoek van [appellante sub 5] om haar bebouwingsmogelijkheden te verruimen naar 1.000 m2 en haar bestemmingsvlak te vergroten, heeft de raad te kennen gegeven dat het plan conserverend van aard is en dat [appellante sub 5] voorafgaand aan de vaststelling van het plan geen concreet plan heeft ingediend. Niet gebleken is dat [appellante sub 5] stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van de vaststelling van het plan reeds een voldoende concreet aan de raad ook kenbaar gemaakt plan bestond voor uitbreiding van haar bedrijf, noch is anderszins aannemelijk gemaakt dat een zodanig concreet voornemen is geuit dat dit zonder meer in het voorliggende plan kon worden opgenomen. De raad behoefde bij de vaststelling van het plan dan ook geen rekening te houden met dit voornemen.

    Het betoog faalt.

15.    [appellante sub 5] betoogt dat ten onrechte geen bedrijfswoning wordt mogelijk gemaakt op haar perceel. Zij voert aan dat de raad ten onrechte verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2898. Volgens haar staat thans de noodzaak aan een bedrijfswoning wel vast. Daartoe wijst [appellante sub 5] op ongelukken en pechgevallen met vrachtauto’s. In die situaties dient volgens [appellante sub 5] snel te kunnen worden gehandeld. Gelet op de frequentie van deze voorvallen en het feit dat deze een substantieel onderdeel vormen van de bedrijfsvoering, is het van belang dat [appellant sub 5B] ter plaatse woont, aldus [appellante sub 5] Dit is ook van belang met het oog op beveiliging en toezicht.

15.1.    De Afdeling overweegt dat de gronden die [appellante sub 5] thans aanvoert overeenkomen met hetgeen zij in de procedure tegen het besluit van de raad van 8 februari 2010 tot het afwijzen van het verzoek van [appellant sub 5B] om een bestemmingsplan vast te stellen waarin wordt voorzien in een bestemming voor bedrijfsdoeleinden voor zijn perceel aan de [locatie 6] te Reutum, met de mogelijkheid tot het oprichten van een bedrijfswoning, heeft aangevoerd. Hierover heeft de Afdeling in de uitspraak van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2898, overwogen:

"Wat betreft het verzoek van [appellant sub 5B] om een bedrijfswoning op het perceel mogelijk te maken overweegt de Afdeling dat [appellant sub 5B] niet aannemelijk heeft gemaakt dat een bedrijfswoning noodzakelijk is voor de continuering van zijn bedrijfsvoering. Niet valt in te zien waarom [appellant sub 5B] acuut ter plaatse aanwezig dient te zijn op het moment dat bij hem een voertuig wordt aangeboden. Dat dit op willekeurige tijdstippen, ook in de nacht, kan plaatsvinden is onvoldoende voor het aannemen van een noodzaak om op het perceel te wonen. Hij kan immers per telefoon vooraf worden geïnformeerd over de omstandigheid dat een voertuig aangeboden zal worden. [appellant sub 5B] heeft geen omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel leiden. In de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2009, waar [appellant sub 5B] naar heeft verwezen, is geoordeeld dat de raad onvoldoende onderzoek had verricht naar de activiteiten van het bedrijf in kwestie. Een inhoudelijk oordeel over de noodzaak om bij dat bedrijf te wonen heeft de Afdeling in die zaak niet gegeven. Reeds daarom kan [appellant sub 5B] niet met vrucht een beroep doen op die uitspraak."

    De Afdeling ziet geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen dan in de genoemde uitspraak van 12 juni 2013. [appellante sub 5] heeft in de onderhavige procedure geen argumenten aangevoerd die de Afdeling thans tot een ander oordeel brengen. Daarbij is van belang dat voor zover [appellante sub 5] wijst op het belang van een bedrijfswoning met het oog op beveiliging en toezicht, de raad heeft gesteld dat gelet op de huidige stand ter techniek er geen noodzaak is om op het perceel te wonen. [appellante sub 5] heeft dit niet betwist.

    Het betoog faalt.

16.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 5] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 6]

17.    [appellant sub 6] kan zich niet verenigen met het plan voor zover het betreft de toegekende bestemmingsregeling voor de schuur aan de [locatie 7] te Harbrinkhoek.

18.    [appellant sub 6] voert aan dat, anders dan de raad stelt, zijn zienswijze tijdig naar voren is gebracht. Daartoe voert hij aan dat zijn zienswijze, gedateerd op 27 januari 2016, die dag ter post is bezorgd en dat aangesloten dient te worden bij de verzendtheorie. Subsidiair voert [appellant sub 6] aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

18.1.    In de Reactienota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Tubbergen Buitengebied staat dat de zienswijze van [appellant sub 6] niet tijdig is ingediend. De zienswijze van [appellant sub 6] is vervolgens buiten behandeling gelaten.

18.2.    Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Awb wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad.

    Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, in samenhang met artikel 3:16, derde lid, van de Awb is een zienswijze tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge het tweede lid is bij verzending ter post een zienswijze tijdig ingediend indien deze voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits zij niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

    Het ontwerpplan is blijkens de kennisgeving met ingang van 17 december 2015 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De zienswijze van [appellant sub 6] is blijkens de Reactienota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Tubbergen Buitengebied ontvangen op 2 februari 2016. De zienswijze is derhalve binnen een week na afloop van de zienswijzentermijn ontvangen. Het door PostNL op de envelop aangebrachte datumstempel is uitgangspunt bij het vaststellen van de datum van terpostbezorging van de zienswijze. Bij brief van 23 mei 2017 heeft de raad desgevraagd te kennen gegeven dat de envelop, waarin [appellant sub 6] zijn zienswijze heeft verzonden, niet bij de gemeente aanwezig is. Gelet hierop gaat de Afdeling ervan uit dat [appellant sub 6] zijn zienswijze voor het einde van de termijn ter post heeft bezorgd. Er bestaat dan ook geen aanleiding om het beroep van [appellant sub 6] niet-ontvankelijk te verklaren.

19.    [appellant sub 6] betoogt dat de schuur aan de [locatie 7] te Harbrinkhoek ten onrechte niet als zodanig is bestemd in het plan. Hij stelt dat de schuur al 50 jaar bestaat en onder het bouw- en gebruiksovergangsrecht is gebracht. Volgens hem is het opnieuw onder het bouw- en gebruiksovergangsrecht brengen van de schuur in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

19.1.    Blijkens de verbeelding is aan het perceel aan de [locatie 7] te Harbrinkhoek, voor zover hier van belang, de bestemming "Agrarisch - 1" toegekend.

    Voor de tekst van de relevante planregels wordt verwezen naar 5.1 van deze uitspraak.

19.2.    Ter zitting is gebleken dat op 28 mei 1960 een bouwvergunning is verleend voor een kapbergschuur aan de [locatie 7] te Harbrinkhoek. De schuur is derhalve een legaal gebouw. De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder aa, en lid 4.2.1, aanhef en onder a, van de planregels in samenhang gelezen met artikel 1, onder 1.28 en onder 1.140, van de planregels de schuur van [appellant sub 6] met de veldschuurregeling als zodanig is bestemd in het onderhavige plan. Wat betreft het gebruik van de schuur overweegt de Afdeling dat op grond van artikel 4, lid 4.4.1, aanhef en onder j, van de planregels in samenhang gelezen met artikel 1, onder 1.28 en onder 1.140, van de planregels het bestaande gebruik van de schuur ten tijde van het inwerkingtreden van het plan niet tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met de bestemming "Agrarisch - 1" wordt gerekend. Dit is ter zitting ook door de raad bevestigd. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit artikel 1, lid 1.28, van de planregels niet volgt dat sprake moet zijn van bestaand legaal gebruik. Op het perceel aan de [locatie 7] is de bestaande schuur en het ten tijde van het inwerkingtreden van het plan bestaande gebruik daarvan derhalve als zodanig bestemd. Gelet op het vorenstaande mist het betoog van [appellant sub 6] feitelijke grondslag.

20.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 6] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 7]

21.    [appellant sub 7] woont aan de [locatie 8] te Langeveen. Hij kan zich niet verenigen met het toestaan van de meubelmakerij op het naastgelegen perceel aan de [locatie 9] te Langeveen. [belanghebbende A] is eigenaar van dit perceel respectievelijk exploitant van de meubelmakerij ter plaatse.

22.    [appellant sub 7] betoogt dat ten onrechte de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - meubelmakerij" is toegekend aan het naastgelegen perceel aan de [locatie 9] te Langeveen, waardoor de bestaande meubelmakerij als zodanig wordt bestemd. Daartoe voert hij aan dat zijn woon- en leefklimaat wordt aangetast in de zin van geluidsoverlast en luchtvervuiling. Tevens wijst hij op de brandveiligheid van de meubelmakerij. De raad heeft niet gemotiveerd dat de verkleining van de afstand tussen de meubelmakerij en zijn woning, te weten van 30 naar 20 m, in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, aldus [appellant sub 7]. Hij wijst in dit verband op de afstanden voor een meubelfabriek en timmerfabriek in de brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure). Volgens hem heeft de raad niet afgewogen of een meubelmakerij ter plaatse wel passend is. In dit verband voert hij aan dat uitgegaan dient te worden van nieuwvestiging nu de meubelmakerij een aantal jaren buiten gebruik is geweest waardoor het overgangsrecht niet meer van toepassing is.

22.1.    Blijkens de verbeelding is aan de [locatie 9] te Langeveen, voor zover hier van belang, de bestemming "Wonen" met de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - meubelmakerij" en "maximum oppervlakte 300 m2" toegekend.

22.2.    [appellant sub 7] woont sinds 1994 in de woning aan de [locatie 8] te Langeveen. Destijds was de meubelmakerij reeds aan de [locatie 9] te Langeveen gevestigd. In het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2006" is aan het perceel aan de [locatie 9] de bestemming "Woondoeleinden" met de aanduidingen "meubelmakerij" en "maximale oppervlakte 400 m2" toegekend. Tussen partijen is niet in geschil dat het gebouw waarin de bestaande meubelmakerij is gevestigd, niet ter plaatse van de gronden met de aanduiding "meubelmakerij" staat. De raad heeft toegelicht dat het destijds de bedoeling was dat voor de meubelmakerij vervangende nieuwbouw zou worden gerealiseerd ter plaatse van de gronden met de aanduiding "meubelmakerij" op de plankaart. In het onderhavige plan heeft de raad de bestaande meubelmakerij als zodanig bestemd. Door de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - meubelmakerij" niet alleen toe te kennen aan de gronden ter plaatse van het gebouw waarin de bestaande meubelmakerij is gevestigd, wordt in het onderhavige plan tevens vervangende nieuwbouw verder van de woning van [appellant sub 7] af mogelijk gemaakt. Omdat in het onderhavige plan ter plaatse van het gebouw waarin de bestaande meubelmakerij is gevestigd, een meubelmakerij voor het eerst planologisch mogelijk wordt gemaakt, is de Afdeling van oordeel dat de raad had moeten onderzoeken of het toestaan van een meubelmakerij ter plaatse ruimtelijk aanvaardbaar is, mede gelet op de omstandigheid dat de meubelmakerij dichter bij de woning van [appellant sub 7] wordt toegestaan. Nu de raad geen onderzoek heeft laten verrichten naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een meubelmakerij ter plaatse in relatie tot de woning van [appellant sub 7], heeft hij niet inzichtelijk gemaakt hoe hij de aspecten geluid en luchtkwaliteit heeft beoordeeld. Het plan is gelet daarop in zoverre onzorgvuldig voorbereid.

    Het betoog slaagt.

23.    In hetgeen [appellant sub 7] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - meubelmakerij" en "maximum oppervlakte 300 m2" voor het perceel aan de [locatie 9] te Langeveen is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

23.1.    De Afdeling ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover het ziet op de vaststelling van de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - meubelmakerij" en "maximum oppervlakte 300 m2" voor het perceel aan de [locatie 9] te Langeveen, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten. Dit betekent dat de in het plan toegekende aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - meubelmakerij" en "maximum oppervlakte 300 m2" voor het perceel aan de [locatie 9] te Langeveen blijven gelden. De Afdeling overweegt hiertoe het volgende.

    De raad heeft in het kader van deze procedure alsnog onderzoek laten verrichten door Geluid Plus adviseurs naar de geluidbelasting en de luchtkwaliteit als gevolg van de meubelmakerij op de bestaande bedrijfslocatie bij de woning van [appellant sub 7]. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport ‘Onderzoek luchtkwaliteit en geluid Meubelmakerij Roco te Langeveen’ van 17 mei 2017 (hierna: rapport). In dit rapport staat voor de in het plan als zodanig bestemde meubelmakerij dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de representatieve bedrijfssituatie 44 en 42 dB(A) bedraagt in respectievelijk de dag- en avondperiode ter plaatse van de woning van [appellant sub 7] en dat hiermee aan de bovengrens van het gemeentelijk geluidsbeleid en aan het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt voldaan. In de tuin/buitenruimte bij de woning van [appellant sub 7] bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 44 en 39 dB(A) in respectievelijk de dag- en avondperiode waarmee aan de ambitiewaarde van het gemeentelijk geluidsbeleid wordt voldaan, zo staat in het rapport. Voorts staat in het rapport dat het maximaal geluidniveau ter plaatse van de woning van [appellant sub 7] 57 en 59 dB(A) in respectievelijk de dag- en avondperiode bedraagt en dat hiermee voldaan wordt aan het Activiteitenbesluit milieubeheer. Indien rekening wordt gehouden met laad- en losactiviteiten in de dagperiode bedraagt het maximaal geluidniveau ter plaatse van de woning van [appellant sub 7] 73 dB(A) als gevolg van een passerende vrachtwagen, zo blijkt uit het rapport. De raad heeft een incidentele piekbelasting boven de 70 dB(A) door laden en lossen in de dagperiode in het kader van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar kunnen achten. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat deze overschrijding alleen op de noordoostgevel plaatsvindt en in het rapport rekening wordt gehouden met één vrachtwagen voor het laden en lossen per dag. In de buitenruimte bij de woning van [appellant sub 7] bedraagt de maximale geluidbelasting volgens het rapport ten hoogste 70 en 50 dB(A) in respectievelijk de dag- en avondperiode, waarmee aan een acceptabel maximaal geluidniveau wordt voldaan. Verder wordt in het rapport geconcludeerd dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 7] geen sprake is van een onacceptabele samenloop van geluid van bedrijven en/of wegverkeerslawaai. Ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit wordt in het rapport geconcludeerd dat ter plaatse van de woning van [appellant sub 7] sprake is van een goed woon- en leefklimaat. [appellant sub 7] heeft dit rapport niet bestreden. Voor zover [appellant sub 7] heeft aangevoerd dat op grond van het rapport een geluidscherm noodzakelijk is, heeft de raad ter zitting toegelicht dat deze conclusie in het rapport ziet op een situatie die niet als zodanig is bestemd in het plan. De raad heeft zich gelet op het voorgaande onder verwijzing naar het rapport in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het als zodanig bestemmen van de meubelmakerij ter plaatse van de woning van [appellant sub 7] niet zal leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ook neemt de Afdeling in aanmerking dat [belanghebbende A] ter zitting te kennen heeft gegeven dat het zijn intentie is om de meubelmakerij verder van de woning van [appellant sub 7] af te verplaatsen.

    In het niet nader gemotiveerde betoog van [appellant sub 7] omtrent de brandveiligheid van de meubelmakerij, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 8]

24.    [appellant sub 8] woont aan de [locatie 10] te Tubbergen. Hij kan zich niet verenigen met de terinzagelegging van het ontwerpplan en de begrenzing van het plangebied.

25.    De raad stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant sub 8] niet-ontvankelijk is, omdat [appellant sub 8] niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb kan worden aangemerkt. Daartoe voert de raad aan dat de gronden van [appellant sub 8] niet zijn gelegen in het plangebied, waardoor [appellant sub 8] geen rechtstreeks belang heeft bij het onderhavige plan. Dat [appellant sub 8] betoogt dat zijn gronden en de gronden rondom zijn woning in het onderhavige plan hadden moeten worden opgenomen, doet daar volgens de raad niet aan af.

25.1.    Het beroep van [appellant sub 8] is gericht tegen de begrenzing van het plan. [appellant sub 8] betoogt dat zijn gronden en de gronden rondom zijn woning, die direct ten noordoosten van het plangebied liggen, ten onrechte niet bij het plan zijn betrokken. Zijn belang is bij de begrenzing van het plan betrokken nu hij wil dat de naastgelegen gronden deel gaan uitmaken van het in het plan voorziene buitengebied. Gelet hierop kan [appellant sub 8] als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb worden aangemerkt.

26.    Voor zover [appellant sub 8] betoogt dat zijn gronden en de gronden rondom zijn woning ten onrechte niet bij het plan zijn betrokken en dat een stuk bos langs de rand van Tubbergen, tegen het industrieterrein aan, ten onrechte niet is bestemd als weiland, overweegt de Afdeling dat het beroep in zoverre niet steunt op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

    Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

    Deze omstandigheid doet zich niet voor. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

27.    [appellant sub 8] betoogt dat het ontwerpbestemmingsplan niet gedurende zes weken ter inzage heeft gelegen. Hij stelt dat het ontwerpplan eerst één dag na de terinzagelegging door de gemeente is ontvangen van Rho adviseurs voor leefruimte. Voorts stelt hij dat hij vijf dagen na de kennisgeving op het gemeentehuis is geweest om het ontwerpplan in te zien, maar dat het ontwerpplan toen niet kon worden ingezien. Tevens was het ontwerpplan vijf dagen na de kennisgeving niet digitaal in te zien, aldus [appellant sub 8]. Bovendien kan volgens hem niet worden volstaan met het enkel digitaal ter inzage leggen van het ontwerpplan. Volgens [appellant sub 8] kan dit gebrek niet worden gepasseerd met artikel 6:22 van de Awb. Hij stelt dat belanghebbenden in hun belangen zijn geschaad als gevolg van de duur van de terinzagelegging van het ontwerpplan. Belanghebbenden hebben relevante gezichtspunten niet naar voren kunnen brengen en zienswijzen zijn in de Reactienota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Tubbergen Buitengebied buiten behandeling gelaten wegens het een dag te laat naar voren brengen van de zienswijzen, aldus [appellant sub 8].

27.1.    Artikel 3:11, eerste lid, van de Awb luidt:

"Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage."

    Het vierde lid luidt:

"De stukken liggen ter inzage gedurende de in artikel 3:16, eerste lid, bedoelde termijn."

    Artikel 3:16, eerste lid, luidt:

"De termijn voor het naar voren brengen van zienswijzen en het uitbrengen van adviezen als bedoeld in afdeling 3.3, bedraagt zes weken, tenzij bij wettelijk voorschrift een langere termijn is bepaald."

    Het tweede lid luidt:

"De termijn vangt aan met ingang van de dag waarop het ontwerp ter inzage is gelegd."

    Artikel 6:22 van de Awb luidt:

"Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld."

Artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) luidt:

"Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, met dien verstande dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van die wet, tevens in de Staatscourant wordt geplaatst en voorts langs elektronische weg geschiedt, en het ontwerp-besluit met de hierbij behorende stukken tevens langs elektronische weg wordt beschikbaar gesteld."

27.2.    In de kennisgeving van het ontwerpbestemmingsplan staat dat het papieren exemplaar met ingang van 17 december 2015 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage ligt tijdens de reguliere openingstijden van het gemeentehuis. Evenwel, uit het aangenomen amendement 2016/Plegt-Busscher/1 blijkt dat het papieren exemplaar van het ontwerpplan niet de eerste dag van de tervisielegging ter inzage heeft gelegen. Ter zitting heeft de raad erkend dat het papieren exemplaar van het ontwerpplan eerst op 18 december 2015 ter inzage is gelegd. Niet in geschil is derhalve dat het papieren exemplaar van het ontwerpplan en de hierbij behorende stukken in ieder geval gedurende een deel van de termijn van terinzagelegging niet in te zien waren. Dit verdraagt zich niet met artikel 3:11 in samenhang gelezen met artikel 3:16 van de Awb. Voor zover de raad heeft gesteld dat het ontwerpplan wel gedurende de gehele termijn van terinzagelegging elektronisch beschikbaar was op de landelijke voorziening, heeft de Afdeling reeds eerder overwogen (uitspraak van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:641) dat de beschikbaarstelling als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onder a, van de Wro een aanvullende regeling is ten opzichte van de terinzagelegging in artikel 3:11, eerste lid, van de Awb.

27.3.    De Afdeling ziet evenwel aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Daartoe overweegt de Afdeling dat [appellant sub 8] niet is benadeeld nu hij tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht over het ontwerpplan. Niet aannemelijk is dat andere belanghebbenden vanwege de gebrekkige terinzagelegging zijn benadeeld. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad kennis heeft gegeven van het ontwerpplan, het ontwerpplan en de daarbij behorende stukken in ieder geval vijf weken in te zien waren op het gemeentehuis en aangenomen mag worden dat deze eventuele andere belanghebbenden een zienswijze naar voren zouden hebben gebracht waarin zou zijn gewezen op het niet kunnen inzien van het ontwerpplan gedurende de gehele termijn van terinzagelegging, dan wel dat zij beroep zouden hebben ingesteld indien zij in zoverre bezwaren zouden hebben gehad.

28.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 8], voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Proceskosten

29.    De raad dient ten aanzien van [appellant sub 7] en [appellant sub 8] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellante sub 3], [appellante sub 4], [appellante sub 5] en [appellant sub 6] geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het beroep van [appellant sub 8] niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de begrenzing van het bestemmingsplan;

III.    verklaart het beroep van [appellant sub 7] gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Tubbergen van 23 mei 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Tubbergen Buitengebied 2016" voor zover het betreft de aanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - meubelmakerij" en "maximum oppervlakte 300 m2" voor het perceel aan de [locatie 9] te Langeveen;

V.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het onder IV genoemde besluit, voor zover dat is vernietigd, in stand blijven;

VI.    verklaart de beroepen van [appellant sub 2], [appellante sub 3], [appellante sub 4A] en [appellant sub 4B], [appellante sub 5A] en [appellant sub 5B] en [appellant sub 6] ongegrond en het beroep van [appellant sub 8], voor zover ontvankelijk, ongegrond;

VII.    veroordeelt de raad van de gemeente Tubbergen tot vergoeding van bij [appellant sub 7] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.042,51 (zegge: duizendtweeënveertig euro en eenenvijftig cent), waarvan € 990,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Tubbergen tot vergoeding van bij [appellant sub 8] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 52,51 (zegge: tweeënvijftig euro en eenenvijftig cent);

VIII.    gelast dat de raad van de gemeente Tubbergen aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 7] en € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 8] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Lodeweges, griffier.

w.g. Hoekstra    w.g. Lodeweges

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2017

625.