Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2005

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
201607657/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2015 heeft het college een verzoek van [appellant] om verlening van een urgentieverklaring afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201607657/1/A3.

Datum uitspraak: 26 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2016 in zaak nr. 16/1760 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2015 heeft het college een verzoek van [appellant] om verlening van een urgentieverklaring afgewezen.

Bij besluit van 19 februari 2016 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 augustus 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juli 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. A. Seme, advocaat te Zaandam, en B.P. den Butter, tolk, en het college vertegenwoordigd door mr. N. Hamdach, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De van belang zijnde bepalingen uit de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 (hierna: verordening) zijn bijgevoegd achter deze uitspraak.

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de weigering van het verzoek om verlening van een urgentieverklaring in bezwaar in redelijkheid heeft kunnen handhaven. Aan de weigering heeft het college een advies van een arts van de Geneeskundige en Gezondheidsdienst van Amsterdam (hierna: GGD-arts) ten grondslag gelegd. Daarin is vermeld dat [appellant], die op kamers woonde, in staat is zelfstandig te wonen. De medische problemen zijn volgens de GGD-arts niet ernstig genoeg om een urgentie te adviseren. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college van dit advies mocht uitgaan. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het door [appellant] in het kader van de hardheidsclausule aangevoerde geen uitzondering rechtvaardigt op de omstandigheid dat er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem, aldus de rechtbank.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn beroep op de hardheidsclausule niet slaagt. Het advies van de GGD-arts van 14 december 2015 mag niet worden betrokken in de beoordeling of hij in aanmerking komt voor toepassing van de hardheidsclausule. Het advies is afkomstig uit een periode waarin hij zonder bijstand zelfstandig trachtte te procederen. Hij beheerst de Nederlandse taal onvoldoende om zijn situatie voldoende te hebben kunnen verwoorden. Er waren ook geen anderen in zijn omgeving op wie hij een beroep kon doen zodat zij hem daarbij hadden kunnen helpen. Bovendien mocht voormeld advies niet worden betrokken omdat het niet op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld. Het advies geeft zijn medische en psychische gesteldheid niet goed weer, aldus [appellant].

3.1.    De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1462) overwogen dat het bestuursorgaan, indien door een arts in zijn hoedanigheid van medisch deskundige aan een bestuursorgaan een medisch advies is uitgebracht, dit advies mag betrekken bij zijn beoordeling van een aanvraag, mits het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld.

    Aan de weigering een urgentieverklaring te verlenen heeft het college een advies van de GGD-arts van 14 december 2015 ten grondslag gelegd. Hierin heeft de GGD-arts geconcludeerd dat [appellant] in staat moet worden geacht zelfstandig te wonen en dat hij op dat moment adequaat was gehuisvest. Het advies is mede gebaseerd op door de GGD-arts ingewonnen medische informatie bij de neuroloog van [appellant], zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld. Het advies is dus niet alleen gebaseerd op verklaringen van [appellant] bij de GGD-arts. Reeds hierom bestaat geen grond voor het oordeel dat de GGD-arts de medische problematiek door de taalbarrière onjuist heeft vastgesteld en dat de rechtbank had moeten oordelen dat het advies niet aan de besluitvorming ten grondslag had mogen worden gelegd. [appellant] heeft geen andere feiten of omstandigheden dan de taalbarrière naar voren gebracht waaruit zou blijken dat het advies niet op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld.

    [appellant] heeft op 26 juni 2017 in hoger beroep een medisch stuk, gedagtekend 12 januari 2017, ingediend waaruit blijkt dat hij al zeven maanden last heeft van knieklachten waarvoor hij onder behandeling is. Verder is daarin vermeld dat hij door de knieklachten niet goed kan traplopen en zijn huidige huisvesting op de derde etage derhalve ongeschikt voor hem is. De rechtbank diende de rechtmatigheid van het besluit 19 februari 2016 te beoordelen naar de feiten en omstandigheden zoals die zich ten tijde van dat besluit voordeden. Ten tijde van voormeld besluit was nog geen sprake van knieklachten. Deze konden derhalve ook niet in de besluitvorming worden betrokken.

    [appellant] heeft zijn stelling dat het advies van de GGD-arts zijn medische en psychische gesteldheid niet goed weergeeft niet nader onderbouwd. De rechtbank is derhalve terecht tot de slotsom gekomen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het door [appellant] aangevoerde geen toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigt.

    Het betoog faalt.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Niane-van de Put, griffier.

w.g. Lubberdink

lid van de enkelvoudige kamer    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2017

805. BIJLAGE

Verordening

Artikel 2.6.5 Algemene weigeringsgronden urgentieverklaring

1. Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:

[…]

b. er is geen sprake van een urgent huisvestingsprobleem;

[…]

Artikel 2.6.8 Overige regionale urgentiecategorieën

1. Een urgentieverklaring kan worden verleend indien zich geen van de in artikel 2.6.5, eerste en tweede lid, genoemde omstandigheden voordoet en de aanvrager tot tenminste één van de volgende urgentiecategorieën behoort:

a. woningzoekenden die in een acute noodsituatie verkeren;

b. woningzoekenden die op grond van medische of sociale redenen dringend woonruimte nodig hebben en niet behoren tot de in artikel 2.6.7 bedoelde urgentiecategorie;

[…]

Artikel 2.6.11 Hardheidsclausule

1. Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:

a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,

b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.