Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:20

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-01-2017
Datum publicatie
11-01-2017
Zaaknummer
201600568/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 oktober 2014 heeft het college het verzoek van [appellant B] om handhavend op te treden tegen een zonder benodigde vergunning gebouwde fietsenstalling op het perceel [locatie] te Groesbeek afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/177
Omgevingsvergunning in de praktijk 2017/7492
JOM 2017/58
OGR-Updates.nl 2017-0007
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600568/1/A1.

Datum uitspraak: 11 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 december 2015 in zaak nr. 15/5818 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Groesbeek (thans het college van burgemeester en wethouders van Berg en Dal).

Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2014 heeft het college het verzoek van [appellant B] om handhavend op te treden tegen een zonder benodigde vergunning gebouwde fietsenstalling op het perceel [locatie] te Groesbeek afgewezen.

Bij besluit van 17 november 2014 heeft het college [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan bouwen van de fietsenstalling.

Bij besluit van 11 augustus 2015 heeft het college het door [appellanten] tegen de besluiten van 15 oktober 2014 en 17 november 2014 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 december 2015 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 11 augustus 2015 vernietigd en het bezwaar tegen de besluiten van 15 oktober 2014 en 17 november 2014 alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2016, waar [appellant B], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. B. de Clonie Maclennan, werkzaam bij de Omgevingsdienst Regio Nijmegen, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De Afdeling gaat er gezien de hogerberoepsgronden van uit dat het geding uitsluitend betrekking heeft op de verlening van de omgevingsvergunning.

2. [appellanten] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant A]) verhuren evenals [vergunninghouder] vakantiewoningen op het resort de Zeven Heuvelen aan de Cranenburgsestraat te Groesbeek. [appellant A] is het er niet mee eens dat het college de door [vergunninghouder] gebouwde fietsenstalling legaliseert, terwijl het hem in 2012 onder oplegging van een dwangsom heeft gelast om het fietsenafdakje bij zijn vakantiewoning op het perceel [locatie] nummer […] te verwijderen en verwijderd te houden.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant A] geen belanghebbende is. Daartoe heeft zij overwogen dat de afstand van de dichtstbijzijnde vakantiewoning van [appellant A] tot de fietsenstalling waarvoor de vergunning is verleend 95 m is, [appellant A] vanaf de recreatiewoning geen zicht heeft op de fietsenstalling en de ruimtelijke uitstraling van de fietsenstalling gelet op haar afmetingen beperkt is. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat uit het beroep van [appellant A] op het gelijkheidsbeginsel omdat hem geen omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van een fietsenstalling, geen belanghebbendheid kan voortvloeien. Volgens de rechtbank heeft het college daarom ten onrechte het bezwaar van [appellant A] tegen het besluit van 17 november 2014 ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft dat bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

4. [appellant A] betoogt dat de rechtbank aldus heeft miskend dat hij een rechtstreeks betrokken belang heeft. Daartoe voert hij aan dat hij door de aanwezigheid van de fietsenstalling in een nadeligere positie is gebracht dan [vergunninghouder] wat betreft de verhuur van vakantiewoningen.

4.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

4.2. De rechtbank heeft niet onderkend dat [appellant A] van de fietsenstalling nadelige gevolgen vreest voor de verhuurbaarheid van zijn vakantiewoningen en dat hij dus tegen de verleende omgevingsvergunning is opgekomen in de hoedanigheid van concurrent. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 28 januari 20915, ECLI:NL:RVS:2015:183, is degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit belanghebbende. Dat is slechts het geval indien die persoon in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment werkzaam is als waarbinnen de op te richten voorziening is voorzien. Gelet op de omstandigheid dat [appellant A] en [vergunninghouder] beiden op het resort de Zeven Heuvelen vakantiewoningen in eigendom hebben, bestemd voor de verhuur, is de Afdeling van oordeel dat [appellant A] in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied werkzaam is als [vergunninghouder]. Niet uitgesloten is dat het besluit tot omgevingsvergunningverlening voor de fietsenstalling de verhuurbaarheid van de vakantiewoningen van [appellant A] nadelig zal beïnvloeden.

Gezien het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat [appellant A] geen belanghebbende is, en om die reden zijn tegen de verleende omgevingsvergunning gemaakte bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij het besluit van 11 augustus 2015 heeft vernietigd, voor zover het college daarbij het bezwaar van [appellant A] tegen het besluit van 17 november 2014 ongegrond heeft verklaard, en de rechtbank het bezwaar tegen het besluit van 17 november 2014 niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Afdeling zal alsnog de bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden tegen het besluit van 11 augustus 2015, voor zover het college daarbij het bezwaar van [appellant A] tegen het besluit van 17 november 2014 ongegrond heeft verklaard, beoordelen nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen.

6. [appellant A] betoogt dat het college zijn besluit van 11 augustus 2015 ten onrechte heeft gebaseerd op het advies van de Commissie Bezwaarschriften Gemeente Groesbeek van 21 juli 2015. Daartoe heeft hij aangevoerd dat twee leden van deze commissie de op zijn zaak betrekking hebbende stukken niet hebben gelezen.

6.1. [appellant A] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het advies is gebaseerd op onvoldoende kennis van de relevante feiten en de af te wegen belangen. Daarom faalt dit betoog.

7. [appellant A] betoogt voorts dat het college ten onrechte stelt dat de fietsenstalling een bijbehorende bouwwerk is als bedoeld in artikel 4, aanhef en eerste lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor). Daarom heeft het college volgens [appellant A] ten onrechte met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een vergunning verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan realiseren van een bijbehorend bouwwerk. Volgens [appellant A] is de fietsenstalling geen bijbehorend bouwwerk, omdat daarvoor is vereist dat zij op hetzelfde perceel staat als het hoofdgebouw. Dat is volgens [appellant A] niet het geval nu het hoofdgebouw en de fietsenstalling op verschillende kadastrale percelen staan en deze percelen verschillende eigenaren hebben.

7.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor wordt in deze bijlage verstaan onder bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

7.2. In geschil is of de fietsenstalling zich op hetzelfde perceel als het hoofdgebouw bevindt. In het Bor en de daarbij behorende bijlagen ontbreekt een definitie van wat onder het begrip ‘perceel’ moet worden verstaan. Zoals volgt uit bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1274, is voor het antwoord op de vraag of sprake is van hetzelfde perceel de feitelijke actuele situatie bepalend.

Bij de ingang van het resort de Zeven Heuvelen staat een hoofdgebouw met onder meer een receptie. Voor dit hoofdgebouw is een parkeerterrein aanwezig. De fietsenstalling staat vlak naast het hoofdgebouw, grenzend aan het parkeerterrein. Deze voorzieningen staan alle op gronden met de bestemming "Recreatieve verblijfsdoeleinden" en worden ten behoeve van woningen op het resort gebruikt.

Gezien deze feitelijke, actuele, situatie heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat de fietsenstalling op hetzelfde perceel staat als het hoofdgebouw, ook al is de eigendom van dit perceel niet in één hand en kent het perceel meerdere kadastrale aanduidingen.

Het betoog faalt.

8. [appellant A] heeft verder betoogd dat het college niet in redelijkheid omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van de fietsenstalling heeft kunnen verlenen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het college, ter voorkoming van permanente bewoning van vakantiewoningen, op vakantieparken geen bijgebouwen toestaat. [appellant A] heeft daarbij verwezen naar het op 11 september 2007 door het college van Groesbeek vastgestelde beleid "Handhavingsbeleid niet recreatief gebruik van vakantiewoningen". Voorts heeft hij aangevoerd dat hem geen voorziening wordt toegestaan voor het stallen van fietsen, omdat het college handhavend is opgetreden tegen zijn fietsenafdakje.

8.1. Het college heeft aan zijn besluit om voor de fietsenstalling omgevingsvergunning te verlenen ten grondslag gelegd dat vanuit stedenbouwkundig oogpunt geen bezwaar bestaat tegen de bouw van de fietsenstalling en dat de gebruiksmogelijkheden van de belendende percelen niet onevenredig worden aangetast. [appellant A] heeft dit niet weersproken.

Er is ook niet gebleken van beleid van het college om nimmer afwijking van het bestemmingsplan ten behoeve van fietsenstallingen te vergunnen. Het door [appellant A] ingeroepen beleid gaat niet over vergunningverlening, maar over het beleid tot handhaving van illegale bouwwerken.

Bovendien is niet aannemelijk dat de fietsenstalling, die is bedoeld voor gebruikers van de centrale voorziening en van de vakantiehuizen, permanente bewoning van vakantiehuizen in de hand werkt en dat het college om die reden niet in redelijkheid de vergunning voor het afwijken heeft kunnen verlenen.

De Afdeling ziet tot slot niet op welke wijze uit het feit dat het college in het verleden handhavend is opgetreden tegen het illegaal geplaatste fietsenafdakje van [appellant A], mee zou brengen dat de thans verleende vergunning berust op een ondeugdelijke belangenafweging. Overigens heeft het college erop gewezen dat de rechtbank bij uitspraak van 22 oktober 2013 in zaak nr. 13/1359, heeft geoordeeld dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden tegen het afdakje, omdat het in het bestemmingsplan past, zodat in dit opzicht geen beletsel bestaat voor het afdakje van [appellant A].

Het betoog faalt.

9. Het beroep tegen het besluit van 11 augustus 2015, voor zover het college daarbij het bezwaar van [appellant A] tegen het besluit van 17 november 2014 ongegrond heeft verklaard, is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 december 2015 in zaak nr. 15/5818, voor zover de rechtbank daarbij het besluit van 11 augustus 2015 heeft vernietigd, voor zover het college daarbij het bezwaar van [appellant A] tegen het besluit van 17 november 2014 ongegrond heeft verklaard, en de rechtbank het bezwaar tegen het besluit van 17 november 2014 niet-ontvankelijk heeft verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre ongegrond;

IV. bevestigt de uitspraak voor het overige;

V. verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellant A] en [appellant B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 251,00 (zegge: tweehonderdeenenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, griffier.

w.g. Slump w.g. Van der Zijpp

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2017

262-757.