Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1968

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
19-07-2017
Zaaknummer
201603987/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 oktober 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3782
Module Ruimtelijke ordening 2017/7820 met annotatie van M.G.O. De lange
JOM 2017/764
OGR-Updates.nl 2017-0180
Jurisprudentie Grondzaken 2017/198 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201603987/1/A2.

Datum uitspraak: 19 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 15 april 2016 in zaak nr. 15/3748 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Medemblik.

Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2014 heeft het college het verzoek van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 6 juli 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 april 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 april 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.J. Boekel, advocaat te Medemblik, en het college, vertegenwoordigd door mr. H. Bas, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Inleiding

2.    [appellant] was ten tijde van belang eigenaar van een perceel met woning aan het [locatie A] te Medemblik.

    Op 18 december 2013 heeft hij verzocht om een tegemoetkoming in planschade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Medemblik-Binnenstad", op 20 maart 2009 (hierna: het nieuwe bestemmingsplan). Dit bestemmingsplan, dat is vastgesteld op 8 december 2008, maakt het mogelijk om op het naastgelegen perceel [locatie B] een hotel/restaurant te realiseren met een goot- en nokhoogte van maximaal 11 m respectievelijk 15 m. [appellant] stelt dat de bouwmassa is toegenomen. Voorts stelt hij dat de overlast is toegenomen door de huisvesting van buitenlandse werknemers. Dit heeft volgens hem geleid tot aantasting van zijn privacy en vermindering van zijn woongenot. Zijn woning is in 2008 getaxeerd op € 325.000,00 en hij heeft zijn woning in april 2013 verkocht voor een bedrag van € 191.500,00, aldus [appellant].

Adviezen en besluitvorming

3.    Het college heeft voor het op de aanvraag te nemen besluit advies gevraagd aan Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ).

    In een advies van oktober 2014 heeft de SAOZ de mogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan vergeleken met de mogelijkheden van het voorheen geldende bestemmingsplan "Oost 1986" (hierna: het oude bestemmingsplan), inclusief een bij besluit van 7 juli 2005 met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleende vrijstelling voor het realiseren van een hotel/restaurant op het perceel [locatie B] met een goothoogte van 8,1 m, een nokhoogte van 12,5 m en een gemiddelde bebouwingsdiepte van 20,95 m. De SAOZ heeft geconcludeerd dat de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan voor [appellant] niet heeft geleid tot een nadeliger positie waaruit op de voet van artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) voor tegemoetkoming vatbare schade in de vorm van waardevermindering is voortgevloeid.

    Het college heeft dit advies ten grondslag gelegd aan het besluit van 27 oktober 2014.

    Naar aanleiding van het door [appellant] ingediende bezwaar heeft het college opnieuw advies gevraagd aan de SAOZ. Zij heeft in een herzien advies van maart 2015 wat betreft de bouwmogelijkheden geconcludeerd dat de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan, mede gelet op de situering van het pand, per saldo geen significante wijzigingen voor de bouwmassa met zich brengt. De goot- en nokhoogte van het hoofdgebouw nemen weliswaar toe van 8,1 m respectievelijk 12,5 m naar 11 m respectievelijk 15 m, maar de bouwdiepte neemt af van 20,95 m naar 15 m, aangezien in het nieuwe bestemmingsplan slechts een bouwdiepte van 15 m is opgenomen. Het verschil in bouwdiepte valt onder het overgangsrecht en wordt als zodanig niet bij de planvergelijking betrokken. De zonlichttoetreding en schaduwwerking is evenmin in een voor [appellant] nadelige zin gewijzigd, aldus het advies van maart 2015.

Het hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich onder verwijzing naar het advies van de SAOZ van maart 2015 terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij door de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan per saldo niet in een nadeliger positie is komen te verkeren. Hij voert daartoe aan dat op het perceel [locatie B], nadat bij het besluit van 7 juli 2005 vrijstelling met bijbehorende bouwvergunning was verleend, een hotel/restaurant is gebouwd met een diepte van 20,95 m, terwijl in het nieuwe bestemmingsplan slechts een diepte is opgenomen van 15 m. Nu niet wordt beoogd om binnen de planperiode aan deze met het bestemmingsplan strijdige situatie een einde te maken, dient de bouwdiepte van 20,95 m te worden betrokken bij de planvergelijking, aldus [appellant].

4.1.    Artikel 6.1, van de Wro luidt als volgt:

"1. Burgemeester en wethouders kennen degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

2. Een oorzaak als bedoeld in het eerste lid is:

    a. een bepaling van een bestemmingsplan […]."

    Artikel 6.1.3.4, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) luidt als volgt:

"De adviseur adviseert het bestuursorgaan over de hoogte van de toe te kennen tegemoetkoming en doet, indien het bestuursorgaan een daartoe strekkend verzoek heeft gedaan, voorstellen voor maatregelen of voorzieningen waardoor de schade, anders dan door een tegemoetkoming in geld, kan worden beperkt of ongedaan gemaakt. Heeft een schadeoorzaak als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de wet voor de benadeelde naast schade tevens voordeel opgeleverd, dan wordt dit voordeel bij het advies over de te vergoeden schade in aanmerking genomen."

4.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3022), volgt uit artikel 6.1.3.4, tweede lid, van het Bro, dat voor- en nadelen die een planologische wijziging met zich brengt voor het vaststellen van de te vergoeden planschade met elkaar mogen worden verrekend.

4.3.    De Afdeling stelt, in navolging van de rechtbank, vast dat de SAOZ het nadeel ten aanzien van de in het bestemmingsplan opgenomen hogere goot- en nokhoogte (van 8,1 m respectievelijk 12,5 m naar 11 m respectievelijk 15 m) heeft verrekend met het voordeel ten aanzien van de afname van de in het bestemmingsplan opgenomen bouwdiepte (van 20,95 m naar 15 m).    

4.4.    Ter zitting bij de Afdeling heeft de gemachtigde van het college desgevraagd toegelicht dat de planwetgever ervoor heeft gekozen om in het nieuwe bestemmingsplan op gronden, ter hoogte van het perceel [locatie B] en de naastgelegen percelen, één bouwvlak op te nemen, met een bouwdiepte van maximaal 15 m. Zij heeft bevestigd dat er geen beoordeling heeft plaatsgevonden op perceelsniveau en dat evenmin is onderzocht of de bouwdiepte van maximaal 15 m in overeenstemming is geweest met de werkelijke bouwdiepte. De gemachtigde heeft voorts bevestigd dat, nu bij het besluit van 7 juli 2005 vrijstelling met bouwvergunning was verleend voor het bouwen met een diepte van 20,95 m en vervolgens in overeenstemming met die bouwvergunning is gebouwd, ten tijde van het nemen van het vaststellingsbesluit op 8 december 2008 niet het voornemen bestond om binnen de planperiode een einde te maken aan de met het nieuwe bestemmingsplan strijdige bouwdiepte van 20,95 m. Zij heeft verklaard dat evenmin ervan werd uitgegaan dat de eigenaar van het perceel [locatie B] de bebouwing, voor zover deze dieper is dan in het bestemmingsplan is opgenomen, binnen de planperiode zou gaan afbreken. Gelet hierop bestond, zoals ook de gemachtigde ter zitting heeft bevestigd, ten tijde van de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan niet de gerechtvaardigde verwachting dat de met het nieuwe bestemmingsplan strijdige situatie zou worden opgeheven.

    Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat het  college, onder verwijzing naar het herziene advies van de SAOZ, in redelijkheid niet de afname van de bouwdiepte van 20,95 m naar 15 m mocht aanmerken als een voordeel. Dientengevolge heeft het college, onder verwijzing naar dit advies, de afgenomen bouwdiepte niet mogen verrekenen met de toegenomen goot- en nokhoogte. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

    Het betoog slaagt.

Tussenconclusie

5.    De conclusie is dat het besluit van 6 juli 2015 is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Awb.

Opdracht

6.    De Afdeling ziet, in het belang van een spoedige beëindiging van het geschil, aanleiding het college op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het hiervoor in overwegingen 4.4 en 5 vastgestelde gebrek in het besluit op bezwaar binnen dertien weken na verzending van de tussenuitspraak te herstellen en zo nodig te wijzigen, door dit besluit alsnog toereikend te motiveren. Daartoe dient het college een nader deskundigenadvies in te winnen. In dat advies dient een nieuwe planvergelijking te worden gemaakt, waarbij geen verrekening van het voordeel wordt toegepast. Ingeval in dat advies wordt geconcludeerd dat [appellant] door de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan in een nadeliger situatie is komen te verkeren, dient in dat advies tevens te worden ingegaan op de vraag of daaruit voor vergoeding vatbare schade in de vorm van waardevermindering van de (voormalige) woning van [appellant] is voortgevloeid en wat de hoogte is daarvan. Bovendien dient beoordeeld te worden of deze schade voor vergoeding in aanmerking komt.

Slotopmerking

7.    In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt het college van burgemeester en wethouders van Medemblik op om binnen dertien weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

a.     met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 6 juli 2015, kenmerk Z-14-49484 te herstellen, en

b.      de Afdeling de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en dit ook aan de Afdeling toe te zenden.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Nales

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2017

680.