Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1975

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
201606519/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:4804, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 mei 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606519/1/V1.

Datum uitspraak: 20 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 27 juli 2016 in zaak nr. 15/19995 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2014 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 11 november 2015 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 juli 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. U. Koopmans, advocaat te Haarlem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De vreemdeling, die de Armeense nationaliteit heeft, heeft een aanvraag ingediend om te bepalen dat haar uitzetting achterwege blijft wegens haar gezondheidstoestand.

2.    De rechtbank heeft overwogen dat het besluit niet zorgvuldig is voorbereid en deugdelijk is gemotiveerd, nu het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) in reactie op de brieven van 13 januari 2014 en 17 juli 2015 van de behandelaars van de vreemdeling (hierna: de behandelaars) heeft volstaan met een algemene beschouwing, inhoudende dat de vraag of in Armenië een veilige behandelomgeving voor de vreemdeling voorhanden is vanuit medisch oogpunt niet kan worden beantwoord door het BMA. In het BMA-advies van 16 januari 2014 (hierna: het BMA-advies) en de BMA-nota's van 9 juni 2015 en 18 september 2015 (hierna: de BMA-nota's) is volgens de rechtbank op geen enkele wijze inhoudelijk ingegaan op de zorgen en de op de medische situatie van de vreemdeling gebaseerde prognose van de behandelaars, terwijl in voormelde brieven zeer concrete informatie is gegeven over de aard en het ontstaan van haar psychische klachten in relatie tot de noodzaak van een veilige behandelomgeving en waarom deze in Armenië niet voor haar beschikbaar is.

3.    De eerste grief van de staatssecretaris is gericht tegen de onder 2 weergegeven overwegingen van de rechtbank. De staatssecretaris voert onder meer aan dat de rechtbank heeft miskend dat in de BMA-nota's gemotiveerd is ingegaan op de zorgen en prognoses van de behandelaars en dat de stellingen van de behandelaars over het ontbreken van een veilige behandelomgeving voor de vreemdeling in geheel Armenië daarin kenbaar zijn betrokken. De behandelaars van de vreemdeling hebben volgens de staatssecretaris met hun stellingen over de reactie van de vreemdeling op het zien van uniformen of personen in overheidskledij, het opbouwen van een vertrouwensband met behandelaren in Armenië en het wantrouwen van de vreemdeling betreffende al haar landgenoten, zonder nadere onderbouwing, onvoldoende geconcretiseerd waarom behandeling in heel Armenië voor de vreemdeling niet effectief zal zijn. Daarbij wijst de staatssecretaris erop dat uit geen enkel door de vreemdeling overgelegd stuk blijkt op grond waarvan de behandelaars hun bevindingen ten aanzien van de gestelde situatie in Armenië baseren, waardoor dit louter speculatieve stellingen zijn, en dat de aard van een toekomstige vertrouwensband met behandelaars in Armenië niet te voorspellen is en er geen medische argumenten zijn gegeven waaruit zou volgen dat het voor de vreemdeling niet mogelijk zou zijn een dergelijke band op te bouwen. Volgens de staatssecretaris hebben de behandelaars onvoldoende geconcretiseerd op welke wijze de gebeurtenissen uit het verleden, waarvan de staatssecretaris de daaraan ontleende vrees bij terugkeer niet aannemelijk heeft geacht, in de weg staan aan een effectieve voortzetting van de behandeling in Armenië.

3.1.    Aan het besluit is het BMA-advies ten grondslag gelegd.

    In het BMA-advies is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld. De vreemdeling is bekend met psychische klachten. De behandeling bestaat uit maandelijkse consulten bij een psychiater over de medicatie, wekelijks bezoek aan een psycholoog, aangevuld met eventueel telefonisch contact, en medicatie. Het uitblijven van deze behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Daarbij is toegelicht dat de situatie van de vreemdeling is verslechterd, dat eigenlijk een opname aan de orde is en dat zonder behandeling sprake zal zijn van een mogelijk levensbedreigende verwaarlozing (waarschijnlijk door niet eten). Als reisvereiste is onder meer gesteld dat de vreemdeling aansluitend aan de reis moet worden overgedragen aan een psychiater ter beoordeling of een opname al dan niet noodzakelijk is. Daarbij zijn drie psychiatrische instellingen in Yerevan genoemd en een aantal psychiatrische instellingen in andere regio's. Voorts is behandeling, in algemeen medisch-technische zin, voor de medische klachten van de vreemdeling in Armenië aanwezig. Daarbij zijn dezelfde psychiatrische instellingen genoemd.

    In de brieven van 13 januari 2014 en 17 juli 2015 hebben de behandelaars gesteld dat het essentieel is dat de behandeling van de vreemdeling plaatsvindt in een voor haar veilige en vertrouwde omgeving. De behandelaars hebben daartoe, samengevat weergegeven, het volgende vermeld. Het zien van uniformen of personen in overheidskledij zorgt bij de vreemdeling voor een zeer angstverhogende en triggerende reactie. De vreemdeling heeft een zeer grote angst voor autoriteit. Die anticipatie is coherent verbonden met de door haar ervaren traumatisering en machteloosheid bij de mishandeling van haar man door de politie en aansluitend het verlies van haar kind door een miskraam als gevolg van stress. Ook de confrontatie met de Armeense taal en Armeense gelaatstrekken is belastend voor de vreemdeling. Dat betekent dat de vreemdeling bij terugkeer geen veiligheid zal kunnen ervaren omdat zij constant in een verhoogde staat van paraatheid en doemdenken zal zijn doordat in Armenië nog steeds veel geüniformeerden het dagelijks straatbeeld bepalen. Een therapeut of arts in Armenië zou bij het eerste contact ook een trigger kunnen vormen en aanjager kunnen zijn van de symptomen van de posttraumatische stressstroonis (hierna: ptss). Voor de vreemdeling staat Armenië gegeneraliseerd gelijk aan gevaar en geweld en zij is niet in staat dat te relativeren. Het besef dat zij zich in Armenië bevindt, de taal, de omgeving, haar woning, alles zal waarschijnlijk een trigger vormen voor de traumatische herinneringen van de vreemdeling en leiden tot toename van haar hoge angstniveau. Het is hoogst aannemelijk dat een terugkeer naar Armenië voor de vreemdeling een vorm van exposure zal zijn die ze psychisch niet kan verdragen en dat het risico op suïcide in dat scenario aanzienlijk is. Daarmee wordt behandeling in Armenië onmogelijk gemaakt.        

    Mede naar aanleiding van voormelde brieven zijn de BMA-nota's van 9 juni 2015 en 18 september 2015 uitgebracht. Het BMA heeft toegelicht dat behandeling van ptss mogelijk is in Armenië en dat de angsten van de vreemdeling in de behandeling een rol zullen spelen. Verder heeft het BMA toegelicht dat over een aantal zaken door een arts geen deugdelijk onderbouwde uitspraak kan worden gedaan, omdat dat niet tot de medische deskundigheid van de arts behoort. Volgens het BMA geldt dat eveneens voor de behandelaars. Daarbij is uiteengezet dat het niet te voorspellen is hoe de vreemdeling zal reageren, dat is uitgezocht of er behandeling voor haar mogelijk is en dat alle reacties die bij haar zullen gaan plaatsvinden onderdeel zullen vormen van de behandeling van de psychiater ter plaatse. Wat betreft de opmerking van de behandelaars over suïcidaliteit heeft het BMA gewezen op het in het BMA-advies gestelde reisvereiste van fysieke overdracht aan een psychiater ter plaatse en dat uit het bij de BMA-nota gevoegde brondocument BMA 6903 van 17 juni 2015 blijkt dat de psychiaters ter plaatse bekend zijn met suïcidaliteit. In voormeld brondocument is vermeld dat psychiatrische crisisinterventie in geval van een suïcidepoging beschikbaar is in twee van de in het BMA-advies genoemde psychiatrische instellingen.

3.2.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 13 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO0794) strekt, indien en voor zover de staatssecretaris een BMA-advies, waaronder begrepen eventueel nadien uitgebrachte aanvullende adviezen, aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien een vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een daartoe strekkende beroepsgrond beoordeelt of de staatssecretaris zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan heeft vergewist dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.                                        

Bij uitspraak van 20 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU9578, heeft de Afdeling overwogen dat uit de jurisprudentie van het CTG (onder meer de beslissing van 27 april 2010, ECLI:NL:TZGCTG:2010:YG0250, en de beslissing van 15 maart 2011, ECLI:NL:TZGCTG:2011:YG1004) volgt dat het BMA bij het uitbrengen van een advies aan de staatssecretaris over de medische situatie van een vreemdeling, indien en voor zover de door een behandelaar van de desbetreffende vreemdeling verstrekte informatie daartoe aanleiding geeft, dient te beoordelen of die informatie, mede gezien de hem reeds uit het dossier bekende gegevens over de medische situatie van die vreemdeling, aanleiding geeft tot gerede twijfel over de effectiviteit van de in het algemeen verkrijgbare medische behandeling of te leveren zorg in het land van herkomst dan wel het land waarnaar de vreemdeling wordt verwijderd, met name gelet op de aard van het trauma en de omstandigheden waaronder dat is veroorzaakt, althans gelet op die omstandigheden waarover het BMA kan worden geacht zich uit te laten. Daarbij dient het BMA, voor zover nader onderzoek niet mogelijk is, in zijn advies dan wel nota in ieder geval melding te maken van die gerede twijfel.

3.3.    Gezien de hiervoor onder 3.2 genoemde beslissingen van het CTG, die de Afdeling in dit kader als uitgangspunt neemt, heeft het BMA in de BMA-nota van 9 juni 2015 mogen volstaan met de opmerking dat een gevoel van (on)veiligheid subjectief is en medisch gezien niet objectiveerbaar en dat het voor een BMA-arts niet mogelijk is om een medisch gefundeerde uitspraak te doen over de vraag of de vreemdeling de behandelomgeving in Armenië als veilig zal ervaren. Daarbij is in aanmerking genomen dat de behandelaars weliswaar hebben vermeld welke in het verleden voorgevallen gebeurtenissen in het land van herkomst de klachten van de vreemdeling hebben veroorzaakt, maar - anders dan de rechtbank heeft overwogen - niet nader hebben geconcretiseerd hoe die gebeurtenissen, waarvan de staatssecretaris de daaraan ontleende vrees bij terugkeer niet aannemelijk heeft geacht, thans een effectieve voortzetting van de behandeling van de klachten van de vreemdeling in geheel Armenië onmogelijk maken. De staatssecretaris voert in dit verband terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in de BMA-nota van 18 september 2015 gemotiveerd is ingegaan op de zorgen en prognoses van de behandelaars en hun stellingen over het ontbreken van een veilige behandelomgeving voor de vreemdeling in geheel Armenië. Daarbij is van belang dat de omstandigheid dat de vreemdeling in het land van herkomst traumatische ervaringen heeft opgedaan en dat bij terugkeer haar angstklachten zullen toenemen, volgens vaste jurisprudentie van de CTG (onder meer beslissing van 18 september 2012, ECLI:NL:TGZCTG:2012:YG2335) onvoldoende is.

    De grief slaagt.

4.    In de tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ten onrechte de brief van 6 oktober 2015 van de behandelaars niet aan het BMA heeft voorgelegd nu daarin gemotiveerd is aangegeven dat de vreemdeling, anders dan in de BMA-nota van 18 september 2015 is geconcludeerd, afhankelijk is van mantelzorg. De staatssecretaris voert aan dat het BMA reeds in het BMA-advies en de BMA-nota van 18 september 2015 heeft gereageerd op de gestelde afhankelijkheid van mantelzorg en dat de brief van 6 oktober 2015 geen nieuwe medische omstandigheden bevat.

4.1.    In het BMA-advies is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld. Er wordt mantelzorg aan de vreemdeling gegeven door een vrijwilliger die als oma fungeert. Verder is er drie tot vier keer per week thuiszorg, die de vreemdeling stimuleert om te eten en medicatie in te nemen en voor opvoedingsondersteuning. Vermeld is dat thuiszorg aanwezig is in Armenië en dat een onderzoek naar de aanwezigheid van mantelzorg buiten de competentie van de BMA-arts valt.

    In de BMA-nota van 18 september 2015 is vermeld dat de vreemdeling voor het welslagen van haar behandeling niet afhankelijk is van mantelzorg. Het vervullen van een moeder- of oma-rol en het ondernemen van activiteiten met het gezin is niet gelijk te stellen aan mantelzorg die nodig is om de behandeling te doen slagen of zonder welke behandeling niet mogelijk is. Voorts is vermeld dat de thuiszorg let op de inname van de medicatie en, onder verwijzing naar eerder aangehaalde bronnen, dat thuiszorg aanwezig is in Armenië.

    Bij brief van 6 oktober 2015 hebben de behandelaars van de vreemdeling herhaald dat mantelzorg noodzakelijk is en dat het BMA heeft miskend dat mantelzorg onbetaalde zorg is die wordt verleend door één of meerdere leden uit de directe omgeving van de zorgbehoevende. Voorts wijzen de behandelaars op de in hun brief van 17 juli 2015 naar voren gebrachte ophoging van het aantal uren mantelzorg en de verlenging daarvan.

4.2.    De brief van 17 juli 2015 is in de BMA-nota van 18 september 2015 betrokken. Het BMA is aldus reeds van de in de brief van 6 oktober 2015 gegeven uitleg van de aan de vreemdeling verleende mantelzorg uitgegaan. Mede gelet op het voorgaande, heeft de staatssecretaris terecht aangevoerd dat de behandelaars in de brief van 6 oktober 2015 geen nieuwe medische omstandigheden naar voren hebben gebracht waarover de staatssecretaris het BMA een nader advies had moeten vragen.

    De grief slaagt.

5.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit alsnog ongegrond verklaren. Aan de beoordeling van de beroepsgrond over de gestelde misstanden in psychiatrische klinieken in Armenië wordt niet toegekomen. De rechtbank heeft over deze beroepsgrond uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Geen sprake is van nauwe verwevenheid tussen dit oordeel dan wel onderdelen van het besluit waarop het betrekking heeft, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgrond valt thans dientengevolge buiten het geschil.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 27 juli 2016 in zaak nr. 15/19995;

III.    verklaart het door de vreemdeling in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, griffier.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Willems

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2017

154-826.