Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2009

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
201606064/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:3623, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 maart 2015 heeft het college een verzoek om nadeelcompensatie van Kuba afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 71a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3908
AR 2018/406
AR 2017/5766
AR 2018/653
JM 2018/13 met annotatie van H.S. de Vries
JBO 2017/189 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
OGR-Updates.nl 2017-0166
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606064/1/A2.

Datum uitspraak: 26 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Kuba B.V., gevestigd te Sterksel, gemeente Heeze-Leende,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 8 juli 2016 in zaak nr. 16/160 in het geding tussen:

Kuba

en

het college van burgemeester en wethouders van Someren.

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2015 heeft het college een verzoek om nadeelcompensatie van Kuba afgewezen.

Bij besluit van 9 december 2015 heeft het college het door Kuba daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 juli 2016 heeft de rechtbank het door Kuba daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Kuba hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2017, waar Kuba, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. I.H. Sluiter en het college, vertegenwoordigd door mr. J.S. Procee, advocaat te Den Haag, J. van der Kolk en R. de Ruiter zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De gemeente Someren is eigenaar van een naamloze zandweg (hierna: bosweg), die ligt in de gemeente Someren tegen de grens van de gemeente Heeze-Leende. De bosweg loopt vanaf de Somerenseweg/Provinciale weg tot aan de Smulderslaan in Someren. De bosweg is van oudsher een zandweg. Op grond van verschillende overeenkomsten is de bosweg ten behoeve van zandtransporten tijdelijk verhard geweest. De tijdelijke verharding van de bosweg is in april 2010 verwijderd. Daartoe heeft het college bij besluit van 19 april 2013 een verkeersbesluit genomen.

2.     Kuba heeft op het perceel Ronde Bleek 2a te Sterksel een viskwekerij.

3.     Bij besluit van 3 augustus 1990 heeft het college aan Kuba een ontgrondingsvergunning verleend voor het project "waterbergingsvijver in combinatie met zandwinning ten behoeve van de realisatie van een forellenkwekerij". Ingevolge de aan deze vergunning verbonden voorwaarde 17e, zoals deze laatstelijk is gewijzigd op 31 januari 2008, dienen de ontgrondingsactiviteiten respectievelijk opleveringsverplichtingen uiterlijk  1 april 2012 te zijn voltooid.

4.    Kuba stelt dat de exploitatie van de viskwekerij wordt belemmerd doordat het zand dat wordt gewonnen met het uitdiepen van de vijvers niet meer rendabel kan worden afgevoerd als gevolg van het verkeersbesluit. De bosweg is als gevolg van verwijdering van de verharding niet langer geschikt voor zwaar vrachtverkeer. Voertuigen met een aslast tot 4,8 ton hebben te weinig capaciteit voor het rendabel afvoeren van zand. Haar schade bedraagt € 11.303.000,00, aldus Kuba. Ter onderbouwing van het schadebedrag verwijst zij naar een schadeberekening van ABA Consultants B.V. van 23 januari 2014.

5.    In hoger beroep is in geschil of de gestelde schade het gevolg is van het besluit van 19 april 2013.

Het verkeersbesluit

6.    Het verkeersbesluit is met de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4173, in rechte onaantastbaar geworden, zodat van de rechtmatigheid ervan moet worden uitgegaan.

7.    Na verwijdering van de tijdelijke verharding mag de zandweg niet worden gebruikt voor verkeer met een wieldruk hoger dan 2,4 ton op grond van artikel 71a Wegenverkeerswet 1994 in samenhang met artikel 5.18.18, vijfde lid, van de Regeling voertuigen.

8.    Uit de uitspraak van 19 november 2014 volgt dat Kuba niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij door het verkeersbesluit verder wordt beperkt in haar mogelijkheden om zand af te voeren dan door de beperkingen die reeds bestaan bij gebruikmaking van het wegenstelsel rondom het perceel van Kuba. De aslastbeperking op het Turfven en Peelven ontneemt het bedrijf niet de mogelijkheid het zand via deze wegen af te voeren. Dit leidt tot de conclusie dat het zandtransport van Kuba ook na de verwijdering van de verharding van de bosweg mogelijk blijft via het bestaande wegenstelsel op het grondgebied van de gemeente Heeze-Leende.

Standpunt college

9.    Het college heeft het verzoek om nadeelcompensatie afgewezen en daaraan ten grondslag gelegd dat Kuba door het verkeersbesluit geen verdergaande beperkingen ondervindt in haar mogelijkheden tot zandtransport dan de beperkingen welke reeds bestonden bij gebruikmaking van het bestaande wegenstelsel rondom het perceel. Het perceel wordt uitsluitend ontsloten door wegen waarop een aslastbeperking rust van 4,8 ton. Het is dan ook niet mogelijk bij de bosweg te komen zonder gebruik te maken van wegen waar de aslastbeperking geldt.

Daarnaast stelt het college zich op het standpunt dat eventuele schade voorzienbaar was, omdat bekend was dat de bosweg op enig moment in zijn oorspronkelijke staat zou worden teruggebracht.

Aangevallen uitspraak

10.    De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van 19 november 2014 geoordeeld dat Kuba niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde schade het gevolg is van het verkeersbesluit. Zandtransport vanaf het perceel van Kuba is mogelijk via het bestaande wegenstelsel op het grondgebied van de gemeente Heeze-Leende. Op die wegen gelden aslastbeperkingen, maar dat was in de oude situatie ook het geval. Verwijdering van de verharding van de bosweg heeft niet geleid tot een verminderde bereikbaarheid van de bedrijfslocatie voor zwaar vrachtverkeer. Hieraan doet niet af dat, zoals Kuba stelt, de verharde bosweg bereikbaar was via eigen grond of via gebruik van wegdelen op de gronden van [persoon]. Die mogelijkheid is al vóór 2009 komen te vervallen en het vigerende bestemmingsplan stond een weg ook niet toe. Anders dan Kuba stelt, vereist de ontgrondingsvergunning niet afvoer van zand via de verharde bosweg.

Hoger beroep

11.    Kuba voert aan dat de rechtbank de voorheen bestaande mogelijkheid heeft miskend om via de gronden van [persoon] de verharde bosweg te bereiken. Nu zij de bosweg niet langer kan gebruiken, kan zij geen tijdige voltooiing van de zandwinning garanderen, omdat rendabel zandtransport niet mogelijk is via wegen met een aslastbeperking. De rechtbank heeft volgens haar miskend dat dit heeft geleid tot de weigering van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant om de geldigheidsduur van de ontgrondingenvergunning te verlengen.

Oordeel in hoger beroep

12.    Zoals uit de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2014 volgt, moest Kuba  voor transporten vanaf haar bedrijfslocatie al voordat de verharding werd verwijderd, gebruikmaken van het openbare wegennet (de Ronde Bleek en Peelven) in de gemeente Heeze-Leende om bij de bosweg te komen. Op die wegen hebben altijd aslastbeperkingen gegolden, zodat verwijdering van de verharding de bereikbaarheid van de bedrijfslocatie niet heeft verminderd voor zwaar transport. Een eventuele voorheen bestaande mogelijkheid om via een weg over de gronden van [persoon] de verharde bosweg te bereiken, leidt niet tot het oordeel dat Kuba als gevolg van het besluit van 19 april 2013 schade heeft geleden. Ten tijde van het verkeersbesluit van 19 april 2013 was die weg geen optie meer, omdat [persoon] toestemming voor het gebruik van zijn gronden in 2009 had ingetrokken. Kuba heeft niet aannemelijk gemaakt dat [persoon] na de verwijdering van de verharding van de bosweg alsnog bereid zou zijn geweest het gebruik van zijn gronden toe te staan. Dat volgens Kuba het vigerende bestemmingsplan niet aan een dergelijke weg in de weg zou hebben gestaan, is, wat er verder ook van zij, dus niet relevant voor de beoordeling van het oorzakelijk verband tussen de gestelde schade en het verkeersbesluit.

13.    Kuba heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat het verkeersbesluit ertoe heeft geleid dat de ontgronding niet is voltooid en het verzoek om verlenging van de ontgrondingsvergunning daarom is geweigerd. Kuba heeft meerdere malen verzocht om verlenging van de ontgrondingsvergunning van 3 augustus 1990, omdat de zandwinning nog niet was voltooid. Bij besluit van 23 maart 2012 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant het verzoek om verdere verlenging van de geldigheidsduur van de ontgrondingsvergunning afgewezen. Kuba is na drie eerdere verlengingstermijnen om uiteenlopende redenen en in een situatie waarin zij gebruik kon maken van de verharde bosweg, niet in staat is gebleken de zandwinactiviteiten in overeenstemming met de ontgrondingsvergunning af te ronden. Bij besluit van 10 juli 2012 is het bezwaar tegen de afwijzing van de verlenging niet-ontvankelijk verklaard, omdat de vergunning ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar was geëxpireerd. Dit besluit is met de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7441, in rechte onaantastbaar geworden. Er is geen grond voor het oordeel dat de bruikbaarheid van de bosweg een rol heeft gespeeld bij de afwijzing van het verzoek om verlenging bij het besluit van 23 maart 2012. Ook overigens heeft Kuba niet aannemelijk gemaakt dat de ontgronding niet is voltooid en de ontgrondingsvergunning niet is verlengd als gevolg van het verkeersbesluit. Ook in de situatie zonder het verkeersbesluit moest Kuba vanaf haar bedrijf gebruik maken van wegen met aslast- of wieldrukbeperkingen, zodat de verwijdering van de tijdelijke verharding van de bosweg in dit opzicht geen verdergaande beperking behelsde.

14.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

15.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Planken

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2017

299.