Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2063

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-08-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
201605798/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:3448, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 februari 2014 heeft het college besloten tot invordering van verbeurde geldsommen van € 62.000,00.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Woningwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2017-0147
JOM 2017/818

Uitspraak

201605798/1/A1.

Datum uitspraak: 2 augustus 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Haaren,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 22 juni 2016 in zaak nr. 15/1845 in het geding tussen:

[wederpartij A] en [wederpartij B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [wederpartij]), beiden wonend te Helvoirt, gemeente Haaren

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2014 heeft het college besloten tot invordering van verbeurde geldsommen van € 62.000,00.

Bij besluit van 20 mei 2015 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juni 2016 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 mei 2015 vernietigd, het besluit van 25 februari 2014 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 20 mei 2015. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juni 2017, waar het college, vertegenwoordigd door G. Martens, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. J.L. Zijlma, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1. wederpartij] is eigenaar van het perceel [locatie]. Bij besluit van 4 maart 2010 heeft het college [wederpartij], onder oplegging van een dwangsom van € 6.000,00 per week met een maximum van € 60.000,00, gelast de paardenstal, de afrastering en de lichtmasten bij de paardenbak en een berging op dit perceel vóór 1 juli 2010 te verwijderen en verwijderd te houden omdat deze, in strijd met het bouwverbod van artikel 40 van de Woningwet (oud), zijn opgericht zonder vergunning. Voorts heeft het college [wederpartij] bij dat besluit, onder oplegging van een dwangsom van € 2.000,00 per week met een maximum van € 20.000,00, gelast het gebruik van de paardenbak op het perceel te staken en gestaakt te houden wegens strijd met het algemene gebruiksverbod van artikel 7.10 van de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat ten tijde van de oplegging van de last luidde. Het besluit van 4 maart 2010 is met de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1247, onherroepelijk geworden. Voorts is met de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2016, ELCI:NL:RVS:2016:683, de weigering van het college om de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom op te schorten, onherroepelijk geworden.

Bij besluit van 25 februari 2014, gehandhaafd bij besluit van 20 mei 2015, heeft het college besloten tot invordering, op grond van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), van verbeurde geldsommen van € 62.000,00 in verband met overtreding van het gebruiksverbod van de paardenbak gedurende een week en overtreding van het bouwverbod. [wederpartij] is het daarmee oneens.

2. De rechtbank heeft overwogen dat voor de verbeurde dwangsom inzake de paardenstal niet de bestuursrechter, maar de burgerlijke rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil over de invordering van dwangsommen omdat de Vierde tranche van de Awb niet van toepassing is. Het college betoogt dat de rechtbank daarmee heeft miskend dat de handhavingsprocedure is begonnen na 1 juli 2009 en dat daarom op de invordering onverkort het recht van na 1 juli 2009 van toepassing is. Daarbij wijst het college erop dat de Afdeling in voormelde uitspraak van 16 maart 2016 ook niet heeft geoordeeld dat het college geen procesbelang heeft. Voorts voert het college aan dat er op het moment dat de last onder dwangsom werd opgelegd nog geen verbod op het in stand laten van een bouwwerk bestond en dat de overtreding van het bouwverbod op het moment van het verbeuren van de dwangsommen nog voortduurde omdat het bouwwerk nog niet was verwijderd. Tot slot zou het oordeel van de rechtbank tot gevolg hebben dat in een geval als dit, waarin meer overtredingen zijn geconstateerd, meer handhavingsprocedures moeten worden gevoerd, hetgeen niet de bedoeling van de wetgever is geweest, aldus het college.

2.1. Dat de Afdeling zich in haar uitspraak in de procedure over de weigering om de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom op te schorten, niet heeft uitgelaten over vraag of de bestuursrechter of de burgerlijke rechter bevoegd is om kennis te nemen van een eventueel geschil over de invordering van dwangsommen, betekent niet dat in deze procedure zonder meer van de bevoegdheid van de bestuursrechter moet worden uitgegaan. De rechtbank is terecht nagegaan of zij in deze zaak bevoegd was om van dit geschil kennis te nemen.

2.2. Ten tijde van belang luidde artikel 40, eerste lid, van de Woningwet (oud):

"1 Het is verboden:

a. te bouwen zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning,

b. een bouwwerk, standplaats of deel daarvan dat is gebouwd zonder of in afwijking van een door burgemeester en wethouders verleende bouwvergunning, in stand te laten,

tenzij voor dat bouwen op grond van artikel 43 geen bouwvergunning is of was vereist."

2.3. Anders dan het college betoogt, bestond ten tijde van het opleggen van de last onder dwangsom naast een verbod om te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning, ook een verbod om een bouwwerk in stand te laten indien dat zonder of in afwijking van een vergunning was gebouwd. Het college had dus de keuze om naast de last wegens overtreding van het bouwverbod ook een last wegens overtreding van het instandlatingsverbod op te leggen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college de last voor de paardenstal, gelet op de bewoordingen van de last, uitsluitend heeft opgelegd wegens overtreding van artikel 40, eerste lid onder a, van de Woningwet (oud). Voorts staat de paardenstal er al sinds 1999, zoals [wederpartij] ter zitting van de Afdeling, door het college onweersproken, heeft verklaard. De rechtbank heeft dan ook eveneens terecht overwogen dat het hier gaat om een eenmalige overtreding die is gepleegd vóór 1 juli 2009 en die bij aanvang van de handhavingsprocedure niet meer voortduurde (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1563).

2.4. Op de situatie waarin een eenmalige overtreding vóór 1 juli 2009 is gepleegd, is ingevolge artikel IV van de Vierde tranche van de Awb het recht van toepassing zoals dit gold tot 1 juli 2009, ook al is de handhavingsprocedure na die datum begonnen. In dat geval dient, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, de burgerlijke rechter te oordelen over een geschil omtrent de invordering van verbeurde dwangsommen (uitspraak van de Afdeling van 1 juni 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ6826).

Dat het voorgaande betekent dat het college in dit geval voor de invordering van de dwangsommen voor de overtreding van het bouwverbod bij de paardenstal een andere procedure moet volgen dan voor de overtreding van het algemene gebruiksverbod, leidt niet tot een ander oordeel. Dat is het rechtstreekse gevolg van het overgangsrecht van artikel IV van de Vierde tranche van de Awb.

2.5. Het betoog faalt.

3. De rechtbank heeft overwogen dat niet is gebleken dat niet is voldaan aan de last om het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de paardenbak op het perceel te staken en gestaakt te houden omdat op de foto bij het controlerapport van 14 november 2013 geen paard is te zien en alleen het feit dat de afrastering er nog staat onvoldoende is om van strijdig gebruik te spreken. Het college betoogt dat de rechtbank door aldus te overwegen niet heeft onderkend dat een redelijke uitleg van de last betekent dat het strijdige gebruik kan en mag worden afgeleid uit het feit dat de paardenbak in een zodanige staat verkeert dat deze kan worden gebruikt voor het vrij laten lopen, trainen, berijden en dresseren van paarden. Het college wijst erop dat voor het aannemen van met het bestemmingsplan strijdige bewoning ook voldoende is dat er voorwerpen van huishoudelijke aard aanwezig zijn en dat niet vereist is dat er ook personen zijn aangetroffen.

3.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 23 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2764, moet een last zodanig duidelijk en concreet geformuleerd zijn dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten omtrent hetgeen gedaan of nagelaten moet worden om toepassing van de aangekondigde dwangmaatregelen te voorkomen. Het gehele besluit waarbij de last is opgelegd dient daarbij in ogenschouw te worden genomen.

In de last onder dwangsom is [wederpartij] opgedragen om het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de paardenbak te staken en gestaakt te houden. Daarbij is vermeld dat "[d]it concreet betekent dat [wederpartij] het gebruik van deze grond ten behoeve van het vrij laten lopen, trainen, berijden en/of dresseren van paarden [dient] te beëindigen en beëindigd [dient] te houden". Daarnaast - en los daarvan - heeft het college [wederpartij] gelast om de in strijd met het bouwverbod geplaatste afrastering en de lichtmasten bij de paardenbak te verwijderen en verwijderd te houden. In hoger beroep is niet in geschil dat het invorderingsbesluit niet ziet op overtreding van de last voor de afrastering en de lichtmasten.

3.2. Nu uit de tekst van de last over het gebruik van de paardenbak concreet en duidelijk blijkt dat deze erop neerkomt dat in de paardenbak geen paarden mogen lopen en er voor de afrastering en de lichtmasten een aparte last is opgelegd, is er in dit geval geen plaats voor de door het college voorgestane functionele uitleg van 'strijdig gebruik'. Dat volgens het college alleen door voortdurende surveillance ter plaatse zou kunnen worden vastgesteld of het strijdige gebruik van de paardenbak blijvend is gestaakt, doet daaraan niet af. Het college heeft de last immers zelf opgesteld en had deze anders kunnen formuleren.

3.3. Het college moet aannemelijk maken dat de last is overtreden. In het rapport van 14 november 2013 van de controle ter plaatse op 11 november 2013 is alleen vermeld dat is geconstateerd dat het strijdige gebruik van de paardenbak niet is gestaakt, maar niet uit welke feiten en omstandigheden dat blijkt. Niet is vermeld dat er paarden in de paardenbak zijn aangetroffen of dat er sporen waren van recente aanwezigheid van paarden. Het college heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de last om het strijdige gebruik van de paardenbak te beëindigen en beëindigd te houden, niet is opgevolgd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat er geen sprake is van een verbeurde dwangsom en dat het college daarom niet kon invorderen.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haaren tot vergoeding van bij [wederpartij A] en [wederpartij B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro);

III. bepaalt dat van het college van burgemeester en wethouders van Haaren een griffierecht van € 503,00 (zegge: vijfhonderddrie euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Dijken, griffier.

w.g. Verheij w.g. Van Dijken

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2017

595.