Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1989

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
201701162/1/R6 en 201701161/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 september 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders in verband met het bestemmingsplan "Indische Buurt" hogere waarden vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting bij een aantal woningen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Wet geluidhinder
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2017/7808 met annotatie van G. van den End
AR 2017/3879
Omgevingsvergunning in de praktijk 2017/7631
JOM 2017/790
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201701162/1/R6 en 201701161/1/R6.

Datum uitspraak: 26 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Almere,

appellant,

en

1.    de raad van de gemeente Almere,

2.    het college van burgemeester en wethouders van Almere,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders in verband met het bestemmingsplan "Indische Buurt" hogere waarden vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting bij een aantal woningen.

Bij besluit van 24 november 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Indische Buurt" vastgesteld.

Tegen deze besluiten heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting behandeld op 26 april 2017, waar [appellant], en de raad en het college, vertegenwoordigd door A.J.M. Theunissen, A.W. Kraaijeveld en W.B. de Kleuver, zijn verschenen.

Overwegingen

De besluiten

Het bestemmingsplan

1.    Het bestemmingsplan voorziet in een actualisering van het juridisch planologische regime voor de Indische buurt. Het plangebied wordt globaal begrensd door de Flevospoorlijn (de spoorlijn zelf en het treinstation vallen buiten het plangebied) aan de noordwestkant, de Buitenring aan de noord oostzijde, de Evenaar (in het plangebied) aan de zuidoostelijke zijde en daarachter de woonwijken Regenboog-, Eilanden- en Stripheldenbuurt en het Meridiaanpark aan de zuidwestzijde. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van meer dan 11 woningen, zodat gelet op artikel 1.1, eerste lid, onder a, van de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) in samenhang bezien met Bijlage I, onder 3.1, van de Chw, afdeling 2 van de Chw van toepassing is.

2.    [appellant] is eigenaar van een perceel waaraan in het bestemmingsplan de bestemming "Gemengd -1" is toegekend en waarop ten tijde van belang nog geen woning was gebouwd. Gelet hierop en nu op grond artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder k, van de planregels van het bestemmingsplan een woonfunctie op het perceel is toegestaan, is ter plaatse voorzien in een nieuwe geluidsgevoelige bestemming als bedoeld in de Wgh.

Het hogere waarden besluit

3.    Onder meer nu in het bestemmingsplan nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen als bedoeld in de Wgh zijn voorzien, heeft het college in verband met de ligging van deze geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone van een weg en het spoor hogere waarden vastgesteld ten behoeve van een aantal van die geluidsgevoelige bestemmingen.

Chw en nieuwe beroepsgronden

4.    [appellant] heeft na afloop van de beroepstermijn in zijn nadere stuk van 12 april 2017 nieuwe beroepsgronden aangevoerd, waaronder de beroepsgrond dat de plattegrond die door de gemeente is aangeleverd, onjuist is.

4.1.    Artikel 1.6a van de Chw luidt: "Na afloop van de termijn voor het instellen van beroep kunnen geen beroepsgronden meer worden aangevoerd."

4.2.    Voor zover [appellant] betoogt dat hij door toepassing van artikel 1.6a van de Chw onvoldoende tijd heeft gehad om zijn beroepsgronden aan te voeren en dit betoog aldus moet worden begrepen dat deze bepaling derhalve buiten toepassing moet blijven, overweegt de Afdeling dat zij geen aanleiding ziet voor het oordeel dat artikel 1.6a van de Chw buiten toepassing had moeten blijven. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen (vgl. uitspraak van 17 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO4217 en de uitspraak van 8 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV3215), tast artikel 1.6a van de Chw het recht op toegang tot de rechter niet in de kern aan. Daarnaast volgt uit deze uitspraken dat het doel van deze bepaling om vertragingen in de beroepsprocedures zo veel mogelijk te voorkomen en het voor de rechter mogelijk te maken om binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak te doen, een rechtmatig doel is. Het betoog faalt.

4.3.    Gelet op het bepaalde in artikel 1.6a van de Chw laat de Afdeling de nieuwe beroepsgronden van [appellant] in zijn nadere stuk van 12 april 2017, welke na afloop van de termijn voor het instellen van beroep zijn aangevoerd, buiten beschouwing. Dit laat onverlet dat de reeds aangevoerde beroepsgronden in het nadere stuk van [appellant] nog wel konden worden voorzien van nieuwe argumenten. Zie in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4003. De aangevoerde nadere argumenten ter onderbouwing van eerder aangevoerde beroepsgronden zullen dan ook door de Afdeling worden beoordeeld.

Beroep tegen het hogere waardenbesluit

5.    [appellant] betoogt dat het besluit hogere waarden in strijd met artikel 110a, vijfde lid, van de Wgh is vastgesteld, omdat volgens hem onvoldoende is aangetoond dat fysieke maatregelen in de vorm van een geluidscherm gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanwege de spoorweg op de gevel van zijn woning onvoldoende doeltreffend zullen zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard.

    Zo is volgens hem niet inzichtelijk waarom de plaatsing van een geluidscherm ter hoogte van zijn woning tot voorbij het keerspoor en de brug niet doeltreffend zou zijn.

    Verder betoogt hij dat het akoestisch onderzoek dat ten grondslag ligt aan het besluit tot het vaststellen van hogere waarden ondeugdelijk is, omdat daarin niet alle reeds gebouwde woningen zijn betrokken.

    Daarnaast betoogt [appellant] dat indien hij de tekst kopieert van het "Akoestisch onderzoek Bestemmingsplan Indische Buurt weg- en railverkeerslawaai" zoals die op www.ruimtelijkeplannen.nl staat gepubliceerd en deze tekst vervolgens in een Word-document plakt, de volgende tekst naar voren komt: "Akoestisch onderzoek Kustzone Almere Haven Bestemmingsplan De Laren". Dit wijst er volgens hem op dat  sprake is van het hergebruik of kopiëren van ander onderzoeksmateriaal.

5.1.    Artikel 110a, eerste lid, van de Wgh luidt: "Burgemeester en wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting."

    Artikel 110a, vijfde lid, luidt: "Het eerste en tweede lid vinden slechts toepassing indien toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanwege het industrieterrein, de weg of spoorweg, van de gevel van de betrokken woningen of andere geluidsgevoelige gebouwen onderscheidenlijk aan de grens van de betrokken geluidsgevoelige terreinen tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zal zijn dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de in dit lid bedoelde bevoegdheid enkel in bij die maatregel aan te geven gevallen kan worden toegepast."

5.2.    Ten behoeve van het bestemmingsplan is akoestisch onderzoek verricht waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Akoestisch onderzoek Indische Buurt weg- en railverkeer", (hierna: het akoestisch rapport) dat is opgesteld door de Dienst Stedelijke Ontwikkeling van de gemeente Almere. Dit akoestisch rapport is tevens ten grondslag gelegd aan het besluit hogere waarden.

5.3.    De Afdeling begrijpt het beroep van [appellant] aldus dat dit is gericht tegen het besluit hogere waarden voor zover daarbij hogere waarden zijn vastgesteld in verband met de nabijgelegen Flevospoorlijn. Niet in geschil is dat daarbij ook een hogere waarde is vastgesteld ten behoeve van de voorziene nieuwe woning van [appellant]. Het college stelt dat ter hoogte van onder meer de voorziene woning van [appellant] reeds in verband met het tracébesluit "Spooruitbreiding Schiphol - Amsterdam - Almere - Lelystad" van de minister van Infrastructuur en Milieu van 15 december 2011 een geluidscherm van 1,5 meter hoog is aangelegd. Een vervanging van dit scherm zal volgens het college niet alleen betrekking hebben op het gedeelte ter hoogte van de woning van [appellant], maar ook op de andere nog te bebouwen gebieden in het plangebied. Het gaat volgens het college om een scherm met een lengte van bijna 1 km (tot aan de Buitenring) dat ongeveer één miljoen euro heeft gekost. Dit zal volgens het college naar prijspeil van 2010 zeker eenzelfde bedrag kosten, waarbij nog geen rekening is gehouden met het afbreken van het huidige scherm. De Afdeling begrijpt het standpunt van het college dan ook aldus dat toepassing van maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting vanwege het spoor van de gevel van de betrokken woning tot de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting, als bedoeld in artikel 110a, van de Wgh, overwegende bezwaren ontmoet van financiële aard. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. [appellant] heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Het betoog faalt.   

5.4.    Voor zover [appellant] betoogt dat het akoestisch rapport dat ten grondslag is gelegd aan het besluit, ondeugdelijk is, overweegt de Afdeling dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het akoestisch rapport zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat het college zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet heeft mogen baseren.

    Wat betreft het betoog van [appellant] dat niet alle bestaande woningen bij het akoestisch rapport zijn betrokken, overweegt de Afdeling het volgende. Nog daargelaten dat [appellant] niet heeft geconcretiseerd op welke woningen hij doelt, heeft [appellant] niet gemotiveerd waarom die omstandigheid, wat daar ook van zij, maakt dat het college zich niet op het akoestisch rapport heeft mogen baseren.

    Voor zover het betoog van [appellant] verder aldus moet worden begrepen dat uit de onderliggende broncode van het akoestisch rapport dat op www.ruimtelijkeplannen.nl staat gepubliceerd, kan worden afgeleid dat de onderzoeksgegevens zijn gekopieerd uit het akoestisch rapport dat ten grondslag is gelegd aan het bestemmingsplan "De Laren", overweegt de Afdeling het volgende. [appellant] betoogt terecht dat in de onderliggende broncode van het akoestisch rapport dat op www.ruimtelijkeplannen.nl is gepubliceerd, staat vermeld "Akoestisch onderzoek Kustzone Almere Haven Bestemmingsplan De Laren". Deze abusievelijke vermelding in de broncode van het voorliggende akoestisch rapport, maakt naar het oordeel van de Afdeling echter nog niet dat de onderzoeksgegevens uit dat akoestisch rapport ook daadwerkelijk op oneigenlijke wijze zijn gekopieerd en hergebruikt ten behoeve van het voorliggende akoestisch rapport. Het betoog faalt.

5.5.    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit hogere waarden in strijd met artikel 110a, vijfde lid, van de Wgh is genomen. Het betoog faalt.

Beroep tegen het bestemmingsplan

Toetsingskader bestemmingsplan

6.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Inhoudelijke gronden

7.    [appellant] heeft geen inhoudelijke gronden aangevoerd tegen het bestemmingsplan. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan in strijd met het recht is vastgesteld. Het betoog faalt.  

Conclusie

8.    Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Koziolek-Stoof, griffier.

w.g. Hoekstra    w.g. Koziolek-Stoof

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2017

749.