Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2051

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-07-2017
Datum publicatie
09-08-2017
Zaaknummer
201700366/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juni 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700366/1/V1.

Datum uitspraak: 31 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 december 2016 in zaak nr. 15/20593 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 18 november 2015 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 december 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.P. Sanchez Montoto, advocaat te Wassenaar, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De staatssecretaris heeft de afwijzing van de aanvraag van de vreemdeling, met de Turkse nationaliteit, gehandhaafd omdat met de door hem beoogde arbeid als zelfstandige in de bouw, geen wezenlijk Nederlands belang is gediend omdat zijn toetreding een negatief effect heeft op de Nederlandse markteconomie en werkgelegenheidssituatie. De staatssecretaris heeft dat standpunt gebaseerd op het advies van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: de RvO) van 4 september 2015.

2.    De rechtbank heeft onder verwijzing naar haar uitspraak van 1 september 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:12179, overwogen dat het besluit in strijd is met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de overeenkomst waarbij een associatie tot stand is gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (PB 1972, L 293; hierna: de standstill-bepaling) en om die reden het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd.

3.    De staatssecretaris betoogt in de enige grief dat de rechtbank heeft miskend dat hij voormeld standpunt mocht baseren op het deskundigenadvies van de RvO en ten onrechte haar eigen oordeel in de plaats heeft gesteld van dat advies.

3.1.    Bij uitspraak van 4 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:977, heeft de Afdeling het door de staatssecretaris tegen voormelde uitspraak van 1 september 2016 ingestelde hoger beroep gegrond verklaard en die uitspraak vernietigd. De Afdeling heeft daarin overwogen dat de rechtbank ten onrechte uit de cijfers over werkgelegenheid en werkloosheid in de jaren 2011-2015, in samenhang met het gegeven dat de RvO in 2012 en 2013 in vier zaken positief heeft geadviseerd, heeft afgeleid dat de RvO een strengere toetsingsmaatstaf is gaan hanteren waardoor de standstill-bepaling is geschonden. De vreemdeling heeft geen gegevens overgelegd die in deze zaak leiden tot een andere conclusie. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte onder verwijzing naar voormelde uitspraak van 1 september 2016 het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en het besluit vernietigd.

    De grief slaagt.

4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 18 november 2015 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

5.    De vreemdeling wordt niet gevolgd in zijn in beroep naar voren gebrachte betoog dat de staatssecretaris ten onrechte in de schriftelijke reactie van de accountant van de vreemdeling van 10 september 2015 geen aanleiding heeft gevonden om de RvO om nader advies te vragen. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat die reactie niet kan worden aangemerkt als een contra-expertise omdat die accountant niet onafhankelijk is en niet is aangetoond dat hij ter zake deskundig is. Voorts heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat volgens openbare bronnen waarnaar in de reactie is verwezen de vooruitzichten in de bouwsector voor 2015 en verder positief zijn, geen reden is voor twijfel aan de conclusie van de RvO dat geen ruimte bestaat voor nieuwe toetreders in die sector.

6.    In beroep heeft de vreemdeling aangevoerd dat het besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Aan een beoordeling van die beroepsgrond wordt niet toegekomen. De rechtbank heeft daarover uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die beroepsgrond, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop die betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Die beroepsgrond valt thans dientengevolge buiten het geschil.

7.    Het beroep is ongegrond.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 december 2016 in zaak nr. 15/20593;

III.    verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, griffier.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Willems

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2017

412.