Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:2001

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
201609038/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 september 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] te Rucphen" gewijzigd vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3890
JOM 2017/785
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609038/1/R2.

Datum uitspraak: 26 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), wonend te Rucphen,

2.    [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Rucphen,

en

de raad van de gemeente Rucphen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] te Rucphen" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2017, waar [appellant sub 2], [appellant sub 1] en de raad, vertegenwoordigd door K.M. Vervaart-Sukel en M.L.M. Sijmens, zijn verschenen. Voorts is ter zitting, [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. R.H.U. Keizer, advocaat te Roosendaal, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Met het plan wordt het bestaande hoveniersbedrijf van [belanghebbende] aan de [locatie 1] als zodanig bestemd. Voorts wordt voorzien in de bouw van een loods ten behoeve van dit bedrijf en wordt de woning op het perceel bestemd als bedrijfswoning.

    [appellant sub 1] is eigenaar van het perceel aan de [locatie 2], dat deels grenst aan het perceel [locatie 1]. Hij vreest dat het plan leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting ter plaatse van zijn woning.

    [appellant sub 2] is eigenaar van het perceel, kadastraal bekend P 369, (hierna: het perceel van [appellant sub 2]) dat aan het plangebied grenst en vreest voor een mogelijk verlies aan uitzicht van zijn gewenste en eventueel nog te bouwen woning ten gevolge van de loods.

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 1]

3.    [appellant sub 1] vreest dat het plan leidt tot een onaanvaardbare geluidsbelasting ter plaatse van zijn woning. Hij stelt dat met de gewijzigde vaststelling van het plan op het hele perceel [locatie 1] een hoveniersbedrijf in categorie 3.1 is mogelijk gemaakt, zonder dat de plantoelichting is aangepast en zonder dat een nieuw akoestisch onderzoek is verricht. [appellant sub 1] stelt dat de achtergevel van zijn woning 2,5 m dichter bij het hoveniersbedrijf staat dan waarvan in het akoestisch onderzoek is uitgegaan. Volgens hem wordt dan ook niet voldaan aan de richtafstanden die zijn genoemd in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 2009 (hierna: VNG-brochure). [appellant sub 1] vreest voorts voor overlast en een waardevermindering van zijn woning ten gevolge van de bouw van de loods.

Ontvankelijkheid

3.1.    De raad stelt dat het beroep van [appellant sub 1] niet-ontvankelijk is, omdat hij geen zienswijze heeft ingediend tegen het ontwerpplan.

3.2.    Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht bij de raad. [appellant sub 1] heeft geen zienswijze over het ontwerpplan naar voren gebracht.

    Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

    Deze omstandigheid doet zich niet voor. Geen rechtvaardiging is gelegen in de door [appellant sub 1] gestelde omstandigheid dat hij niet persoonlijk op de hoogte is gesteld van de kennisgeving van het ontwerpplan. In de Wet ruimtelijke ordening, noch in enig ander wettelijk voorschrift valt een bepaling aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is eventuele belanghebbenden persoonlijk in kennis te stellen van de terinzagelegging van een ontwerp voor een bestemmingsplan. Voorts overweegt de Afdeling dat uit de stukken blijkt dat kennisgeving van het ontwerp van het bestreden besluit heeft plaatsgevonden in de Staatscourant en het huis-aan-huisblad ‘Rucphense Bode'. De enkele stelling van [appellant sub 1] dat de bezorging van de ‘Rucphense Bode’ te wensen overlaat, leidt niet tot het oordeel dat de bezorging van dit huis-aan-huisblad in het algemeen zodanige gebreken vertoont dat de raad dit blad niet als middel ter kennisgeving van het ontwerpbesluit had mogen gebruiken. Gelet op het voorgaande is voldaan aan de wettelijke vereisten die gelden voor de kennisgeving van de terinzagelegging.

3.3.    Het beroep van [appellant sub 1] is slechts ontvankelijk voor zover hij door de gewijzigde vaststelling van het plan in een nadeligere positie kan komen te verkeren ten opzichte van het ontwerpplan.

    De planverbeelding is ten opzichte van het ontwerp niet gewijzigd. Aan het perceel [locatie 1] de bestemmingen "Groen - Landschapselement" en "Bedrijf" toegekend. Aan het westelijke deel van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" is alleen de functieaanduiding "hoveniersbedrijf" toegekend. Aan het overige, westelijke, deel van dit plandeel is alleen de functieaanduiding "bedrijfswoning" toegekend.

    Anders dan [appellant sub 1] kennelijk veronderstelt, was het hoveniersbedrijf op het perceel [locatie 1] in het ontwerpplan niet beperkt tot een bepaalde milieucategorie. De Afdeling stelt vast dat het plan door de gewijzigde vaststelling in die zin is gewijzigd dat ter plaatse van de aanduiding "hoveniersbedrijf" uitsluitend een hoveniersbedrijf is toegestaan en niet meer tevens bedrijven in categorie 1 en 2. In zoverre is geen sprake van een nadeligere positie bij [appellant sub 1]. Ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" is de uitoefening van bedrijfsactiviteiten ten opzichte van het ontwerpplan niet meer beperkt tot een maximale milieucategorie. Voorts is het gebruik van de gronden ter plaatse van deze aanduiding niet beperkt tot het gebruik ten behoeve van de bedrijfswoning. In zoverre zou bij [appellant sub 1] sprake kunnen zijn van een nadeligere positie.   

3.4.    Het beroep van [appellant sub 1] voor zover gericht tegen de niet gewijzigd vastgestelde planonderdelen is niet-ontvankelijk.

Inhoudelijk

3.5.    Artikel 3, lid 3.1.1, van de planregels luidt:

"De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - hoveniersbedrijf': uitsluitend een hoveniersbedrijf;

b. ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning’: tevens een bedrijfswoning;

c. wegen, paden, pleinen, parkeervoorzieningen, verhardingen, groenvoorzieningen en andere voorzieningen ten dienste van de bestemming."

    Artikel 1, lid 1.9, van de planregels luidt:

"bedrijf: een inrichting of instelling gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis gebonden beroepen daaronder niet begrepen".

3.6.    Uit het bestreden besluit en de toelichting van de raad ter zitting blijkt dat de raad met de gewijzigde vaststelling op het perceel [locatie 1] uitsluitend een hoveniersbedrijf met bedrijfswoning heeft willen toestaan. Ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" heeft de raad het gebruik van de gronden willen beperkten tot het gebruik ten behoeve van de bedrijfswoning. Gelet op het woord "tevens" in artikel 3, lid 3.1.1, aanhef en onder b, van de planregels is ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" echter ook bedrijvigheid toegestaan die valt onder de begripsbepaling van bedrijf in artikel 1, lid 1.9, van de planregels. Nu dit niet in overeenstemming is met wat de raad bij de vaststelling van het plan heeft beoogd, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is vastgesteld.

    Het betoog slaagt.

3.7.    Hetgeen [appellant sub 1] voor het overige heeft aangevoerd tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor zover daaraan de aanduiding "bedrijfswoning" is toegekend, behoeft geen nadere bespreking.

3.8.    In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover daarbij het gebruik van de gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" niet is beperkt tot het gebruik ten behoeve van de bedrijfswoning, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

3.9.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Hierbij wijst de Afdeling erop dat voor de vergoeding van de kosten van het opstellen van het door [appellant sub 1] ingediende deskundigenrapport een forfaitair bedrag van € 75,00 per uur wordt gehanteerd.

Het beroep van [appellant sub 2]

4.    [appellant sub 2] kan zich niet verenigen met het voorziene bouwvlak voor de loods voor zover deze is gesitueerd langs de achterzijde van zijn perceel. Hij wenst een vrij uitzicht te behouden voor de nog te bouwen woning op zijn perceel. [appellant sub 2] stelt dat naar aanleiding van zijn zienswijze over het ontwerpplan het bouwvlak voor de loods weliswaar is aangepast, maar dat een deel van het bouwvlak nog steeds achter zijn perceel is gesitueerd. Uit de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor bouwen blijkt dat is beoogd bij de loods een overkapping te realiseren van 5 m hoog. [appellant sub 2] vreest dat een aanzienlijk deel van deze overkapping achter zijn perceel wordt gerealiseerd. [appellant sub 2] vindt het verder bezwaarlijk dat op grond van artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder b, van de planregels buiten het bouwvlak bouwwerken kunnen worden gerealiseerd. Voorts heeft [appellant sub 2] er ter zitting op gewezen dat ook de mogelijkheid bestaat om tot 4 m hoog goederen op te slaan buiten het bouwvlak. Hij wijst erop dat hierbij geen minimale afstand is voorgeschreven tot de perceelsgrens.

4.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat met het gewijzigd vastgestelde bouwvlak voldoende rekening is gehouden met de belangen van [appellant sub 2]. Weliswaar heeft [belanghebbende] inmiddels een aangepaste aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen ingediend waarmee aan de bezwaren van [appellant sub 2] tegemoet wordt gekomen, maar de raad acht het bouwvlak zoals dat is vastgesteld nog steeds in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij heeft de raad er ter zitting op gewezen dat het gebruikelijk is een iets groter bouwvlak toe te kennen dan nodig is om enige flexibiliteit te behouden.

    De raad wijst erop dat op grond van artikel 3, lid 3.2.2, aanhef en onder b, van de planregels geen gebouwen kunnen worden opgericht buiten het bouwvlak. Over de mogelijkheid om goederen op te slaan heeft [appellant sub 2] volgens de raad niet eerder dan ter zitting iets aangevoerd.

4.2.    Ten behoeve van de bouw van de loods is aan een deel van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" een bouwvlak toegekend. Aan het bouwvlak is de aanduiding "maatvoering: maximum bouwhoogte (m) = 8" toegekend.

    Artikel 3, lid 3.2.1, onder a, van de planregels luidt:

"Bedrijfsgebouwen mogen worden opgericht met inachtneming van de volgende regels:

1. de bedrijfsgebouwen en overkappingen mogen uitsluitend binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak worden opgericht, met inachtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen;

2. de maximale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan 300 m2;

3. de maximale oppervlakte aan overkappingen mag niet meer bedragen dan 150 m2;

4. de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen bedraagt maximaal de op de verbeelding aangegeven maat;

5. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt maximaal 5 meter."

    Lid 3.2.2, aanhef en onder b, luidt:

"Andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen worden opgericht met inachtneming van de volgende regels:

b. de bouwhoogte buiten een bouwvlak bedraagt maximaal 2,50 meter."

    Lid 3.4.1, onder a, luidt:

"Opslag van goederen en materialen ten dienste van het bedrijf op onbebouwde gronden is tot een gezamenlijke hoogte van maximaal 4 meter toegestaan."

4.3.    Voor zover de raad ter zitting heeft gesteld dat [appellant sub 2] pas ter zitting heeft aangevoerd dat achter zijn perceel opslag van goederen tot maximaal 4 m is toegestaan, overweegt de Afdeling dat dit een nader argument betreft van een eerder aangevoerde beroepsgrond. Ook na afloop van de beroepstermijn kunnen, gelet op artikel 8:58 van de Awb nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken, ter onderbouwing van een eerdere beroepsgrond worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval, indien de nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zodanig laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd. Daarvan is hier naar het oordeel van de Afdeling geen sprake, zodat zij geen aanleiding ziet het nadere argument buiten beschouwing te laten.

4.4.    De Afdeling stelt vast dat het bouwvlak voor de loods is gesitueerd op de plangrens. Direct ten oosten van deze plangrens ligt het perceel van [appellant sub 2], dat ongeveer 50 m diep is. In het ontwerpplan was het bouwvlak gesitueerd langs de gehele achterzijde van het perceel van [appellant sub 2]. Ten opzichte van het ontwerpplan is de grens van het bouwvlak in het gewijzigd vastgestelde plan ongeveer 10 m in noordoostelijke richting verschoven, waardoor thans ongeveer 5 m van het bouwvlak achter het perceel van [appellant sub 2] ligt. Verder stelt de Afdeling vast dat aan het perceel van [appellant sub 2] in het bestemmingsplan "Kom Rucphen" een woonbestemming is toegekend, maar geen bouwvlak. Uit de planregels van dat plan volgt dat op het perceel van [appellant sub 2] geen woning mag worden gebouwd.

4.5.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad bij de vaststelling van het bouwvlak voldoende rekening gehouden met de belangen van [appellant sub 2]. De raad heeft ter zitting toegelicht dat [belanghebbende] een aangepaste aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ingediend om tegemoet is gekomen aan de bezwaren van [appellant sub 2]. De raad heeft echter een iets groter bouwvlak toegekend dan nodig is gelet op deze aanvraag om enige flexibiliteit te bieden. Dit is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. Voor zover het mogelijk is om achter het perceel van [appellant sub 2] overkappingen te realiseren, overweegt de Afdeling dat deze op grond van artikel 3, lid 3.2.1, onder a, aanhef en sub 1, van de planregels alleen binnen het bouwvlak mogen worden opgericht. Verder is de maximale bouwhoogte van overkappingen op grond van het bepaalde sub 5 5 m. Gelet hierop en gelet op de omstandigheden dat ongeveer 5 m van het bouwvlak grenst aan het perceel van [appellant sub 2] en dit perceel 50 m diep is, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het plan voorziet in te ruime bouwmogelijkheden voor overkappingen aan de achterzijde van het perceel van [appellant sub 2]. Overigens heeft [belanghebbende] ter zitting toegelicht dat de overkapping niet wordt gerealiseerd aan de zuidzijde van de loods, achter het perceel van [appellant sub 2], maar aan de oost- en westzijde van de loods.

4.6.    Gelet op de gewijzigde vaststelling van het bouwvlak om tegemoet te komen aan de wensen van [appellant sub 2], heeft de raad enig gewicht willen toekennen aan het belang van [appellant sub 2] bij een vrij uitzicht vanuit de woning die hij wenst te bouwen. [appellant sub 2] stelt echter terecht dat de gronden achter zijn perceel hiermee niet vrij blijven van bebouwing, nu ter plaatse bouwwerken tot 2,5 m kunnen worden opgericht en onbebouwde gronden kunnen worden gebruikt voor de opslag van goederen en materialen tot 4 m. Dat, zoals de raad stelt, geen gebouwen kunnen worden opgericht buiten het bouwvlak maakt dit niet anders. Daarbij is van belang dat de omvang van de toegestane bouwwerken buiten het bouwvlak en de opslag niet zijn beperkt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad onvoldoende gemotiveerd op welke wijze bij het mogelijk maken van bouwwerken en opslag buiten het bouwvlak met de belangen van [appellant sub 2] rekening is gehouden.

    Het betoog slaagt.

5.    In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het oprichten van bouwwerken en het gebruik ten behoeve van opslag zijn toegestaan op de gronden aan de achterzijde van het perceel van [appellant sub 2], is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

6.    De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor het vernietigde planonderdeel met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

7.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen niet gewijzigde planonderdelen;

II.    verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] voor het overige en het beroep van [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] gegrond;

III.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Rucphen van 28 september 2016 tot vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie 1] te Rucphen" voor zover:

a. het gebruik van de gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" niet is beperkt tot het gebruik ten behoeve van de bedrijfswoning;

b. het oprichten van bouwwerken en het gebruik ten behoeve van opslag zijn toegestaan op de gronden aan de achterzijde van het perceel van [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B];

IV.    draagt de raad van de gemeente Rucphen op om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak en met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit zo spoedig  mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

V.    veroordeelt de raad van de gemeente Rucphen tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van hun beroepen opgekomen proceskosten als volgt:

a. voor [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] een bedrag van € 754,35 (zegge: zevenhonderdvierenvijftig euro en vijfendertig cent);

b. voor [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat de raad van de gemeente Rucphen aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] en € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Vletter, griffier.

w.g. Van der Wiel    w.g. Vletter

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2017

653.