Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1985

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-07-2017
Datum publicatie
02-08-2017
Zaaknummer
201509460/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:8752, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 december 2014 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201509460/1/V3.

Datum uitspraak: 24 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 1 december 2015 in zaak nr. 15/3055 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2014 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 1 december 2015 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.J.J. Jansen, advocaat te Kapelle, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

    Overwegingen

1.    De rechtbank heeft overwogen dat op het door de vreemdeling ingestelde beroep het ne bis-beoordelingskader van toepassing is (uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BC7124).

Zij heeft vervolgens geoordeeld dat het rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medische Onderzoek van 4 augustus 2014 (hierna: het iMMO-rapport) een novum is, zodat rechterlijke toetsing van het besluit gerechtvaardigd is.

2.    In de eerste grief en het eerste deel van tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank in de overlegging van het iMMO-rapport ten onrechte grond heeft gezien om het besluit te toetsen.

2.1.    De Afdeling heeft bij uitspraak van 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1759, overwogen dat het door de rechtbank toegepaste ne bis-beoordelingskader met onmiddellijke ingang niet meer geldt en dat de bestuursrechter voortaan elk besluit op een opvolgende asielaanvraag overeenkomstig artikel 8:69 van de Awb moet toetsen in het licht van de daartegen door de vreemdeling aangevoerde beroepsgronden. Reeds gelet op deze uitspraak heeft de rechtbank het besluit terecht getoetst. Dat zij dit heeft gedaan nadat zij eerst heeft vastgesteld dat het iMMO-rapport een novum is, maakt dit niet anders.

    In zoverre falen de eerste grief en het eerste deel van de tweede grief.

3.    In het tweede deel van zijn tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het iMMO-rapport voor hem aanleiding had moeten zijn om nader onderzoek te verrichten. De staatssecretaris voert daartoe aan dat de inhoud van het iMMO-rapport geen sterke aanwijzing vormt in de zin van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 9 maart 2010, R.C. tegen Zweden, ECLI:CE:ECHR:2010:0309JUD004182707 (hierna: het arrest R.C. tegen Zweden). De littekens op het lichaam van de vreemdeling en zijn psychische klachten kunnen ook op een andere manier zijn veroorzaakt dan door de vreemdeling gestelde mishandelingen. Bij de beoordeling hiervan is volgens de staatssecretaris van belang dat de vreemdeling in de eerste asielprocedure wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard op essentiële onderdelen. De inhoud van het iMMO-rapport versterkt de conclusie dat sprake is van een ongeloofwaardig asielrelaas nu ook het relaas van de vreemdeling zoals dat tegenover het iMMO naar voren is gebracht, op een aantal belangrijke punten tegenstrijdigheden vertoont met het asielrelaas zoals dat in de eerste procedure naar voren is gebracht, aldus de staatssecretaris.

3.1.    Met het iMMO-rapport heeft de vreemdeling willen staven dat zijn littekens en fysieke klachten het gevolg zijn van gebeurtenissen die aan zijn asielaanvraag ten grondslag liggen. Volgens het iMMO-rapport zijn de littekens typerend en consistent tot zeer consistent met het asielrelaas. De psychische problematiek is vanwege de aard en de inhoud van de symptomen, typerend voor het relaas over het ondergane geweld in zijn land van herkomst. Zeker is, volgens het iMMO-rapport, dat de psychische problematiek thans een negatieve invloed heeft op het vermogen om compleet, coherent en consistent te kunnen verklaren over het asielrelaas. Op basis van de beschikbare medische informatie is het zeker dat ten tijde van de asielgehoren ook al sprake was van deze negatieve invloed.

3.2.    De staatssecretaris heeft de vreemdeling voor indiening van zijn eerste asielaanvraag op 4 februari 2011 laten onderzoeken door MediFirst. In de eerste asielprocedure is in rechte vast komen te staan dat uit de MediFirst-adviezen volgt dat de vreemdeling tijdens het eerste gehoor en de aanvullende nadere gehoren in staat was om compleet, coherent en consistent te verklaren over de aanleiding van zijn vertrek uit het land van herkomst en antwoord te geven op de aan hem gestelde vragen.

    Gelet hierop en nu het onderzoek van het iMMO eerst op 16 juni 2014 heeft plaatsgevonden, terwijl het onderzoek door MediFirst juist kort vóór de gehoren heeft plaatsgevonden, heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris zijn standpunt over de geloofwaardigheid van het asielrelaas niet ten onrechte op de door de vreemdeling tijdens de gehoren in de eerste asielprocedure afgelegde verklaringen heeft gebaseerd en dat hij ook in zoverre niet ten onrechte geen nader onderzoek heeft laten verrichten naar aanleiding van het iMMO-rapport.

3.3.    Nu in de eerste asielprocedure eveneens in rechte is komen vast te staan dat het gehele asielrelaas van de vreemdeling ongeloofwaardig is, heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat het iMMO-rapport geen sterke aanwijzing vormt in de zin van het arrest R.C. tegen Zweden en heeft de rechtbank voorts niet onderkend dat de staatssecretaris niet ten onrechte heeft afgezien van een nadere beoordeling van het verband tussen de lichamelijke en psychische klachten van de vreemdeling en zijn stellingen over de oorzaak daarvan (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 31 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4791).

    Gelet op het vorenstaande slaagt het tweede deel van de tweede grief.

4.    Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. Hetgeen voor het overige is aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit alsnog ongegrond verklaren.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 1 december 2015 in zaak nr. 15/3055;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Ahmady-Pikart

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2017

53-644.