Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2025

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
201603787/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:2575, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juli 2014 heeft het college aan [appellant] een tegemoetkoming in planschade ten bedrage van € 5.100,00 toegekend.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3942
Module Ruimtelijke ordening 2017/7837 met annotatie van M.G.O. De lange
JOM 2017/779
JOM 2017/795
JGROND 2017/75 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
OGR-Updates.nl 2017-0164
Jurisprudentie Grondzaken 2017/75 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201603787/1/A2.

Datum uitspraak: 26 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Giessenburg, gemeente Giessenlanden,

tegen de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 11 april 2016 in zaak nr. 15/1934 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Giessenlanden.

Procesverloop

Bij besluit van 3 juli 2014 heeft het college aan [appellant] een tegemoetkoming in planschade ten bedrage van € 5.100,00 toegekend.

Bij besluit van 9 februari 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 april 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 april 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. T. van der Weijde, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.A. Schep en M.K. Moerman, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij besluit van 9 december 2009 heeft het college vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (oud) verleend van het bestemmingsplan "Landelijk gebied" (hierna: het bestemmingsplan) en bouwvergunning verleend voor de bouw van drie windturbines van het type Enercon E-82 3 MW, met een ashoogte van ongeveer 108 m en een tiphoogte van ongeveer 150 m, op een terrein (hierna ook: het bouwperceel) ten zuiden van de C.M. van Houwelingeweg te Giessenburg en ten noorden van de A15 en de daarnaast gelegen Betuwelijn. De vrijstelling is op 14 december 2009 in werking getreden.

2.    [appellant] is sinds maart 2003 eigenaar van het perceel plaatselijk bekend [locatie] te Giessenburg (hierna: het perceel). Op het perceel staat een vrijstaande woning. De drie nieuwe windturbines zijn in lijn geplaatst ten westen van het perceel. De meest oostelijk geplaatste windturbine (hierna: de oostelijke windturbine) staat op een afstand van ongeveer 480 m van het perceel. [appellant] heeft verzocht om een tegemoetkoming in planschade, bestaande uit waardedaling van zijn perceel, ten gevolge van de vrijstelling.

3.    Het college heeft aan het besluit van 3 juli 2014 een door de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) opgesteld advies van juni 2014 ten grondslag gelegd. Daarin is het volgende vermeld. Ingevolge het bestemmingsplan is het bouwperceel bestemd voor "Agrarische doeleinden". Voor het bouwperceel is op de plankaart geen bouwvlak ingetekend, zodat ter plaatse alleen andere bouwwerken geen gebouwen zijnde, zoals hooibergen en voedersilo’s, met een maximale hoogte van 25 m zijn toegestaan. Op gronden tussen het bouwperceel en het perceel van [appellant] zijn agrarische bouwwerken geen gebouwen zijnde met een maximale hoogte van 3 m toegestaan. Bij het oude planologische regime moet verder de invloed op het perceel van [appellant] van de ten zuiden van het perceel gelegen snelweg A15, een spoorlijn en de Betuwelijn worden betrokken, alsmede woonbebouwing die aan de overzijde van de Kerkweg kan worden gerealiseerd. De vrijstelling maakt op het bouwperceel de realisering van drie windturbines in een lijnopstelling langs de A15 met een ashoogte van ongeveer 108 m en een tiphoogte van ongeveer 150 m mogelijk. De oostelijke windturbine is op een afstand van ongeveer 480 m van het perceel van [appellant] gerealiseerd. Deze windturbine is vooral zichtbaar vanaf het zij-, voor- en achtererf van het perceel en vanaf de overloop van de daarop staande woning. Die woning is echter niet frontaal op de oostelijke windturbine georiënteerd. Ten gevolge van de vrijstelling heeft een nadelige verandering in de beleving van de directe omgeving van het perceel plaatsgevonden door een wijziging van het uitzicht en de karakteristiek van de omgeving. Ten aanzien van mogelijke schaduwhinder wordt voldaan aan de geldende normen, onder meer omdat de turbines zijn voorzien van een zogenoemde stilstandregeling. Mede gezien de oriëntatie van de windturbines ten opzichte van het perceel is niet aannemelijk dat daardoor op het perceel relevante schaduwhinder kan ontstaan. Evenmin valt nadeel door lichtreflectie op de rotorbladen van de windturbines te verwachten. De nieuwe windturbines worden gerealiseerd nabij een snelweg en twee spoorlijnen, waardoor de extra geluidsoverlast beperkt zal zijn. Het geluid van een windturbine levert ’s nachts meer hinder op dan overdag, omdat het ’s nachts stiller is. De woning van [appellant] ligt buiten de geluidscontour van de oostelijke windturbine. Dit laat onverlet dat enige geluidhinder kan optreden. Gezien de ruime afstand tussen de oostelijke windturbine en het perceel en de nabijheid van de A15 en twee spoorlijnen leidt deze beperkte extra hinder echter niet tot waardedaling van het perceel. De planologische verandering leidt voor het overige niet tot planologisch nadeel. De door het college getrokken conclusie is dat de planologische verandering ten gevolge van enige aantasting van het uitzicht en de gunstige situering van het perceel tot planologisch nadeel leidt. De SAOZ heeft de waarde van het perceel onder de werking van het bestemmingsplan getaxeerd op € 495.000,00 en onder de werking van de vrijstelling op € 480.000,00 en aldus het planologisch nadeel bepaald op een bedrag van € 15.000,00. Volgens het SAOZ-advies komt het normaal maatschappelijk risico van [appellant] niet uit boven het forfaitair normaal maatschappelijk risico van 2%, in dit geval een bedrag van (2% x 495.000,00 =) € 9.900,00. De SAOZ heeft geadviseerd [appellant] een tegemoetkoming van € 5.100,00 toe te kennen.

    Het college heeft aan het besluit van 9 februari 2015 een nader SAOZ-advies van 26 september 2014, twee door LBP|Sight (hierna: LBP) opgestelde geluidsnotities van 11 december 2014 en 12 januari 2015 en een advies van de commissie voor de bezwaarschriften (hierna: bezwaarcommissie) van 22 december 2014 ten grondslag gelegd.

    De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college niet mocht afgaan op de SAOZ-adviezen en de geluidsnotities.

4.    Indien in een advies van een door een bestuursorgaan benoemde onafhankelijke en onpartijdige deskundige op objectieve wijze verslag is gedaan van het door deze deskundige verrichte onderzoek en daarin op inzichtelijke wijze is aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, mag dat bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op een verzoek om tegemoetkoming in planschade van dat advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.

Behandeling van het hoger beroep

Toepasselijk recht

5.    [appellant] betoogt in de eerste plaats dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat op zijn verzoek afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) van toepassing is. Hij bepleit dat zijn verzoek wordt beoordeeld aan de hand van het regime van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO). Daartoe voert hij ten eerste aan dat het schadeveroorzakende besluit, de vrijstelling, nog onder het regime van de voormalige WRO tot stand is gekomen. Voorts voert hij aan dat het regime van artikel 49 van de WRO voor hem voordeliger is wegens het ontbreken van een toets aan het normaal maatschappelijk risico. [appellant] voert aan dat artikel 9.1.18 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Invoeringswet) buiten toepassing moet worden gelaten, omdat toepassing van dat artikel volgens hem in dit geval in strijd is met het rechtzekerheidsbeginsel, artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

5.1.    De artikelen 9.1.1, 9.1.10, tweede lid, en 9.1.18 van de Invoeringswet luiden, ten tijde hier van belang, als volgt:

Artikel 9.1.1

"De Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt ingetrokken."

Artikel 9.1.10

"2. Een besluit tot vrijstelling, waartoe het verzoek is ingediend voor 1 juli 2008, wordt voor de toepassing van afdeling 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 3.10 van die wet."

Artikel 9.1.18

"1. Het recht zoals dat gold vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet blijft van toepassing ten aanzien van aanvragen om schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de WRO die zijn ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet of die ingevolge artikel II, tweede en derde lid, van de wet van 8 juni 2005, stb. 305, tot wijziging van de WRO (verjaring van en heffing bij planschadevergoedingsaanspraken, alsmede planschadevergoedingsoverkomsten), nog tot 1 september 2010 kunnen worden ingediend.

2. Artikel 6.2, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening geldt tot 1 september 2010 niet voor aanvragen ingevolge artikel 6.1 van die wet om tegemoetkoming in schade die vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet is ontstaan."

5.2.    Volgens de vrijstelling is het verzoek daartoe bij de gemeente op 27 juni 2008 ingekomen. Gelet op artikel 9.1.10, tweede lid, van de Invoeringswet Wro is de vrijstelling derhalve gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wro. Een dergelijk besluit is in artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wro, zoals die bepaling luidde ten tijde hier van belang, aangemerkt als schadeoorzaak.

    De Wro en de Invoeringswet zijn op 1 juli 2008 in werking getreden. Gelet op artikel 9.1.1 van de Invoeringswet is de WRO per die datum ingetrokken. De aanvraag om planschadevergoeding van [appellant], met als datum 18 juli 2013, is op 22 juli 2013 bij het college ingekomen. Dit betekent dat uit het in artikel 9.1.18 van de Invoeringswet opgenomen overgangsrecht niet volgt dat, ondanks de intrekking van de WRO, artikel 49 van die wet op de aanvraag van [appellant] van toepassing is.

    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat op het verzoek van [appellant] afdeling 6.1 van de Wro van toepassing is. Dat oordeel is niet in strijd met de rechtszekerheid, reeds omdat het volgt uit de wet. Het oordeel is evenmin in strijd met artikel 6 van het EVRM. Het oordeel beperkt immers niet het recht van [appellant] op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij wet is ingesteld.

    De vrijstelling is op 9 december 2009 verleend en op 14 december 2009 in werking getreden. Vanaf de inwerkingtreding kan ten gevolge van de vrijstelling schade ontstaan. Het voorgaande betekent dat pas na de inwerkingtreding van de Invoeringswet op 1 juli 2008 ten gevolge van de vrijstelling schade kon ontstaan. Uit artikel 9.1.18, tweede lid, van de Invoeringswet volgt derhalve niet dat artikel 6.2 van de Wro op deze zaak niet van toepassing is. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraken van 28 september 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2582) en 12 juni 2013, (ECLI:NL:RVS:2013:CA2858) is er geen grond voor het oordeel dat de toepassing van artikel 6.2, tweede lid, van de Wro in het algemeen in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

    Het betoog faalt.

Schaduwhinder

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het college heeft gevolgd in het standpunt dat de planologische verandering niet leidt tot een toename van schaduwhinder op zijn perceel. Hij voert aan dat uit het slagschaduwonderzoek blijkt dat zijn perceel binnen of op de grens van de zes-uur contour ligt. Volgens [appellant] dient de stilstandregeling op de windturbines niet bij de planvergelijking te worden betrokken, omdat daarvoor geen voorschriften in de vrijstelling zijn opgenomen. Daarbij voert hij aan dat de stilstandregeling niet in bedrijf is. Hij verwijst verder naar een door Peutz B.V. opgesteld rapport ‘Akoestisch onderzoek windturbines Giessenburg’ van 22 oktober 2014 (hierna: het rapport Peutz), dat hij in de bezwaarfase heeft ingediend. Daarin is vermeld dat alleen geen slagschaduw op zijn perceel optreedt als de stilstandregeling werkt, aldus [appellant].

6.1.    In het kader van de voorbereiding van de aanvraag om vrijstelling heeft Van Grinsven Advies een akoestisch onderzoek en een onderzoek naar slagschaduwhinder uitgevoerd en daarvan verslag gedaan in een onderzoeksrapport van februari 2008. Het perceel van [appellant] is in het onderzoek niet betrokken. Een andere woning aan de Kerkweg, gelegen tussen het perceel van [appellant] en de oostelijke windturbine, is wel in het onderzoek betrokken. Het college heeft ter zitting toegelicht dat deze andere woning 38 m dichterbij de oostelijke windturbine staat. Deze andere woning zou volgens het onderzoeksrapport, zonder mitigerende maatregelen, van de oostelijke windturbine per jaar 6 uur en 20 minuten en van de drie windturbines gezamenlijk per jaar 7 uur en 29 minuten slagschaduwhinder ondervinden. Ter voorkoming van deze slagschaduwhinder zijn de drie windturbines uitgerust met een zogenoemde stilstandregeling die de rotor stopt als er slagschaduw optreedt bij een aantal woningen, aldus het onderzoeksrapport.

    De vrijstelling is, zoals uit overweging 1 volgt, verleend voor het bouwplan inhoudende de bouw van drie windturbines van het type Enercon E-82 3 MW. Het college heeft in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat de stilstandregeling deel uitmaakte van de aanvraag om vrijstelling en bouwvergunning, aangezien het onderzoeksrapport van Van Grinsven deel uitmaakte van die aanvraag. Daarbij heeft het college vermeld dat nu de vrijstelling en bouwvergunning overeenkomstig die aanvraag zijn verleend, de aanwezigheid en het gebruik van de stilstandregeling als vereisten aan de vrijstelling zijn verbonden. In dat verband heeft het college toegelicht dat de vrijstelling en bouwvergunning zijn verleend omdat uit de aanvraag bleek dat aan alle voorschriften was voldaan en zonder de stilstandregeling zou niet aan alle voorschriften zijn voldaan.

    De Afdeling heeft geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door het college ter zitting gegeven toelichting. De enkele stelling van [appellant] in hoger beroep dat de stilstandregeling geen deel uitmaakt van de vrijstelling is daarvoor onvoldoende. De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat de stilstandregeling die in het onderzoeksrapport van Van Grinsven is vermeld deel uitmaakt van de vrijstelling. De rechtbank heeft verder met juistheid overwogen dat de stilstandregeling terecht is betrokken bij de beoordeling van het verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen is zowel in het SAOZ-advies van juni 2014 als in het rapport Peutz vermeld dat [appellant] op zijn perceel geen slagschaduwhinder ondervindt als de stilstandregeling werkt zoals in het onderzoeksrapport van Van Grinsven is beschreven.

    Het betoog faalt.

Geluidhinder

7.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het college heeft gevolgd in het standpunt dat de planologische verandering niet leidt tot een relevante toename van geluidhinder op zijn perceel. Hij voert aan dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de hoge geluidsschermen langs de Betuwelijn, waardoor hij van die spoorlijn nauwelijks geluidhinder ondervindt. Hij voert ook aan dat de juistheid van de door LBP gehanteerde meetmethode door Peutz in een rapport van 27 januari 2015 is betwist, maar dat LBP die methode ook in latere geluidsrapporten heeft toegepast. In dit verband stelt [appellant] dat LBP in 2014 ten onrechte metingen heeft verricht aan de meest westelijke windturbine op de grootste afstand van zijn perceel in plaats van aan de oostelijk windturbine op de kortste afstand daarvan, dat de juiste windsnelheden op ashoogte niet zijn meegenomen en dat ten onrechte nooit metingen bij oostenwind zijn uitgevoerd. Volgens hem zouden bij juiste metingen de geluidswaarden op zijn perceel hoger uitvallen. Hij voert voorts aan dat de rechtbank onvoldoende belang heeft gehecht aan de door hem overlegde geluidsrapporten van Peutz.

7.1.    Het bij de aanvraag om vrijstelling en bouwvergunning ingediende onderzoeksrapport van Van Grinsven bevat mede de resultaten van een onderzoek naar door de drie windmolens veroorzaakte geluidhinder. Naar aanleiding van klachten van omwonenden heeft LBP op verzoek van het college begin 2014 ten behoeve van een second opinion een onderzoek uitgevoerd en van dat onderzoek verslag gedaan in een notitie van 10 maart 2014. Op verzoek van het college heeft LBP in 2014 tevens, ter controle van door de fabrikant verstrekte emissiegegevens, een meting verricht van de geluidsemissie van de windturbines om te bepalen of de turbines aan de geldende normen voldoen. Daartoe heeft LBP in de nacht van 8 op 9 oktober een meting verricht aan de meest westelijke windturbine. Van dit onderzoek heeft LBP verslag gedaan in een onderzoeksrapport van 27 oktober 2014. Het college heeft ten aanzien van het aspect geluid het onderzoeksrapport van Van Grinsven, de notitie van 10 maart 2014 en het onderzoeksrapport van 27 oktober 2014 niet aan het besluit van 9 februari 2015 ten grondslag gelegd.

    In de door [appellant] ingediende notitie van Peutz van 27 januari 2015 is alleen ingegaan op de door LBP opgestelde notitie van 10 maart 2014 en het door LBP opgestelde onderzoeksrapport van 27 oktober 2014. Nu het college deze stukken niet aan het besluit van 9 februari 2015 ten grondslag heeft gelegd, kan deze notitie van Peutz niet leiden tot het oordeel dat het besluit van 9 februari 2015 onrechtmatig is.

7.2.    Naar aanleiding van het rapport Peutz en het advies van de bezwaarcommissie heeft LBP op verzoek van het college het aspect geluid voor het perceel van [appellant] opnieuw onderzocht. LBP heeft van dat onderzoek verslag gedaan in twee notities. De eerste notitie is van 11 december 2014 (hierna: de geluidsnotitie 2014), waarin de berekende geluidsbelasting vanwege het wegverkeer van de A15, het railverkeer van de Betuwelijn en de drie windturbines, alsmede de gecumuleerde geluidsbelasting van deze geluidsbronnen ter plaatse van de woning van [appellant] zijn vermeld. In de tweede notitie van 12 januari 2015 (hierna: de geluidsnotitie 2015) heeft LBP een beoordeling gegeven van een door [appellant] ingediende notitie van Peutz van 22 oktober 2014 en het rapport Peutz. Het college heeft de geluidsnotities mede ten grondslag gelegd aan het besluit van 9 februari 2015.

    Volgens de geluidsnotitie 2014 is voor de berekening van de geluidsbelasting op de woning van [appellant] gebruik gemaakt van de rekenmodellen voor windturbinegeluid onderscheidenlijk wegverkeer en railverkeer. In de rekenmodellen rail- en wegverkeer zijn volgens de geluidsnotitie 2014 de schermen langs de A15 en de Betuwelijn opgenomen die zijn vermeld in het geluidregister wegverkeer onderscheidenlijk het geluidregister railverkeer van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu. In de geluidsnotitie 2014 is het berekende geluidniveau ter plaatse van de woning van [appellant] vermeld, uitgedrukt in de Lden, kort gezegd het jaargemiddelde geluidniveau over een etmaal, en de Lnight, kort gezegd het jaargemiddelde geluidniveau over de nachtperiode 23.00-07.00 uur. Volgens de geluidsnotitie 2014 zijn de Lden en de Lnight ter plaatse van de woning van [appellant] zowel vanwege het verkeer op de A15 als vanwege het verkeer op de Betuwelijn hoger dan de Lden en Lnight vanwege de nieuwe windturbines. De gecumuleerde geluidsbelasting Lden vanwege deze geluidsbronnen op die woning is ten gevolge van de vrijstelling niet toegenomen, maar bedraagt zowel onder het oude als onder het nieuwe planologische regime 63 dB, aldus de geluidsnotitie 2014.

    Volgens de geluidsnotitie 2015 van LBP wordt de geluidsbelasting van de windturbines in het rapport Peutz ten onrechte vergeleken met de ter plaatse heersende achtergrondniveaus. De sinds 2011, behoudens overgangsrecht, voor alle windturbinegeluid geldende geluidsnormen Lden en Lnight zijn gebaseerd op een aantal dosis-effect-hinderbelevingsonderzoeken, waarin het achtergrondgeluid geen rol speelt maar het alleen gaat over de door windturbines veroorzaakte geluiddosis op jaarbasis ter plaatse van geluidgevoelige objecten zoals woningen van derden. Vóór 2011 speelde het achtergrondgeluid evenmin een rol in de toen geldende ‘glijdende windnormcurve WNC40’, aldus de geluidsnotitie 2015.

7.3.    Anders dan [appellant] lijkt aan te nemen, heeft LBP voor de geluidsnotitie 2014 geen geluidsmetingen uitgevoerd. Zoals hiervoor is vermeld, is de geluidsbelasting ter plaatse van de woning van [appellant] in dat onderzoek met gebruik van rekenmodellen berekend. De geluidsmeting aan de meest westelijke windturbine, waaraan [appellant] refereert en waarvan LBP verslag heeft gedaan in het onderzoeksrapport van 27 oktober 2014, is uitgevoerd ter controle van door de fabrikant van de windturbine verstrekte emissiegegevens, niet voor het bepalen van planschade en is daarom voor deze zaak niet van belang. Het college heeft het onderzoeksrapport van 27 oktober 2014 ook niet aan het besluit van 9 februari 2015 ten grondslag gelegd.

    LBP heeft bij de berekeningen van het weg- en railgeluid rekening gehouden met de geregistreerde schermen langs de A15 en de Betuwelijn. Niet is gebleken dat deze registratie verschilt van de ter plaatse feitelijk aanwezige geluidschermen. De stelling in het rapport Peutz dat de vraag of omwonenden relevant nadeel ondervinden van de windturbines alleen kan worden beantwoord door waarnemingen en metingen ter plaatse, is in dat rapport niet gemotiveerd. [appellant] heeft die stelling ook anderszins niet gemotiveerd.

    Naar het oordeel van de Afdeling is in de geluidsnotitie 2014 op inzichtelijke wijze aangegeven welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ten grondslag zijn gelegd en zijn deze conclusies niet onbegrijpelijk. [appellant] heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de geluidsnotitie 2014 naar voren gebracht. Voorts heeft het college met de geluidsnotitie 2015 het rapport Peutz gemotiveerd weerlegt.

7.4.    In de geluidsnotitie 2015 is voorts vermeld dat het geluid van de windturbines bij de woning van [appellant] hoorbaar en herkenbaar zal zijn, vooral op rustige momenten in de nacht. In het rapport Peutz is vermeld dat het geluid van de oostelijke windturbine ten tijde van de metingen in de nacht van 9 oktober 2014 van 1:30 - 3:30 uur goed hoorbaar en herkenbaar was op het perceel van [appellant]. In het oorspronkelijke SAOZ-advies van juni 2014 en het nader SAOZ-advies van 26 september 2014 is vermeld dat ten gevolge van de planologische verandering enige extra geluidhinder kan optreden, maar dat dit geen relevante toename van de geluidsoverlast betekent. Gezien de afstand tussen het perceel van [appellant] en de oostelijke windturbine en de nabijheid van de A15 en de Betuwelijn leidt de beperkte extra geluidhinder volgens de SAOZ niet tot een waardedaling van het perceel.

7.5.    Het voorgaande komt erop neer dat, hoewel de geluidhinder op het perceel van [appellant] gemiddeld niet toeneemt, [appellant] in de nacht enige extra geluidhinder van de oostelijke windturbine kan verwachten, omdat windturbines kenmerkend, herkenbaar geluid voortbrengen. Niet is gebleken dat dit windturbinegeluid in de woning hoorbaar zal zijn. Deze beperkte toename van geluidhinder was reeds vermeld in het SAOZ-advies van juni 2014. Nu deze extra geluidhinder vrijwel alleen in de nacht plaatsvindt, wanneer bewoners doorgaans in de woning verblijven, en het perceel van [appellant] al aanzienlijke geluidhinder van de A15 en de Betuwelijn ondervindt, acht de Afdeling in dit geval de conclusie in het SAOZ-advies van juni 2014, dat deze extra geluidhinder niet leidt tot een waardedaling van het perceel, niet onbegrijpelijk en behoeft die conclusie geen nadere toelichting. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college op het punt van de geluidhinder op de SAOZ-adviezen en de geluidsnotities mocht afgaan.

    Het betoog faalt.

Gezondheidseffecten

8.    [appellant] voert ook aan dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte voorbij is gegaan aan de gezondheidseffecten van de windturbines. Nu het college hem in verband daarmee geen schadevergoeding heeft toegekend, heeft het college de besluiten in strijd met artikel 8 van het EVRM en artikel 1 van het Eerste Protocol genomen, aldus [appellant].

8.1.    De rechtbank heeft met juistheid aangesloten bij de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1621). Zoals in die uitspraak is overwogen is in een brief van de staatssecretaris van het ministerie van Infrastructuur en Milieu van 31 maart 2014 vermeld dat verschillende studies zijn verricht naar de effecten van laagfrequent geluid, waaronder een literatuurstudie en onderzoeken van het RIVM. Hieruit is gebleken dat het aandeel dat het laagfrequente geluid van een windturbine heeft op de geluidsbelasting op een woning gering is. Uit nauwkeurige metingen is bovendien gebleken dat geen overdracht van laagfrequent geluid door de grond plaatsvindt. In die brief is ook vermeld dat geen betrouwbaar bewijs is aangetroffen voor de bewering dat laagfrequent geluid van windturbines klinische ziekten bij mensen kan veroorzaken. Aannemelijk is dat de rapporten uit 2008 en 2012, waarop [appellant] in dit verband heeft gewezen, bij de brief van de staatssecretaris uit 2014 zijn betrokken.

    De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat geen grond bestaat om aan te nemen dat [appellant] ten gevolge van de vrijstelling schade lijdt door ernstige gezondheidseffecten van de windturbines.

8.2.    Het beroep van [appellant] op de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM), López Ostra tegen Spanje, arrest van 9 december 1994, ECLI:CE:ECHR:1994:1209JUD001679890, en Moreno Gómez tegen Spanje, arrest van 16 november 2004, ECLI:CE:ECHR:2004:1116JUD000414302, kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat deze arresten situaties betroffen waarin ernstige milieuoverlast werd ondervonden. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de nieuwe windturbines dergelijke milieuoverlast niet veroorzaken op het perceel van [appellant]. Vergelijk EHRM, Fägerstiöld tegen Zweden, beslissing van 26 februari 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:0226DEC003766404.

8.3.    Het betoog faalt.

Uitzicht

9.    [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van het college heeft gevolgd dat in de SAOZ-adviezen aan de schadefactor uitzicht het juiste gewicht is gegeven. Hij voert aan dat de realisering van de ingevolge het bestemmingsplan op het bouwperceel mogelijke hooibergen en silo’s met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was uitgesloten, omdat op het bouwperceel geen gebouwen mochten worden gebouwd. Volgens [appellant] worden hooibergen en silo’s in de praktijk om economische redenen alleen in de nabijheid van agrarische gebouwen gerealiseerd. De SAOZ heeft deze bouwmogelijkheden dan ook ten onrechte bij de planvergelijking betrokken, aldus [appellant].

9.1.    In het SAOZ-advies van juni 2014 is met juistheid vermeld dat op gronden met de bestemming "Agrarisch gebied" ingevolge het bestemmingsplan buiten het bouwvlak hooibergen en silo’s zijn toegestaan. Dat [appellant] de realisering van hooibergen en silo’s op het bouwperceel onwaarschijnlijk acht, betekent niet dat de realisering daarvan met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is uitgesloten. De SAOZ heeft deze bouwmogelijkheden terecht bij de planvergelijking betrokken.

Media

10.    Het betoog van [appellant] dat de negatieve aandacht voor windmolens in de media door de vele protesten tegen de realisering daarvan ten onrechte niet bij de bepaling van de hoogte van de planschade is betrokken faalt evenzeer, omdat, wat daarvan ook zij, die aandacht geen gevolg is van de vrijstelling.

Deskundigenrapporten

11.    Het betoog van [appellant] dat de rechtbank onvoldoende gewicht heeft toegekend aan een door hem overgelegd taxatierapport van 8 januari 2016 faalt. Het taxatierapport bevat geen planvergelijking en daarin zijn niet de in acht genomen schadefactoren vermeld. Voorts is in het taxatierapport vermeld dat de waardebepaling op 7 januari 2016 heeft plaatsgevonden, terwijl daaruit niet blijkt dat de daarin vermelde waarden van het perceel zijn teruggerekend naar de in deze zaak geldende peildatum 14 december 2009. De rechtbank heeft terecht in het taxatierapport geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het college niet op de SAOZ-adviezen mocht afgaan.

    De in hoger beroep overgelegde schriftelijke toelichting van de taxateur op het taxatierapport leidt niet tot een ander oordeel. Daartoe is van belang dat de taxateur daarin vermeldt dat hij de waarde van het perceel van [appellant] onder het bestemmingsplan niet zelf heeft getaxeerd, maar heeft overgenomen uit een taxatierapport van 6 juli 2009, dat is opgesteld voor "een bepaling van een verkoopprijs voor en na de aanvang van de economische crisis in 2008". Niet is gebleken dat aan het taxatierapport van 6 juli 2009 een planvergelijking ten grondslag is gelegd. De taxateur stelt verder dat hij er bij zijn taxaties vanuit mocht gaan dat de ingevolge het bestemmingsplan op het bouwperceel en tussen het perceel van [appellant] en de winturbines bestaande bouwmogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet konden worden gerealiseerd. Zoals volgt uit overweging 9.1 is dit een onjuiste aanname. In die toelichting zijn verder de hiervoor vermelde andere gebreken in het taxatierapport niet weggenomen.

12.    De door [appellant] in hoger beroep overgelegde ‘Risicoanalyse planschade Windturbines te Giessenlanden’ van 21 maart 2017 (hierna: de risicoanalyse) geeft de Afdeling evenmin aanleiding aan de juistheid van de SAOZ-adviezen en de geluidsnotities van LBP te twijfelen. In de risicoanalyse is ten onrechte de mogelijkheid om tussen het perceel van [appellant] en de oostelijke windturbine agrarische bouwwerken geen gebouwen zijnde met een maximale hoogte van 3 m op te richten niet betrokken. Daarin is evenmin rekening gehouden met de invloed op het perceel van [appellant] van de nabij gelegen snelweg A15, een nabijgelegen spoorlijn, de ten zuiden van het perceel gelegen Betuweroute en woonbebouwing die aan de overzijde van de Kerkweg kan worden gerealiseerd, hetgeen wel is gebeurd in het SAOZ-advies van juni 2014, zonder te motiveren waarom deze aspecten niet bij de planvergelijking zijn betrokken. In de risicoanalyse is verder ten onrechte aangenomen dat ter plaatse van het perceel schaduwhinder zal optreden en is ten aanzien van geluidhinder slechts verwezen naar het rapport Peutz zonder aan te geven waarom de nadien verschenen geluidsnotitie 2014 en geluidsnotitie 2015 onjuist zijn. Voorts bevat de risicoanalyse geen bepaling van de omvang van de planschade, maar is daarin volstaan met verwijzing naar het taxatierapport van 8 januari 2016.

Conclusie

13.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

14.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Oranje

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2017

507.