Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1992

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
201609965/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:8542, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 april 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag van [appellant] over 2013 definitief vastgesteld op een bedrag van € 715,00 en € 1.442,00 aan teveel ontvangen voorschotten teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609965/1/A2.

Datum uitspraak: 26 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 november 2016 in zaak nr. 16/4463 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag van [appellant] over 2013 definitief vastgesteld op een bedrag van € 715,00 en € 1.442,00 aan teveel ontvangen voorschotten teruggevorderd.

Bij besluit van 14 juni 2016 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 november 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof Den Haag. Het Gerechtshof heeft het hogerberoepschrift ter behandeling doorgezonden naar de Afdeling.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juli 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.G.J. Smit, advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. E.J.E. Groothuis, zijn verschenen.

Overwegingen

Aanleiding

1.    In het bezwaarschrift tegen het besluit van 8 april 2016 heeft [appellant] aangevoerd dat het besluit in strijd is met alle algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daarbij heeft hij de Belastingdienst/Toeslagen verzocht om het volledige onderliggende dossier toe te zenden en zich het recht voorbehouden de gronden van het bezwaarschrift aan te vullen. De dienst heeft, voorbijgaand aan het verzoek van [appellant], het bezwaar tegen het besluit kennelijk ongegrond verklaard bij het besluit van 14 juni 2016.

Uitspraak van de rechtbank

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat, nu niet in geschil is dat de dienst het dossier ten onrechte niet aan [appellant] heeft toegezonden, het zorgvuldigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is geschonden. Omdat aannemelijk is dat [appellant] hierdoor niet is benadeeld, heeft de rechtbank het besluit van 14 juni 2016 in stand gelaten met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Hetgeen [appellant] verder heeft aangevoerd, heeft naar het oordeel van de rechtbank geen doel getroffen.

Gronden in hoger beroep

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet heeft onderbouwd waarom de beginselen van rechtszekerheid en evenredigheid, het verbod van willekeur en van vooringenomenheid zijn geschonden. [appellant] voert aan dat hij in beroep heeft aangevoerd dat de dienst hem niet in de gelegenheid heeft gesteld de gronden in bezwaar aan te vullen.

     [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet is benadeeld door de nalatigheid van de dienst. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 18 december 2008 in zaak nr. C 349/07, Sopropé, ECLI:EU:C:2008:746, en het arrest van de Hoge Raad van 26 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1667, betoogt hij verder dat de rechtbank ten onrechte het betoog heeft verworpen dat het algemene beginsel van de eerbiediging van de rechten van verdediging is geschonden. Met verwijzing naar zijn bankafschriften over 2013 voert [appellant] daartoe aan dat hij de voorschotten zorgtoeslag niet heeft ontvangen, hij dit zonder dossier niet kon bewijzen en niet kon controleren of, en zo ja naar wie, de voorschotten zijn overgemaakt. Op de zitting heeft [appellant] voorts aangevoerd dat de dienst hem op grond van de doorzendplicht het dossier van de inspecteur voor de inkomstenbelasting had moeten verstrekken, dat auto’s van [appellant] in beslag zijn genomen en dat hij graag inzicht wil hebben in de stukken die daarop betrekking hebben. Als alles boven water is, wil [appellant] aanvullende gronden indienen.

    Het bestreden besluit is voorts in strijd met artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), artikel 1, eerste lid, van Protocol nr. 12 bij het EVRM, en artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR), aldus [appellant].

Beoordeling gronden hoger beroep

3.1.    Artikel 6:22 van de Awb luidt als volgt: "Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld".

    Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 14) is niet de aard van het geschonden voorschrift beslissend voor de beantwoording van de vraag of een gebrek in een besluit kan worden gepasseerd, maar uitsluitend het antwoord op de vraag of door de schending iemand is benadeeld.    

3.2.    De Belastingdienst/Toeslagen dient bij de bepaling van de draagkracht, gelet op artikel 7, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 8, eerste lid, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder o, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), uit te gaan van het inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr). Op grond van artikel 21g, eerste lid, van de Awr, dient de Belastingdienst/Toeslagen daarbij uit te gaan van het actuele, in de basisregistratie inkomen opgenomen, inkomensgegeven.

3.3.    In het besluit van 8 april 2016 is vermeld dat de Belastingdienst/Toeslagen de vastgestelde inkomens heeft ontvangen die in de basisregistratie inkomen zijn opgenomen. Volgens het besluit bedroeg het vastgestelde inkomen van [appellant] over 2013 € 20.000,00 en dat van zijn toeslagpartner € 14.500,00. Uit het besluit blijkt derhalve reeds op welke inkomensgegevens het berust en waaraan deze gegevens zijn ontleend. Het dossier van de Belastingdienst/Toeslagen bestaat voorts uit de besluiten en relevante wijzigingen. Zoals de Belastingdienst/Toeslagen in beroep onweersproken naar voren heeft gebracht, zijn deze stukken aan [appellant] toegezonden per post en kan hij daarover ook beschikken via de website ‘mijntoeslagen.nl’. Voorts is van belang dat [appellant] ter zitting in beroep op 29 september 2016 heeft gesteld dat hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen de aanslag inkomstenbelasting 2013 van 16 maart 2016. Ook overigens is niet gebleken dat [appellant] zich niet kan vinden in de inkomensgegevens waarop het besluit van 8 april 2016 rust. Gelet hierop is aannemelijk dat [appellant] niet is benadeeld doordat het dossier van de Belastingdienst/Toeslagen niet naar hem is toegezonden. De dienst zou geen andersluidend besluit op bezwaar hebben genomen, indien het dossier wel aan hem zou zijn toegezonden.

3.4.    Met de, eerst in hoger beroep naar voren gebrachte, stelling van [appellant] dat hij de voorschotten niet heeft ontvangen, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij wel is benadeeld omdat het dossier niet naar hem is toegezonden. De dienst heeft in reactie op de stelling naar voren gebracht dat beslag als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Awir op de voorschotten is gelegd in opdracht van de zorgverzekeraar van [appellant] en dat de voorschotten op deze wijze aan hem ten goede zijn gekomen. Geen aanleiding bestaat voor twijfel hieraan, mede gelet op het feit dat [appellant] in de periode van 1 maart 2013 tot 21 januari 2015 als wanbetaler van de zorgverzekering is aangemeld bij de dienst. Niet aannemelijk is dat de dienst een andersluidend besluit op bezwaar zou hebben genomen, indien hij was ingegaan op de door [appellant] bestreden ontvangst van de voorschotten.

3.5.    [appellant] wordt niet gevolgd in het betoog dat hij is benadeeld doordat het dossier van de inspecteur voor de inkomstenbelasting, ofwel zoals ter zitting is gesteld van de "Belastingdienst Blauw", niet aan hem is toegezonden. Afgezien van de inkomensgegevens die reeds blijken uit het besluit van 8 april 2016, behelst dat dossier niet de op de zorgtoeslag betrekking hebbende stukken. Zijn betoog over de doorzendplicht wordt bovendien niet gevolgd. Artikel 6:15 van de Awb heeft betrekking op het doorzenden aan het bevoegde bestuursorgaan van een bezwaar- of beroepschrift dat bij een onbevoegd bestuursorgaan is ingediend. Dat is hier niet aan de orde, zodat die bepaling toepassing mist. Voor zover [appellant] doelt op de informatie-uitwisseling als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Awir, kan uit dat artikel niet worden afgeleid dat op de dienst de taak rust om desgevraagd aan een bezwaarmaker als [appellant] het dossier van de inspecteur te verstrekken.

3.6.    Gelet op deze omstandigheden, in samenhang bezien, heeft de rechtbank terecht de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

3.7.    Hetgeen [appellant] verder heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding tot een ander oordeel. De enkele stelling van [appellant] dat hij niet in de gelegenheid is gesteld de gronden in bezwaar aan te vullen, biedt geen grond voor het oordeel dat de beginselen van rechtszekerheid en evenredigheid en het verbod van willekeur en vooringenomenheid zijn geschonden. Het was aan [appellant] te specificeren waarom dit in dit geval schending van deze beginselen en verboden met zich brengt. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het betoog ter zake faalt.

    Met betrekking tot het beroep van [appellant] op het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel, overweegt de Afdeling dat de besluitvorming van de Belastingdienst/Toeslagen niet binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt. [appellant] kan zich daarom niet met succes op dat beginsel en de arresten van het Hof van Justitie van 18 december 2008 en de Hoge Raad van 26 juni 2015 beroepen.

    Voor zover [appellant] met het beroep op artikel 14 van het EVRM, artikel 1, eerste lid, van Protocol nr. 12 bij het EVRM, en artikel 26 van het IVBPR wil betogen dat de dienst het verbod van discriminatie heeft geschonden, treft dit evenmin doel. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, wordt geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat dit verbod is geschonden.     

3.8.    Het betoog faalt.

Conclusie

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. De Vlieger-Mandour

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2017

615. BIJLAGE

Artikel 14 van het EVRM

Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Artikel 1 van Protocol nr. 12 bij het EVRM

1. Het genot van elk in de wet neergelegd recht moet worden verzekerd zonder enige discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Artikel 26 van het IVBPR

Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.

Artikel 6:15 van de Awb

1. Indien het bezwaar- of beroepschrift wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde bestuursrechter, wordt het, onder vermelding van de datum van ontvangst, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien in plaats van een bezwaarschrift een beroepschrift is ingediend of omgekeerd.

Artikel 6:22

Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Artikel 2 van de Awir

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, wordt verstaan onder

[…]

o. inkomensgegeven: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Artikel 7

1. Ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling wordt het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.

Artikel 8

1. Toetsingsinkomen is: het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven.

Artikel 26

De belanghebbende is, indien een herziening van een tegemoetkoming of een herziening van een voorschot leidt tot een terug te vorderen bedrag dan wel een verrekening van een voorschot met een tegemoetkoming daartoe leidt, het bedrag van de terugvordering in zijn geheel verschuldigd.

Artikel 39

1. De Belastingdienst/Toeslagen en de inspecteur en de ontvanger wisselen de gegevens en inlichtingen uit die nodig zijn voor de uitvoering van deze wet en voor de heffing en invordering van rijksbelastingen, onder vermelding van het burgerservicenummer van degene op wie de gegevens of inlichtingen betrekking hebben.

Artikel 45

1. Een tegemoetkoming is niet vatbaar voor vervreemding, verpanding, belening of beslag, waaronder begrepen beslag ingevolge faillissement of toepassing van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tenzij het betreft beslag wegens:

a. een vordering tot nakoming van een betalingsverplichting wegens een geleverde prestatie waarbij de betalingsverplichting ter zake van die prestatie oorzaak is voor de tegemoetkoming;

b. een door de belanghebbende verschuldigd bedrag aan terugvordering dat betrekking heeft op dezelfde inkomensafhankelijke regeling.

Artikel 21 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr)

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen verstaan onder inkomensgegeven:

[…] e. indien over een kalenderjaar een aanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde verzamelinkomen.

Artikel 21g

1. Een afnemer gebruikt voor zover hij een op grond van een wettelijk voorschrift verleende bevoegdheid tot gebruik van het inkomensgegeven uitoefent, het inkomensgegeven zoals dat ten tijde van het gebruik is opgenomen in de basisregistratie inkomen.