Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2019

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
201606920/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:4861, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 februari 2016 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een loods op het perceel [locatie] te Bosschenhoofd (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3880
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606920/1/A1.

Datum uitspraak: 26 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Bosschenhoofd, gemeente Halderberge,

appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 29 juli 2016 in zaak nrs. 16/3537 en 16/4641 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Halderberge.

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2016 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een loods op het perceel [locatie] te Bosschenhoofd (hierna: het perceel).

Bij besluit van 28 juni 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 29 juli 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juli 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door M.J.M. Kools en N.J.M.A. Onrust, zijn verschenen. Voorts is ter zitting gehoord [vergunninghouder], bijgestaan door mr. G.G. Kranendonk, rechtsbijstandverlener te Tilburg.

Overwegingen

1.    Het bouwplan betreft een nieuw te bouwen loods met een oppervlakte van 391 m² en een bouwhoogte van 5,85 m. De loods wordt opgericht ten behoeve van het op het perceel gevestigde bedrijf van [vergunninghouder].  [appellant] woont op het naastgelegen perceel, dat zijn eigendom is. Hij vreest dat de loods niet uitsluitend zal worden gebruikt voor een gereedschap- en instrumentenmakerij, maar voor het verwerken van ijzerwaren in ruime zin.   

2.    Op het perceel rust ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "[locatie] te Bosschenhoofd" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Bedrijf".

Artikel 3.1 van de planregels luidt:

"De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bedrijven, specifiek een gereedschap- en instrumentenmakerij;

[…]."

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het college er bij de toetsing van de aanvraag van [vergunninghouder] van uit heeft kunnen gaan dat de loods zal worden gebruikt ten behoeve van een gereedschap- en instrumentenmakerij. Volgens [appellant] valt, gelet op de in de aanvraag gegeven toelichting, de inschrijving van het bedrijf van [vergunninghouder] bij de Kamer van Koophandel en het gebruik dat thans van het perceel wordt gemaakt, redelijkerwijs aan te nemen dat de loods niet in overeenstemming met de bestemming zal worden gebruikt. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beoordeeld of met het besluit van 3 februari 2016 niet een impliciete vergunning voor gebruik in afwijking van het bestemmingsplan is verleend.

3.1.    [vergunninghouder] heeft in zijn aanvraag van 5 oktober 2015 vermeld dat de loods zal worden gebruikt voor het verwerken van ijzerwaren. Het is niet in geschil dat het verwerken van ijzerwaren ten behoeve van een gereedschap- en instrumentenmakerij op het perceel is toegestaan. De rechtbank heeft, mede gelet op de mondelinge toelichting die [vergunninghouder] in bezwaar en beroep heeft gegeven, terecht geoordeeld dat het college er terecht van uit is gegaan dat de aanvraag alleen betrekking heeft op het gebruik van de loods ten behoeve van een gereedschap- en instrumentenmakerij. Anders dan [appellant] aanvoert, heeft de rechtbank de in bezwaar en beroep gegeven toelichting terecht bij haar beoordeling betrokken, omdat hiermee een nadere uitleg is gegeven van hetgeen is aangevraagd en niet een wijziging van de aanvraag is beoogd. De rechtbank heeft er in dit verband terecht op gewezen dat het bestemmingsplan specifiek is vastgesteld om de uitbreiding van [vergunninghouder]’s bedrijf op het perceel mogelijk te maken. De aanvraag van [vergunninghouder] geeft invulling aan hetgeen het bestemmingsplan op het perceel mogelijk heeft gemaakt. Uit de toelichting bij het bestemmingsplan blijkt dat het bedrijf zich richt op het leveren van op maat gemaakte gereedschappen, instrumenten en bijbehorende producten aan diverse soorten bedrijven in onder meer de chemie, landbouw en scheepvaart. In beroep is toegelicht dat de materialen, veelal metalen, indien nodig op het perceel worden bewerkt. Dat artikel 2.3, aanhef en onder b, van de Regeling omgevingsrecht voorschrijft dat de aanvrager bij zijn aanvraag gegevens verstrekt over het huidige en het beoogde gebruik, betekent niet dat een na de aanvraag gegeven toelichting niet mag worden betrokken bij de vraag of het college bij de beoordeling van de aanvraag van het juiste gebruik is uitgegaan. Ook de wijze waarop [vergunninghouder]’ bedrijf bij de Kamer van Koophandel is ingeschreven, leidt niet tot een ander oordeel, omdat deze inschrijving op zich zelf niet relevant is voor de beoordeling waar de aanvraag betrekking op heeft. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat met het besluit van 3 februari 2016 niet impliciet vergunning voor gebruik in afwijking van het bestemmingsplan is verleend.

3.2.    Wat het betoog van [appellant] betreft dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de loods niet in overeenstemming met de bestemming zal worden gebruikt, overweegt de Afdeling als volgt. Bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan moet, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2876), niet slechts worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, doch mede of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Er is sprake van strijd met de bestemming, indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet.

3.3.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college terecht geen aanleiding heeft gezien om aan te nemen dat het beoogde gebruik uitsluitend of mede betrekking heeft op andere doeleinden dan waarin de bestemming voorziet. De aanvraag ziet, zoals onder 3.1 is overwogen, op een gebruik dat in overeenstemming is met de bestemming. Met het verlenen van de vergunning wordt dus alleen toestemming verleend om ijzerwaren te verwerken voor zover dat geschiedt ten behoeve van de gereedschap- en instrumentenmakerij op het perceel. [appellant] heeft zijn betoog dat het perceel ook nu al voor andere activiteiten wordt gebruikt niet met concrete gegevens gestaafd. De in hoger beroep overgelegde inschrijving bij de Kamer van Koophandel betreft de vestiging van [vergunninghouder] in Zegge. Aan deze inschrijving kan niet de conclusie worden verbonden dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat [vergunninghouder] op het perceel en in de loods activiteiten wil gaan verrichten die op grond van het bestemmingsplan niet zijn toegestaan.

Indien [vergunninghouder] zijn perceel wel in afwijking van het bestemmingsplan gebruikt, is het college, zoals het zelf ook te kennen heeft gegeven, in beginsel gehouden om daartegen handhavend op te treden. Voor de exacte uitleg welk gebruik ten behoeve van de gereedschap- en instrumentenmakerij op het perceel is toegestaan, is het bestemmingsplan en niet de nu verleende vergunning bepalend. Het betoog dat onduidelijk is welk gebruik het bestemmingsplan toestaat, had [appellant] in de bestemmingsplanprocedure kunnen aanvoeren. Voorts kan een geschil hierover in het kader van een eventuele handhavingsprocedure aan de orde komen.  

    Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Van Roessel

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2017

457-845.