Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2038

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-07-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
201701663/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 december 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Velmolen Oost fase 3" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4150
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701663/2/R2.

Datum uitspraak: 28 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1.    [verzoeker sub 1], wonend te Uden,

2.    [verzoeker sub 2], wonend te Uden,

verzoekers,

en

de raad van de gemeente Uden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Velmolen Oost fase 3" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] beroep ingesteld. [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[partij A] en [partij B], [partij C], [partij D], [partij E], [partij F] en [partij G], [partij H] en [partij I], de raad, [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 17 juli 2017, waar [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2], beiden bijgestaan door mr. D.A. Zeilstra, en de raad, vertegenwoordigd door mr. S.W.M. Schutte en S. Hermsen, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende], belanghebbende, daar verschenen.

Overwegingen

1.    Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.    Het plan voorziet naast de reeds bestaande woningen, die in beginsel de bestemming "Wonen - Bestaand 1" hebben gekregen, in de bouw van 145 nieuwe woningen in de wijk Velmolen langs de N264. In het voorheen geldende plan "Velmolen Oost" uit 2007 had het plangebied grotendeels een uit te werken woonbestemming voor maximaal 550 woningen.

    [verzoeker sub 2], die aan de [locatie 1] woont, op ongeveer 60 m van de westelijke grens van het plangebied, en [verzoeker sub 1], die aan de [locatie 2] woont, op ongeveer 90 m van de westelijke grens van het plangebied, vrezen met name voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat. Zij betogen dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld en zij beogen met hun verzoeken onomkeerbare gevolgen van het plan te voorkomen.

Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening

3.    [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] betogen dat het plan in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Zij betwisten de actuele regionale behoefte aan de nieuwe woningen en stellen dat de harde plancapaciteit binnen de gemeente de behoefte aan woningen reeds overstijgt. Volgens [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] volgt dit onder meer uit de plantoelichting waarin staat dat er in Uden jaarlijks maximaal 180 woningen per jaar mogen worden gebouwd. Dat aantal wordt in 2017 en 2018 reeds overschreden. Voorts is volgens hen geen sprake van bestaand stedelijk gebied, maar van een overgangsgebied, hetgeen ook volgt uit het feit dat het plangebied onder meer in aangeduid met "Integratie stad-land" in de Verordening ruimte 2014 van de provincie Noord-Brabant (hierna: Verordening 2014). [verzoeker sub 2] voert verder aan dat er binnen bestaand stedelijk gebied in Uden andere geschikte locaties zijn voor woningbouw.

3.1.    Artikel 1.1.1, eerste lid, onder h, van het Bro luidt:

"bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur;"

    Artikel 3.1.6, tweede lid, zoals ten tijde van belang, luidde:

"De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld."

3.2.    De voorzieningenrechter stelt vast dat dit plan ten opzichte van het voorheen geldende plan met de uit te werken woonbestemming, die door het college gedeeltelijk is uitgewerkt in verscheidene uitwerkingsplannen, voorziet in 145 nieuwe woningen. De raad heeft zich in de plantoelichting terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en heeft in de toelichting een beschrijving van de actuele regionale behoefte opgenomen. Daarbij heeft de raad aangegeven dat de nieuwe woningen passen binnen de in 2015 vastgestelde woningbouwprogrammering op grond waarvan Uden 2.270 woningen mag bouwen tot en met 2025. Deze programmering is gebaseerd op het Woningmarktonderzoek Uden en past binnen de regionale woningbouwafspraken. Dat in de toelichting staat dat er jaarlijks in Uden 180 woningen mogen worden toegevoegd betekent, anders dan [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] betogen, niet dat er geen behoefte meer bestaat als er in een jaar meer dan 180 woningen zouden worden gebouwd, nu de actuele regionale behoefte bij een bestemmingsplan wordt bezien in het kader van de planperiode van 10 jaar. Voorts hebben [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat met dit bestemmingsplan de harde plancapaciteit en de actuele regionale behoefte binnen de planperiode niet zal worden overschreden. Verder is de voorzieningenrechter, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, van oordeel dat de raad het plangebied terecht heeft aangemerkt als bestaand stedelijk gebied, nu het voorgaande bestemmingsplan, door middel van de uit te werken woonbestemming, reeds voorzag in een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen en daarbij behorende voorzieningen. Dat het plangebied in de Verordening 2014 grotendeels is aangemerkt als "Integratie stad-land" betekent niet dat het gebied geen bestaand stedelijk gebied, als bedoeld in de artikelen 1.1.1, eerste lid, onder h, en 3.1.6, tweede lid, van het Bro, is, nu een gebiedsaanduiding in een provinciale verordening daarvoor niet van belang is.

    Verder overweegt de voorzieningenrechter, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:125, dat de raad krachtens artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro gehouden is te beschrijven in hoeverre met het plan in de behoefte wordt voorzien binnen bestaand stedelijk gebied van de desbetreffende regio. De raad is in het kader van artikel 3.1.6, tweede lid, onder b, van het Bro, nu een actuele behoefte bestaat waarin kan worden voorzien binnen bestaand stedelijk gebied, zoals hier het geval is, echter niet gehouden te beoordelen of ook elders binnen bestaand stedelijk gebied in de gemeente of de regio in de behoefte zou kunnen worden voorzien.

    In de betogen over artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor schorsing van het bestreden besluit.

Verordening 2014

4.    [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] betogen dat het plan in strijd is met de artikelen 3.1, 3.2, eerste lid, en 9.1 van de Verordening 2014. Zij wijzen er op dat een stedelijke ontwikkeling op gronden met de aanduiding "Integratie stad-land" slechts is toegestaan als deze in samenhang en in evenredigheid geschiedt met een groene en blauwe landschapsontwikkeling. Dat is volgens hen niet het geval.    

4.1.    Artikel 3.1 (Zorgplicht voor de ruimtelijke kwaliteit) van de Verordening 2014, zoals die luidde ten tijde van belang, luidt:

"1. De toelichting bij een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling bevat een verantwoording dat:

a. het plan bijdraagt aan de zorg voor het behoud en bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, waaronder in ieder geval een landschappelijke inpasbaarheid;

b. toepassing is gegeven aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik.

2. Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik als bedoeld in het eerste lid houdt in ieder geval in dat:

a. een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied gebruik maakt van een bestaand bouwperceel, tenzij in deze verordening uitdrukkelijk anders is bepaald;

(…)"

    Artikel 3.2 (Kwaliteitsverbetering van het landschap) luidt:

"1. Een bestemmingsplan dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt, bepaalt dat die ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van de bodem, water, natuur, landschap, cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied of de omgeving."

    Artikel 9.1 (Gebieden Integratie stad-land) luidt:

"1. In afwijking van artikel 3.1, tweede lid, onder a (verbod op nieuwvestiging) en artikel 4.2 (stedelijke ontwikkeling) kan een bestemmingsplan, ter plaatse van de aanduiding "Integratie stad-land" voorzien in een stedelijke ontwikkeling mits:

a. deze in samenhang en in evenredigheid geschiedt met een groene en blauwe landschapsontwikkeling binnen de aanduiding "Integratie stad-land" of de naaste omgeving;

b. (…)

2. Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid strekt ertoe dat:

a. (…)

b. bij een stedenbouwkundige en landschappelijke inrichting van de stedelijke ontwikkeling rekening wordt gehouden met de aanwezige ruimtelijke kwaliteiten en structuren van het gebied zelf en de naaste omgeving, waaronder mede begrepen de ontwikkeling van een groene geleding ten behoeve van ecologische en landschappelijke verbindingen, door deze in de planontwikkeling te betrekken;

c. (…)

3. Voor zover een bestemmingsplan voorziet in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, is artikel 2, vierde lid (zwaarste regiem geldt) niet van toepassing en heeft het tweede lid, onder b, voorrang op de beschermingsregels die elders in deze verordening zijn opgenomen, behoudens in geval dat artikel 5 (EHS) van toepassing is."

4.2.    De voorzieningenrechter stelt vast dat het plangebied op de bij de Verordening 2014 behorende kaarten grotendeels is aangemerkt als "Integratie stad-land". Dat betekent dat artikel 9.1 van de Verordening 2014 van toepassing is en dat een stedelijke ontwikkeling in samenhang en in evenredigheid met een groene en blauwe landschapsontwikkeling moet geschieden. In paragraaf 2.3.2 van de plantoelichting heeft de raad beschreven hoe de groene en blauwe landschapsontwikkeling zal plaatsvinden, waarbij is aangegeven dat bestaande groenstructuren zoveel mogelijk behouden blijven en dat is voorzien in 6,5 ha aan nieuwe groenvoorzieningen. In het plan zijn diverse plandelen met de bestemming "Groen" opgenomen, die groenvoorzieningen en water mogelijk maken. Gelet op artikel 9.1, derde lid, van de Verordening gaat de voorzieningenrechter er voorshands vanuit dat artikel 3.1 en 3.2 van de Verordening 2014 niet ook van toepassing zijn. In hetgeen [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] hebben aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor schorsing van het bestreden besluit wegens strijd met de Verordening 2014.

Externe veiligheid

5.    [verzoeker sub 1] betoogt dat de raad bij de vaststelling van het plan in strijd met het Besluit externe veiligheid transportroutes heeft gehandeld (hierna: Bevt), nu de N264 (Lippstadtsingel) een weg is waarover gevaarlijke stoffen mogen worden vervoerd. De raad heeft hierover geen verantwoording in de toelichting opgenomen. [verzoeker sub 1] wijst er op dat als gevolg van het plan de personendichtheid in het invloedsgebied zal toenemen, terwijl de vluchtroutes onvoldoende zijn. Dit kan volgens haar tot gevolg hebben dat in geval van een ramp ook de bewoners van de Gulden onvoldoende mogelijkheden zullen hebben om zich in veiligheid te brengen.

5.1.    Artikel 7 van het Bevt luidt:

"In de toelichting bij een bestemmingsplan en in de ruimtelijke onderbouwing van een omgevingsvergunning wordt, voor zover het gebied waarop het plan of die vergunning betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van een weg, spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijk stoffen worden vervoerd, in elk geval ingegaan op:

a. de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van de ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en

b. voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet."

    Artikel 8 van het Bevt luidt:

"1. Indien een bestemmingsplan of omgevingsvergunning betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 meter van een transportroute, wordt in de toelichting bij dat plan onderscheidenlijk in de ruimtelijke onderbouwing van die vergunning tevens ingegaan op:

a.    1° de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan of besluit wordt vastgesteld, rekening houdend met de in dat gebied reeds aanwezige personen en de personen die in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan of de geldende bestemmingsplannen of een omgevingsvergunning redelijkerwijs te verwachten zijn, en

    2° de als gevolg van het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft."

5.2.    De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding het standpunt van de raad te volgen dat artikel 8:69a van de Awb in de weg zal staan aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond in de bodemprocedure. Anders dan in de door de raad aangehaalde uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2057, over het uitwerkingsplan "Partiële herziening van het uitwerkingsplan Velmolen Oost fase 1, locatie Gulden" is op voorhand niet uitgesloten dat het bestemmingsplan externe veiligheidsrisico’s met zich zou kunnen brengen voor [verzoeker sub 1] en dat de normen van het Bevt waar zij een beroep op doet mede strekken tot bescherming van haar belangen.  

    De voorzieningenrechter stelt echter vast dat de raad in paragraaf 3.5.3 van de toelichting is ingegaan op de risico’s van vervoer van gevaarlijke stoffen op de N264. In dit verband heeft de raad verwezen naar een advies van de regionale brandweer van 29 februari 2016. Daarin staat dat circa 70% van het plangebied binnen het invloedsgebied van de Lippstadtsingel ligt waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Verder staat er dat de ontvluchting vanuit het plangebied van de risicobronnen af redelijk is. Er kan nu alleen in de westelijke richting via de Gulden en Muntmeester worden ontvlucht. In dit verband adviseert de brandweer om in een onafhankelijke calamiteitenroute aansluitend op de Morgenweg te voorzien, bijvoorbeeld door een groenstrook tussen bestemmingsvlak WB-S1 en W3, aldus het advies. In de plantoelichting wordt verder verwezen naar het rapport "Kwalitatieve risicoanalyse Velmolen Oost fase 3 te Uden" van 5 april 2016 van Econsultancy, waarin een kwalitatieve risicoanalyse voor de N264 is vervat. Daarin staat dat de N264 niet is opgenomen in het zogenoemde Basisnet, maar dat hierover wel gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In dit verband zijn, uitgaande van de maximale mogelijkheden van het plan, de risico’s in beeld gebracht en is op de personendichtheid ingegaan. De voorzieningenrechter stelt vast dat op de verbeelding gronden met de bestemming "Groen" deels de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - calamiteitenroute" hebben gekregen. Op grond van artikel 3.1, aanhef en onder i, van de planregels zijn die gronden bestemd voor een calamiteitenroute voor hulpdiensten met een minimale breedte van 5 m. Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat op de gronden met de bestemming "Woongebied 1" verkeersvoorzieningen mogelijk zijn. Bedoelde gronden met de bestemmingen "Groen" en "Woongebied 1" liggen tussen de door de brandweer bedoelde plandelen. In hetgeen [verzoeker sub 1] heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat de raad is strijd met het Bevt heeft gehandeld en dat op grond van het plan niet kan worden voorzien in voldoende mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een ramp.

Luchtkwaliteit en ontsluiting                    

6.    [verzoeker sub 1] betoogt dat ten onrechte de invloed van de N264 niet is betrokken in het luchtkwaliteitsonderzoek, terwijl de leefbaarheid juist door deze weg al onder druk staat. Het verrichte onderzoek is feitelijk onjuist, nu de Morgenweg geen doorgaande weg is en er veel meer verkeer is te verwachten op de Muntmeester en de Gulden, waar [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] wonen. [verzoeker sub 2] voert aan dat de extra verkeersbewegingen als gevolg van de voorziene woningen een verdere verslechtering van de luchtkwaliteit met zich zullen brengen. Hij wijst er op dat in 2007 reeds is vastgesteld dat de wettelijke grenswaarden voor luchtkwaliteit als gevolg van de N264 werden overschreden.

6.1.    Artikel 5.16 van de Wet milieubeheer luidt:

"1.  Bestuursorganen maken bij de uitoefening van een in het tweede lid bedoelde bevoegdheid of toepassing van een daar bedoeld wettelijk voorschrift, welke uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en maken daarbij aannemelijk:

a. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde;

b (…);

c. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet in betekende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor in bijlage 2 een grenswaarde is opgenomen;

d. (…);"

6.2.    De voorzieningenrechter is, anders dan de raad betoogt, voorshands van oordeel dat artikel 8:69a van de Awb niet aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgronden in de bodemprocedure in de weg zal staan, nu de normen over luchtkwaliteit waar [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] een beroep op doen ook mede strekken tot bescherming van hun belangen.

    In de plantoelichting wordt verwezen naar het rapport "Luchtkwaliteitsonderzoek Velmolen Oost Fase III te Uden" van 18 oktober 2016 van Econsultancy. Daarin is geconcludeerd dat de concentraties ruim onder de wettelijke grenswaarden blijven en dat daarnaast in de toekomst de concentraties verder zullen afnemen. De raad stelt zich op basis hiervan op het standpunt dat aan artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is voldaan. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om dit standpunt onjuist te achten. Anders dan [verzoeker sub 1] en [verzoeker sub 2] lijken te betogen, rust op de raad in dit geval de verplichting om de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit te onderzoeken en niet de gevolgen van de buiten het plangebied gelegen N264. Voorts is niet gebleken dat de gevolgen van deze weg niet in de achtergrondconcentraties zijn betrokken.

    Over de in het rapport beschreven relevante ontsluitingswegen overweegt de voorzieningenrechter dat het plan niet in de weg staat aan een wijze van ontsluiten waarbij ook de Morgenweg is betrokken. Dat deze weg thans geen doorgaande weg is en halverwege is gesloten voor verkeer betekent niet dat deze weg niet als één van de ontsluitingswegen voor het plangebied kan gaan dienen.

    De voorzieningenrechter ziet voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgesteld en dat het plangebied niet afdoende kan worden ontsloten.

Flora en fauna

7.    [verzoeker sub 1] betoogt dat de gevolgen van het plan voor de flora en fauna onvoldoende zijn onderzocht. Zij wijst er op dat er sprake is verstoring van een vaste rust- en verblijfplaats van een buizerd binnen het bosgebied aan de Morgenweg. Onduidelijk is of hiervoor een ontheffing kan worden verleend.

7.1.    De voorzieningenrechter stelt vast dat de afstand tussen de woning en het perceel van [verzoeker sub 1] en het bedoelde bosgebied meer dan 200 m bedraagt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 19 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3238, behoeft het niet in alle gevallen op voorhand uitgesloten te worden geacht dat de Ffw (thans Wnb) met de bescherming van diersoorten tevens bescherming biedt aan het belang bij het behoud van een goede kwaliteit van de directe leefomgeving van omwonenden. De ingeroepen normen strekken tot bescherming van plant- en diersoorten. Het daadwerkelijke belang waarin [verzoeker sub 1] dreigt te worden geraakt als gevolg van het plan, is het belang bij het behoud van de huidige kwaliteit van haar directe leefomgeving. Gelet op de ligging van de woning van [verzoeker sub 1] op een afstand van hemelsbreed meer dan 200 m van het bedoelde bosgebied, en het feit dat hiertussen andere woonbebouwing staat, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat op die afstand de directe leefomgeving van [verzoeker sub 1] niet aan de orde is. Derhalve wordt voorshands geoordeeld dat de Ffw (thans Wnb) kennelijk niet strekt tot bescherming van haar belangen. In de door [verzoeker sub 1] ter zitting genoemde uitspraak van de Afdeling van 24 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3376, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een ander oordeel, nu de situatie in die zaak van de hier aan de orde zijnde situatie verschilt. In dit geval is de afstand tussen de woning en de plek waar de beschermde diersoort zich bevindt aanzienlijk groter en is niet aannemelijk gemaakt dat de aanwezigheid van bedoelde buizerd de leefomgeving van [verzoeker sub 1] kleurt.        

Artikel 3.1.4 van het Besluit ruimtelijke ordening en beleid

8.    [verzoeker sub 1] betoogt dat het plan in strijd met artikel 3.1.4 van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) is vastgesteld en dat er geen samenhangend beleid is. Zij acht het in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel dat geen gebruik meer zal worden gemaakt van de in 2007 vastgestelde uitwerkingsplicht en is gekozen voor de vaststelling van een bestemmingsplan, dat afwijkt van de uitwerkingsvoorwaarden. Daardoor kan het plangebied te intensief worden bebouwd.

8.1.    Artikel 3.1.4 van het Bro luidt:

"Een bestemmingsplan geeft voor een op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de wet uit te werken deel van het plan op een zodanig wijze de doelstellingen aan, dat voldoende inzicht wordt verkregen in de toekomstige ontwikkeling van het desbetreffende gebied."

8.2.    De voorzieningenrechter overweegt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2129, dat artikel 3.6, eerste lid, onder b, van de Wro weliswaar een verplichting voor het college inhoudt om binnen de planperiode op grond van een uit te werken bestemming een uitwerkingsplan vast te stellen, maar dat dit niet betekent dat daarmee de raad zijn bevoegdheid verliest om in het kader van een goede ruimtelijke ordening een nieuw bestemmingsplan vast te stellen voor de gronden waarop een uitwerkingsplicht rust. Door de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan voor deze locatie is de uitwerkingsplicht uit het bestemmingsplan "Velmolen Oost" uit 2007 komen te vervallen. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan hoefde de raad, anders dan het college bij de vaststelling van een uitwerkingsplan, niet te voldoen aan de uitwerkingsregels en het daarin genoemde maximum van 550 woningen. Dat laat onverlet dat het bestemmingsplan in overeenstemming moet zijn met het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. De raad mag dan ook niet kiezen voor een aantal woningen dat onaanvaardbare ruimtelijke gevolgen zou hebben. In paragraaf 1.1 van de plantoelichting is toegelicht dat bewust niet is gekozen voor uitwerking van de gronden met de bestemming "Woongebied uit te werken", omdat de raad inmiddels een andere invulling van het gebied wil met meer flexibiliteit en diversiteit, waarbij ruimte wordt geboden voor particulier opdrachtgeverschap. Dat de raad ongeveer 10 jaar na de vaststelling en goedkeuring van het bestemmingsplan "Velmolen Oost" op basis van gewijzigde planologische inzichten heeft gekozen voor een andere invulling van het plangebied acht de voorzieningenrechter niet onredelijk. Gelet op het voorgaande is artikel 3.1.4 van het Bro niet van toepassing. Voor het oordeel dat er strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding. Voorts heeft de raad naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet een zodanig aantal woningen mogelijk gemaakt dat het plan om die reden in strijd moet worden geacht met een goede ruimtelijke ordening.

Artikel 3.1.1 van het Bro

9.    Voor zover [verzoeker sub 1] betoogt dat het plan in strijd is met artikel 3.1.1 van het Bro overweegt de voorzieningenrechter dat, daargelaten de vraag of in dit geval de verplichting tot bestuurlijk overleg is geschonden, artikel 3.1.1, eerste lid, van het Bro kennelijk niet strekt ter bescherming van de belangen van de individuele inwoners van een betrokken gemeente, zodat artikel 8:69a van de Awb in zoverre aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg zal staan. Reeds hierom bestaat er in zoverre geen aanleiding voor schorsing van het bestreden besluit.

Verhouding tussen bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan

10.    [verzoeker sub 1] betoogt dat het plan en beeldkwaliteitsplan niet op elkaar aansluiten, waardoor onduidelijk is waar wat kan worden gebouwd. Daarnaast wijst zij op andere onvolkomenheden in de verbeelding.

    [verzoeker sub 2] wijst er op dat ten onrechte wordt afgeweken van de stedenbouwkundige uitgangspunten van het voorheen geldende plan, waarin stond dat sprake zou zijn van een landschappelijk open en extensief bebouwd gebied met slechts 20 woningen. Ook in aangrenzende plangebieden is gekozen voor een stedenbouwkundige opzet met veel vrijstaande woningen. Een dergelijke stedenbouwkundige opzet zou ook in dit plan moeten worden vastgelegd.   

10.1.    De voorzieningenrechter overweegt dat in de planregels geen koppeling is gelegd met het beeldkwaliteitsplan en dat dit geen deel uitmaakt van het bestemmingsplan. Dat gelijktijdig met het bestemmingsplan het beeldkwaliteitsplan "Velmolen Oost fase 3" is vastgesteld maakt dat niet anders. Dat beeldkwaliteitsplan betreft blijkens de bekendmaking het kader waarmee wordt gestuurd op stedenbouwkundige kwaliteit en het vervangt voor dit plangebied het verouderde beeldkwaliteitsplan uit 2008. Het beeldkwaliteitsplan maakt deel uit van de Welstandsnota en kan in beginsel de in het bestemmingsplan toegekende bouwmogelijkheden niet inperken.

    Voor zover [verzoeker sub 2] wijst op de stedenbouwkundige uitgangspunten en het voorheen geldende plan overweegt de voorzieningenrechter voorts dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad heeft de in het bestemmingsplan vastgelegde bouwmogelijkheden, waaronder het aantal nieuwe woningen, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening hoeven te achten. Dat het plangebied intensiever bebouwd zal worden dan voorheen het uitgangspunt was, maakt niet reeds dat de gekozen invulling ruimtelijk onaanvaardbaar is.       

10.2.    In de door [verzoeker sub 1] gestelde onvolkomenheden in de verbeelding en mogelijke wijzigingen van na het bestreden besluit, wat daar ook van zij, ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding voor schorsing van het plan. Daarbij laat de voorzieningenrechter de vraag in het midden of [verzoeker sub 1] wel belanghebbende is bij genoemde plandelen.

Conclusie

11.    De verzoeken worden afgewezen.

11.1.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, griffier.

w.g. Parkins-de Vin

voorzieningenrechter    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2017

459.