Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1965

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
19-07-2017
Zaaknummer
201600845/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Roodeschool - Eemshaven" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2017/7804 met annotatie van G. van den End
JOM 2017/770
JM 2017/102 met annotatie van F. Arents
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600845/1/R3.

Datum uitspraak: 19 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellante sub 1], gevestigd te Uithuizermeeden, waarvan de maten zijn [maat A], [maat B] en [maat C], allen wonend te Uithuizermeeden, gemeente Eemsmond,

2.    [appellante sub 2], gevestigd te Roodeschool, gemeente Eemsmond,

en

de raad van de gemeente Eemsmond,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 december 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "Roodeschool - Eemshaven" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en [appellante sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellante sub 1], [appellante sub 2] en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellante sub 1] en [appellante sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2016, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [maat A] en mr. B. Timmermans, rechtsbijstandverlener te Assen, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door B. Luurtsema, mr. Sj. B. Klein, J.R. Mulder, bijgestaan door mr. W.R. van der Velde, advocaat te Groningen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting ProRail B.V., vertegenwoordigd door R.H. Wiemer, E.J. Mol en ing. M.E. Eikelboom, gehoord.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heropend teneinde [appellante sub 2] in de gelegenheid te stellen te reageren op het door de raad overgelegde geluidrapport "Akoestisch onderzoek laagfrequent geluid nieuwe halte Roodeschool" van 9 november 2016. Bij brief van 24 maart 2017 heeft [appellante sub 2] van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De raad heeft daarna een aanvullende schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gelaten, waarna de Afdeling het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

Planbeschrijving en achtergrond

1.    Het plan heeft betrekking op de spoorlijn Roodeschool-Eemshaven. In de huidige situatie rijden op deze spoorlijn tussen station Roodeschool en de aftakking Emma- en Julianahaven in Eemshaven alleen goederentreinen. ProRail en de provincie Groningen hebben het voornemen geuit om op dit traject personenvervoer mogelijk te maken teneinde de Eemshaven beter te ontsluiten en de verbinding tussen het Waddeneiland Borkum en het vasteland te bevorderen. Om dit te bewerkstelligen zal de bestaande spoorlijn geschikt worden gemaakt voor personenvervoer en zal deze spoorlijn met ongeveer 3 km worden verlengd tot aan de bootterminal van de veerboot naar Borkum, waar een nieuw treinstation zal worden opgericht. Verder zal het huidige station Roodeschool worden verplaatst naar een locatie bij het doorgaande tracé richting de Eemshaven. Het plan voorziet in deze ontwikkelingen.

    [appellante sub 1] exploiteert een agrarisch bedrijf. Zij heeft twee bedrijfslocaties, aan de [locatie 1] te Uithuizermeeden en de [locatie 2] te Oudeschip. Verder heeft zij gronden in eigendom in de omgeving van de Meeuwenstaartweg te Eemshaven, in de nabijheid van de spoorlijn. [appellante sub 2] exploiteert een melkveehouderij aan de [locatie 3] en [locatie 4] te Roodeschool. Deze locatie ligt in de directe nabijheid van de gronden waar het nieuwe station Roodeschool is voorzien. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] vrezen dat zij als gevolg van het plan onder meer ernstige trillinghinder en geluidoverlast zullen ondervinden en hebben daarom beroep tegen het plan ingesteld.

Ter zitting ingetrokken

2.    Ter zitting heeft [appellante sub 1] haar beroepsgrond over de basis van de prognose van de trillingssterkten in de woning aan de [locatie 1] en haar beroepsgrond over het onderzoek naar de schade aan haar bedrijfsbebouwing als gevolg van trillingen ingetrokken. Verder hebben [appellante sub 1] en [appellante sub 2] ter zitting hun beroepsgrond ingetrokken die inhield dat getwijfeld kan worden aan de conclusie in het aan het plan ten grondslag gelegde akoestisch onderzoek "Spoorlijn Roodeschool - Eemshaven Akoestisch onderzoek Toetsing aan geluidproductieplafonds" van Royal HaskoningDHV van maart 2015 dat het geluidproductieplafond op geen enkele locatie in het plangebied wordt overschreden.

Formeel

Procesbelang

3.    De raad stelt dat het beroep van [appellante sub 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege het ontbreken van belang bij de beoordeling van het beroep. Daartoe stelt de raad dat het plan geen fysieke of planologische wijziging aanbrengt ter plaatse van de bestaande spoorlijn in de nabijheid van de bedrijfspanden van [appellante sub 1]. Alle beroepsgronden van [appellante sub 1] hebben volgens de raad betrekking op effecten die het gevolg zijn van de wijziging van het gebruik van het spoor, zoals de wijziging van de maximumsnelheid van de goederentreinen en het toestaan van personentreinen op dit traject. Deze effecten zijn volgens de raad geen gevolg van de vaststelling van het plan maar een gevolg van besluitvorming door andere instanties. [appellante sub 1] kan met de vernietiging van het plan volgens de raad dan ook niet in een gunstiger positie geraken.

    Ten aanzien van het beroep van [appellante sub 2] heeft de raad zich op eenzelfde standpunt gesteld, voor zover dat beroep zich richt tegen de ruimtelijke effecten van een wijziging van het gebruik van de bestaande spoorlijn in de nabijheid van het bedrijf van [appellante sub 2].

3.1.    [appellante sub 1] en [appellante sub 2] willen met hun beroep bereiken dat zij vanwege het gebruik van het spoor geen onaanvaardbare overlast zullen ondervinden. De Afdeling stelt vast dat de [appellante sub 1] en [appellante sub 2] gronden hebben in de nabijheid van gronden waaraan in het plan de bestemming "Verkeer - Railverkeer" is toegekend. Nu het plan op grond van deze bestemming onder meer spoorvoorzieningen mogelijk maakt, kunnen [appellante sub 1] en [appellante sub 2] ruimtelijke effecten hiervan ondervinden, bijvoorbeeld vanwege het passeren van treinen. Dat op deze gronden reeds een spoorlijn ligt die in het vorige plan als zodanig is bestemd, betekent niet dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het bestreden plan op voorhand vaststaat. Gelet op het voorgaande hebben [appellante sub 1] en [appellante sub 2] belang bij een beoordeling van het besluit van 3 december 2015.

Goede procesorde

4.    [appellante sub 2] en [appellante sub 1] hebben betoogd dat de brief van de raad van 17 november 2016 met de daaraan gehechte bijlagen wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moet worden gelaten. Volgens hen zijn deze stukken, mede gelet op de omvang daarvan, te laat ingediend. Daarbij wijzen zij erop dat deze brief van de raad een reactie is op het deskundigenbericht en dat de termijn om te reageren op het deskundigenbericht op 11 oktober 2016 afliep.

4.1.    Ingevolge artikel 8:58 van de Awb kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen, zij het dat die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde zich daartegen verzet, is in het algemeen bepalend een afweging van de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende stukken pas in een laat stadium zijn toegezonden, de mogelijkheid voor andere partijen om adequaat op die stukken te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer.

    De Afdeling stelt vast dat de brief van de raad van 17 november 2016 met de daaraan gehechte bijlagen door de Afdeling op 18 november 2016 is ontvangen, derhalve 11 dagen vóór de zitting. De Afdeling ziet in de omvang en de inhoud van de brief van 17 november 2016, de e-mail van het Waterschap Noorderzijlvest van 19 oktober 2016 en het taxatierapport van Noordelijke Rentmeesters B.V. geen aanleiding voor het oordeel dat zij wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing moeten worden gelaten.

    Het geluidrapport "Akoestisch onderzoek laagfrequent geluid nieuwe halte Roodeschool" van 9 november 2016 heeft betrekking op de mogelijke geluidhinder vanwege het laagfrequent geluid afkomstig van het nieuwe station Roodeschool op de woning van [appellante sub 2] aan de [locatie 4]. Gelet op de omvang en inhoud van dit rapport heeft de Afdeling na de zitting het vooronderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Awb heropend teneinde [appellante sub 2] in de gelegenheid te stellen op dit rapport te reageren, van welke gelegenheid zij gebruik heeft gemaakt. Nu [appellante sub 2] alsnog in de gelegenheid is gesteld om op het rapport te reageren, bestaat in zoverre evenmin aanleiding om dit stuk wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten.

Inhoudelijk

Toetsingskader

5.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Water

6.    [appellante sub 1] en [appellante sub 2] voeren aan dat de watertoets "Roodeschool -Eemshaven Reizigersvervoer - Waterhuishoudkundig plan" van Royal HaskoningDHV van maart 2015 (hierna: de watertoets) ten onrechte niet ter inzage is gelegd.

6.1.    Artikel 3:11, eerste lid, van de Awb luidt: "Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage."

    Artikel 6:22 luidt: "Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld."

6.2.    In paragraaf 4.1.6 van de toelichting op het ontwerpplan is vermeld dat afstemming tussen de initiatiefnemer en waterbeheerders nodig is teneinde negatieve effecten van de aanpassingen op het watersysteem te voorkomen. Dit proces van informeren, adviseren en implementeren van advies van waterbeheerders wordt de watertoets genoemd. Om te kunnen opereren in overeenstemming met de Kaderrichtlijn Water en de Waterwet is het volgens de plantoelichting van belang om de bestaande waterhuishoudkundige situatie op een duurzame manier in stand te kunnen houden, zowel kwalitatief als kwantitatief. De gevolgen van het project voor de bestaande waterhuishouding moeten daarom inzichtelijk zijn. Verder is vermeld dat de in de watertoets gemaakte afspraken als onderlegger dienen bij het definitieve ontwerpplan en de uiteindelijke vergunningaanvraag in het kader van de Waterwet. Vervolgens is in de toelichting op het ontwerpplan weergegeven welke effecten voor de waterhuishouding zijn te verwachten wanneer daarmee geen rekening wordt gehouden. Verder is vermeld welke uitgangspunten met betrekking tot de waterhuishoudkundige situatie zijn vastgesteld en hoe deze uitgangspunten zijn meegenomen in het plan.

    Gezien de inhoud van paragraaf 4.1.6 van de toelichting op het ontwerpplan is de watertoets betrokken bij de totstandkoming van het plan. Naar het oordeel van de Afdeling dient de watertoets daarom te worden aangemerkt als een op de zaak betrekking hebbend stuk dat redelijkerwijs nodig was voor de beoordeling van het ontwerp, als bedoeld in artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. Nu de watertoets niet met het ontwerpplan ter inzage heeft gelegen, is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb.

    Onder verwijzing naar haar uitspraak van 6 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1867, ziet de Afdeling aanleiding met toepassing van artikel 6:22 van de Awb dit gebrek te passeren. Daartoe heeft zij laten wegen dat de toelichting bij het ontwerpplan de watertoets vermeldt, zodat belanghebbenden van het bestaan van de watertoets op de hoogte konden zijn. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hadden het gebrek in een zienswijze over het ontwerp van het plan aan de orde kunnen stellen dan wel de watertoets gedurende de terinzagelegging van het ontwerp kunnen opvragen en kunnen verkrijgen, opdat zij dit konden betrekken bij hun zienswijze. In verweer is de watertoets alsnog door de raad overgelegd. Verder is niet aannemelijk dat andere belanghebbenden zijn benadeeld, omdat aangenomen mag worden dat ook zij een zienswijze naar voren hadden kunnen brengen waarin zou zijn gewezen op het niet ter inzage gelegd zijn van de watertoets dan wel dat zij, na desgevraagd daarin inzage te hebben gekregen, na kennisneming daarvan een zienswijze naar voren konden brengen.

7.    [appellante sub 1] betoogt dat de watertoets onvoldoende inzichtelijk maakt wat de gevolgen van het plan zijn voor de waterhuishouding op haar bedrijfspercelen. Volgens [appellante sub 1] vermeldt de plantoelichting dat als gevolg van de aanleg van de nieuwe spoorlijn verlies aan bergingscapaciteit van het water zal optreden, waarvoor geen compensatie is vastgesteld. Volgens haar zullen de gebruiksmogelijkheden van haar bedrijfspercelen hierdoor onaanvaardbaar verslechteren. Zij wijst er daarbij op dat een gemaal, De Liew, dat ervoor zorgt dat geen zoute kwel de gewaspercelen bereikt, buiten bedrijf wordt gesteld. De afvoer van zout water vindt volgens [appellante sub 1] nu onvoldoende plaats. In reactie op het deskundigenbericht heeft [appellante sub 1] erop gewezen dat het in het deskundigenbericht genoemde alternatief, het gemaal De Stern, niet in staat is om voor voldoende compensatie te zorgen.

7.1.    In paragraaf 4.1.6 van de plantoelichting is vermeld dat bij de primaire waterkering het spoortracé wordt verlengd. Hierbij wordt het tracé als het ware over het dijklichaam getild. De Meeuwenstaartweg wordt verlegd en kruist de dijk parallel aan het spoor. Ten gevolge van de aan te brengen taluds, wordt de hoofdwatergang Kinkhoornriet deels (ongeveer 700 m²) gedempt, waarbij de doorvoer gegarandeerd wordt door middel van een koker met een minimale dwarsdoorsnede van 1250 mm. Ten gevolge van het verlies van berging wordt ter compensatie gezocht naar de beste oplossing voor een nieuwe watergang in de buurt van het tracé ter grootte van 700 m². Op de locatie van de genoemde demping is momenteel een verdeelkunstwerk aanwezig waarmee polderwater geloosd kan worden via een buitendijks gelegen ondergrondse leiding naar gemaal "De Liew". De functie van de ondergrondse leiding en het gemaal zullen komen te vervallen. Ten behoeve van de lozingsfunctie vanuit de polders wordt in de toekomst waarschijnlijk gemaal "De Stern" ingezet. Het is hiervoor niet nodig bovengenoemd kunstwerk elders te realiseren, aldus de plantoelichting.

    In het deskundigenbericht is vermeld dat ter plaatse van de aansluiting van de nieuwe spoorlijn op de bestaande spoorlijn gevolgen zullen optreden voor de waterhuishouding. Verder is aangeven dat de daar gelegen bedrijfspercelen van [appellante sub 1] afwateren op watergangen in dit gebied en dat er gedeeltelijke demping van een watergang (de Kinkhoornriet) zal plaatsvinden. Dit kan volgens het deskundigenbericht voor de bedrijfsvoering van [appellante sub 1] een negatieve invloed hebben, bestaande uit vernatting van de percelen doordat hemelwater onvoldoende wordt afgevoerd en verzouting doordat zout kwelwater onvoldoende wordt afgevoerd. Het deskundigenbericht vermeldt verder dat een omleiding met een nieuwe ondergrondse leiding naar het gemaal de Stern gerealiseerd zal worden, waarvoor nog een besluit op grond van de Waterwet zal worden genomen. In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat uit de watertoets blijkt dat de negatieve gevolgen voor de waterhuishouding ter plaatse van de percelen van [appellante sub 1] voldoende gecompenseerd kunnen worden.

    Gelet op hetgeen in de plantoelichting en het deskundigenbericht is weergegeven ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt wat de gevolgen van het plan zijn voor de waterhuishouding op de bedrijfspercelen van [appellante sub 1]. Voor zover [appellante sub 1] stelt dat het gemaal De Stern niet in staat is om te zorgen voor voldoende watercompensatie, heeft de raad gewezen op een e-mail van 19 oktober 2016 van een ambtenaar van het waterschap Noorderzijlvest. Uit deze e-mail komt naar voren dat tijdelijke afwateringsvoorzieningen in de nabijheid van de gronden van [appellante sub 1] zijn neergezet om negatieve gevolgen voor de waterhuishouding te voorkomen. Verder worden in deze e-mail verschillende permanente afwateringsoplossingen voorgedragen die volgens deze e-mail op dit moment worden onderzocht op hun technische haalbaarheid en de kosten. Zolang dit onderzoek nog gaande is, zal er volgens deze e-mail door middel van de tijdelijke afwateringsvoorzieningen water worden afgevoerd. Gelet op hetgeen in de e-mail is weergegeven ziet de Afdeling geen aanleiding om te veronderstellen dat er geen adequate oplossing zal kunnen worden gevonden om negatieve gevolgen voor de waterhuishouding op de percelen van [appellante sub 1] te voorkomen. De raad heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gebruiksmogelijkheden op de bedrijfspercelen van [appellante sub 1] vanwege het water niet onaanvaardbaar zullen verslechteren.

    In het aangevoerde ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanwege het aspect water niet in redelijkheid het plan heeft kunnen vaststellen. Het betoog faalt.

Verwijdering spoorwegovergang

8.    [appellante sub 1] voert aan dat het plan leidt tot een afsluiting van de onbewaakte spoorwegovergang voor landbouwverkeer in het baanvak van het spoor tussen de Greedeweg en de Polderdwarsweg. Dit leidt volgens [appellante sub 1] ertoe dat zij haar agrarische percelen minder goed kan bereiken waardoor zij volgens haar schade ondervindt. De raad heeft hiermee bij de belangenafweging volgens [appellante sub 1] onvoldoende rekening gehouden.

Dit klemt volgens [appellante sub 1] te meer omdat volgens haar geen noodzaak bestaat voor de afsluiting. Bovendien leidt de afsluiting tot verkeersonveiligheid voor fietsers op de door de raad voorgestelde alternatieve route, waarbij het landbouwverkeer van [appellante sub 1] gebruik maakt van de spoorwegovergang op de Greedeweg.

8.1.    Voor zover [appellante sub 1] betoogt dat er geen noodzaak is om de spoorwegovergang af te sluiten, heeft de raad gewezen op het rapport "Roodeschool -  Eemshaven, Reizigersvervoer, Overwegen, Inventarisatie, risicoanalyse en verbetervoorstellen" van Railinfra Solutions V.O.F. van 18 september 2015. In dit rapport is met betrekking tot de genoemde spoorwegovergang aangegeven dat door het rijden van reizigerstreinen de treinfrequentie op het traject tussen Roodeschool en Eemshaven toeneemt. Verder is aangegeven dat de maximale snelheid op het traject wordt verhoogd van 30 km/h naar 80 km/h. Beide omstandigheden leiden tot een negatieve impact op de overwegveiligheid van de spoorwegovergang.

    Gelet op de inhoud van het rapport is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid meer gewicht heeft kunnen toekennen aan het belang van de verkeersveiligheid, dat is gediend bij sluiting van de genoemde spoorwegovergang, dan aan het belang van [appellante sub 1] bij behoud van de genoemde spoorwegovergang. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat tussen [appellante sub 1] en ProRail gesprekken gaande zijn over vergoeding van de schade die [appellante sub 1] als gevolg van de afsluiting van de spoorwegovergang zal ondervinden. Het betoog faalt.

Trillingen

9.    De raad heeft aan het plan onder meer het rapport "Trillingsonderzoek spoor Roodeschool - Eemshaven" van DGMR van 15 oktober 2015 (hierna: het trillingsonderzoek) ten grondslag gelegd.

    In hoofdstuk 3 van het trillingsonderzoek is vermeld dat voor de beoordeling van trillingen vanwege de spoorlijn de situatie is onderzocht en beoordeeld voor de bedrijfswoningen van [appellante sub 1] en [appellante sub 2]. Daarbij is aangesloten bij de Meet- en beoordelingsrichtlijn trillingen van de Stichting BouwResearch, uitgave augustus 2002, deel B, Hinder voor personen in gebouwen (hierna: SBR-richtlijn B). In hoofdstuk 4 van het trillingsonderzoek is vervolgens de onderzoeksopzet weergegeven. Voor het opstellen van een prognose van trillinghinder afkomstig van de spoorlijn is de trillingsoverdracht van het spoor naar de qua trillingen meest relevante woning, de bedrijfswoning op het perceel [locatie 1], bepaald met behulp van een testtrein. Met die trein is tevens de relatie tussen de trillingbronsterkte en de rijsnelheid bepaald. Voor hogere toekomstige rijsnelheden heeft extrapolatie plaatsgevonden. Verder is door middel van metingen de bronsterkte van de reizigerstreinen op het tracé Roodeschool - Groningen bepaald; de bronsterkte van goederentreinen is gebaseerd op bodemmetingen uit het project "Derde spoor Zevenaar - Duitse grens". De bronsterktes van de genoemde reizigerstreinen en goederentreinen zijn gecorrigeerd voor onderscheidenlijk hogere en lagere (toekomstige) rijsnelheden. Vervolgens is een trillingsprognose opgesteld voor de woningen [locatie 1] en [locatie 4], vertaald in een prognose van de gemiddelde trillingssterkte (Vper) en de maximale trillingsterkte (Vmax) voor deze woningen. In hoofdstuk 7 van het trillingsonderzoek is vermeld dat de maximale trillingssterkte in de woning op het perceel [locatie 1] naar verwachting zal toenemen van 0,15 Vmax naar 0,19 Vmax en dat deze waarde voldoet aan de streefwaarde A2 van 0,2 Vmax geldend voor de nachtperiode. Omdat de Vper voldoet aan de streefwaarde A3 voor nieuwe situaties, is in hoofdstuk 8 van het trillingsonderzoek geconcludeerd dat met de verwachte trillingssterkte wordt voldaan aan de streefwaarden voor nieuwe situaties uit SBR-richtlijn B.

10.    [appellante sub 1] en [appellante sub 2] betogen dat het plan als gevolg van ernstige trillinghinder leidt tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat ter plaatse van hun bedrijfswoningen. Daartoe stellen zij dat de hinder door trillingen vanwege de spoorlijn door de raad is onderschat, omdat het aan het plan ten grondslag gelegde trillingsonderzoek meerdere onjuistheden bevat. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijzen [appellante sub 1] en [appellante sub 2] naar het rapport "Beoordeling trillingsonderzoek bestemmingsplanwijziging spoorlijn Roodeschool - Eemshaven" van Sonus van 22 februari 2016 (hierna: het rapport van Sonus).

    [appellante sub 1] en [appellante sub 2] voeren in dit kader allereerst aan dat in het trillingsonderzoek ten onrechte is uitgegaan van een maximale rijsnelheid voor goederentreinen van 60 km/u, te meer nu in de toelichting bij het ontwerpplan is vermeld dat de maximumsnelheid voor goederentreinen op het spoortraject 80 km/u zal bedragen.

10.1.    Ter zitting is van de zijde van ProRail toegelicht dat het technisch niet mogelijk is om op deze spoorlijn met goederentreinen sneller te rijden dan 60 km/u. In het deskundigenbericht is vermeld dat in het trillingsonderzoek voor de berekening van de trillingsniveaus in de huidige situatie is uitgegaan van een maximumsnelheid voor goederentreinen van 40 km/u en dat voor de toekomstige situatie is uitgegaan van een maximumsnelheid voor goederentreinen van 60 km/u en voor reizigerstreinen van een maximumsnelheid van 80 km/u. Voor het bepalen van deze snelheden is aangesloten bij de Netverklaring 2017, die de randvoorwaarden bevat voor het gebruik van het spoor, waaronder de maximumsnelheid op een bepaald baanvak. Uit de op grond van artikel 58, eerste lid, van de Spoorwegwet opgestelde Netverklaring 2017 volgt dat op het traject Roodeschool - Eemshaven voor goederentreinen een maximumsnelheid van 60 km/u geldt.

    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad wat betreft de snelheid van goederentreinen ter plaatse, deze terecht bepaald op 60 km/u.

Voor zover [appellante sub 1] en [appellante sub 2] erop wijzen dat in de toelichting bij het plan een maximumsnelheid van 80 km/u voor goederentreinen is genoemd, stelt de Afdeling vast dat de toelichting op dit punt, gelet op de hiervoor weergegeven inhoud van de Netverklaring 2017, feitelijk onjuist is. Het betoog faalt.

11.    [appellante sub 1] en [appellante sub 2] voeren aan dat de wijze waarop de bronsterkte van goederentreinen in het trillingsonderzoek is bepaald ondeugdelijk is. Zij wijzen erop dat deze bronsterkte is gebaseerd op meetresultaten van het traject Zevenaar - Duitse grens. Volgens hen is evenwel niet vastgesteld dat de bodemgesteldheid ter plaatse van dit traject identiek is aan die van het betrokken traject. Voorts is volgens hen in het trillingsonderzoek ten onrechte alleen ingegaan op de bronsterkte in verticale richting.

11.1.    In het trillingsonderzoek staat dat ter bepaling van de bronsterkte van de goederentreinen gebruik is gemaakt van meetdata van goederentreinen op het traject Zevenaar - Duitse grens.

    Volgens het deskundigenbericht is het niet onlogisch dat gebruik is gemaakt van deze meetdata, omdat in de huidige situatie op het spoortraject Roodeschool - Eemshaven slechts één keer per maand en op onregelmatige basis een goederentrein rijdt en de toegestane rijsnelheid in de huidige situatie beperkt is tot 40 km/u. Verder vermeldt het deskundigenbericht dat het voor de statistische betrouwbaarheid van belang is dat relatief veel treinpassages worden gemeten en dat daarbij sprake is van een hogere toegestane rijsnelheid. Het traject Zevenaar - Duitse grens voldoet volgens het deskundigenbericht aan deze voorwaarden. Voorts is volgens het deskundigenbericht de spooruitvoering op dit traject identiek aan het betrokken spoortraject, te weten voegloos spoor op betonnen dwarsliggers in een ballastbed.

    Wat betreft de bodemgesteldheid van het traject Zevenaar - Duitse grens vermeldt het deskundigenbericht weliswaar dat nader onderzoek noodzakelijk is om te kunnen aangeven hoe groot het effect van een afwijkende bodemgesteldheid op de berekende trillingssterkte zal zijn, maar uit het deskundigenbericht valt tevens af te leiden dat het effect in de voorliggende situatie waarschijnlijk beperkt is, omdat de bronmetingen zijn uitgevoerd op relatief korte afstand van het spoor en de bodemdemping voor een deel ook wordt bepaald door de bovenbouwconstructie, waaronder het ballastbed, die in Zevenaar identiek is aan die van het betrokken traject.

    Ten aanzien van de bronsterkte in verticale richting vermeldt het deskundigenbericht dat de in het trillingsonderzoek gehanteerde SBR-richtlijn B voorschrijft dat de trillingssterkten Vmax en Vper voor drie onderling loodrechte richtingen bepaald moeten worden: in verticale richting en in twee onderlinge loodrechte richtingen. Volgens het deskundigenbericht is in het trillingsonderzoek alleen uitgegaan van de bronsterkte in verticale richting zodat in zoverre in het trillingsonderzoek niet overeenkomstig de SBR-richtlijn B is gehandeld. In het deskundigenbericht wordt evenwel geconcludeerd dat de kritiekpunten met betrekking tot onder meer de bepaling van de bronsterkte geen aanleiding geven te veronderstellen dat niet voldaan zal worden aan de streefwaarden voor een gewijzigde situatie als bedoeld in SBR-richtlijn B.

    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in de kanttekeningen van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] over de wijze waarop de bronsterkte van goederentreinen is bepaald en de bronsterkte in verticale richting geen aanleiding voor het oordeel dat de beoordeling van het aspect trillinghinder door de raad gebrekkig is. Het betoog faalt.

12.    [appellante sub 1] en [appellante sub 2] voeren aan dat in het trillingsonderzoek de trillingsoverdracht naar de maatgevende woning aan de [locatie 1] niet goed is bepaald. Zij stellen in dat kader dat de door de DGMR gehanteerde testtrein van twee locomotieven met vier lege ertswagons vanwege de geringe asdruk niet representatief is voor de plansituatie. Tevens wijzen zij erop dat de testtrein heeft gereden met een snelheid van maximaal 50 km/u en dat in het trillingsonderzoek op basis van een foutieve extrapolatie van deze snelheid ten onrechte is geconcludeerd dat de rijsnelheid van goederentreinen tot 60 km/u geen trillinghinder zal opleveren.

12.1.    Blijkens het ter verduidelijking van het aan het plan ten grondslag gelegde trillingsonderzoek uitgebrachte rapport "Aanvulling trillingsonderzoek bestemmingsplan Spoorlijn Roodeschool - Eemshaven" van 12 mei 2016 van DGMR (hierna: het nadere rapport van DGMR) is met de inzet van de testtrein beoogd de trillingsoverdracht vast te stellen van het spoor naar de woning aan de [locatie 1] alsmede te onderzoeken wat de invloed van de rijsnelheid is op de trillingsoverdracht.

12.2.    In het deskundigenbericht staat dat - zoals ook vermeld in het trillingsonderzoek - de trillingsoverdracht betrouwbaar kan worden vastgesteld zolang de testtrein op de meetposities in de woning - over het van belang zijnde frequentiegebied - trillingsniveaus teweeg kan brengen die duidelijk boven het achtergrondniveau uitkomen. Verder is vermeld dat uit de figuren in bijlage 3 van het trillingsonderzoek is op te maken dat op vrijwel alle meetposities, zowel nabij het spoor als in en nabij de maatgevende woning, de gemeten trillingsniveaus over het gehele frequentiespectrum duidelijk boven het achtergrondniveau uitkwamen en dat slechts bij de allerlaagste frequenties van 1 tot 2 Hz in de woning in een enkel geval een trillingsniveau werd vastgesteld dat net niet boven het achtergrondniveau uitkwam. Deze allerlaagste frequenties spelen volgens het deskundigenbericht echter geen maatgevende rol bij de trillingsopwekking van goederentreinen. Het feit dat de ertswagons leeg waren, heeft volgens het deskundigenbericht derhalve geen invloed gehad op de betrouwbaarheid van de overdrachtsmetingen. Volgens het deskundigenbericht kan gelet daarop geconcludeerd worden dat de testtrein voldoende hoge trillingsniveaus heeft opgewerkt en dat de trillingsoverdracht betrouwbaar is vastgesteld.

    Ten aanzien van de extrapolatie van de rijsnelheid, is in het deskundigenbericht vermeld dat niet duidelijk is hoe in het trillingsonderzoek de relatie tussen de trillingssterkte en de rijsnelheid precies is vastgesteld. Evenmin is volgens het deskundigenbericht duidelijk hoe in het trillingsonderzoek een extrapolatie is uitgevoerd naar de maximale snelheid van 60 km/u die door goederentreinen in de plansituatie gereden zal gaan worden. Uit het nadere rapport van DGMR komt volgens het deskundigenbericht naar voren dat de extrapolatie heeft plaatsgevonden door de bronsterkte van de goederentreinen uit het traject Zevenaar - gemeten bij een snelheid van 80 km/u - te corrigeren naar een waarde bij 60 km/u en dat die extrapolatie is gedaan op basis van de logaritmische verhouding tussen beide genoemde snelheden. Uit de metingen door DGMR met de testtrein volgt volgens het deskundigenbericht weliswaar niet wat het effect is van een snelheidstoename van 60 naar 80 km/u. Het deskundigenbericht vermeldt echter ook dat bij terugrekening van de snelheid van 80 naar 60 km/u de reductie volgens de methode die in het trillingsonderzoek is gehanteerd 1 dB bedraagt, terwijl volgens de formule in het rapport van Sonus een reductie van 2,5 dB zou optreden. De terugrekening naar een bronsterkte bij 60 km/u in het trillingsonderzoek leidt volgens het deskundigenbericht dan ook niet tot een onderschatting van de gemeten trillingshinder.

    Gelet op hetgeen in het deskundigenbericht is gerapporteerd ziet de Afdeling in de stellingen van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] over de representativiteit van de testtrein en de extrapolatie van de rijsnelheid geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de trillingsoverdracht naar de maatgevende woning aan de [locatie 1] heeft onderschat. Het betoog faalt.

13.    [appellante sub 1] en [appellante sub 2] voeren aan dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar maatregelen die de trillingen reduceren.

13.1.    Het deskundigenbericht vermeldt dat een onderzoek naar maatregelen die trillingen reduceren op grond van de systematiek van de SBR-richtlijn B niet nodig is, zolang aan de streefwaarden voor de gewijzigde situatie wordt voldaan. Omdat de door [appellante sub 1] en [appellante sub 2] geuite kritiekpunten op het trillingsonderzoek volgens het deskundigenbericht geen aanleiding geven om te veronderstellen dat niet aan de grenswaarden uit SBR-Richtlijn B zal worden voldaan, is een onderzoek naar maatregelen die trillingen reduceren volgens het deskundigenbericht niet nodig.

    Gelet hierop ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat ten onrechte geen onderzoek is verricht naar maatregelen die de trillingen reduceren. Het betoog faalt.

14.    [appellante sub 2] voert aan dat het risico op schade aan haar bedrijfsbebouwing op het perceel [locatie 4] vanwege de trillingen ten onrechte niet is onderzocht.

14.1.    In het deskundigenbericht staat dat wanneer wordt voldaan aan de streefwaarden voor hinder, het optreden van schade aan de bedrijfswoningen niet waarschijnlijk is. De grenswaarden voor schade aan gebouwen en funderingen uit de Meet- en beoordelingsrichtlijn trillingen van de SBR, uitgave 2002, deel A, Schade aan gebouwen (SBR-richtlijn A) liggen aanzienlijk hoger dan de streefwaarden uit SBR-richtlijn B. In het trillingsonderzoek is echter alleen ingegaan op de te verwachten trillingshinder in de woningen [locatie 1] en [locatie 4]. Deze woningen zijn respectievelijk op 42 en 63 m van het spoor gelegen. Blijkens het nadere rapport van DGMR is nader onderzoek verricht naar de trillingschade die zou kunnen optreden bij de bedrijfsgebouwen bij [locatie 1]. Uitgaande van de bevindingen bij die gebouwen, die op een afstand van 33 en 19 m van het spoor zijn gelegen, is geconcludeerd dat bij de op beduidend grotere afstand van het spoor gelegen bedrijfsgebouwen aan de [locatie 4] - volgens DGMR op 65 m van het spoor - voor trillingschade niet hoeft te worden gevreesd. In het deskundigenbericht staat dat er geen reden is om aan deze conclusie te twijfelen.

    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen reden voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan de kans op schade aan de bedrijfsgebouwen aan de [locatie 4] heeft miskend. Het betoog faalt.

Geluid

15.    [appellante sub 1] en [appellante sub 2] voeren aan dat het plan zal leiden tot ernstige geluidoverlast ter plaatse van hun bedrijfswoningen. Zij achten het aan het plan ten grondslag gelegde akoestische onderzoek ondeugdelijk.

    [appellante sub 1] voert in dit kader allereerst aan dat op 42 m afstand van haar woning aan de [locatie 1] een bewaakte overweg zal worden gerealiseerd en dat in het akoestische onderzoek ten onrechte geen onderzoek is verricht naar het gecumuleerde geluid afkomstig van het alarmsignaal van de bewaakte overweg en van de passerende treinen.

15.1.    In het deskundigenbericht is vermeld dat door de raad niet is onderzocht hoe hoog het geluidniveau vanwege het alarmsignaal ter plaatse van de woning aan de [locatie 1] zal zijn. Het deskundigenbericht vermeldt verder dat wanneer de bewaakte overweg wordt voorzien van een bel waarvan het geluidsniveau automatisch wordt aangepast aan het omgevingsgeluidsniveau, de zogenoemde "ANAbel", het geluidniveau niet hoger zal zijn dan strikt noodzakelijk voor de beveiliging van de overweg. Daar komt volgens het deskundigenbericht bij dat het aantal passages op een dag niet heel hoog is en dat er tijdens de nachtperiode geen reizigerstreinen op het traject zullen rijden, waardoor de geluidhinder voor [appellante sub 1] zoveel mogelijk beperkt is. Verder vermeldt het deskundigenbericht dat het geluid van doorgaande treinen en het geluid van het alarmsignaal gelijktijdig zullen optreden, maar dat de aard van deze geluiden zodanig verschillend is dat het niet zinvol is de geluidbelastingen te cumuleren.

    Gelet op hetgeen in het deskundigenbericht is gerapporteerd, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling  terecht op het standpunt gesteld dat een onderzoek naar het gecumuleerde geluid afkomstig van het alarmsignaal van de bewaakte overweg en van de passerende treinen achterwege kon blijven.

16.    [appellante sub 2] voert aan dat de geluidbelasting afkomstig van de nieuwe halteplaats Roodeschool ten onrechte niet is onderzocht. In dat kader stelt zij dat op dit station treinen zullen halteren. Het geluid afkomstig van deze halterende treinen leidt volgens [appellante sub 2] tot ernstige geluidhinder ter plaatse van haar bedrijfswoning aan de [locatie 4]. Zij wijst er daarbij op dat de afstand tussen haar bedrijfswoning en de locatie van het nieuwe station ongeveer 60 m bedraagt en dat om die reden niet wordt voldaan aan de richtafstand van 100 m voor stations uit de Handreiking "Bedrijven en Milieuzonering", editie 2009, van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG-brochure). Gelet hierop was de raad volgens haar gehouden om nader onderzoek te doen naar de akoestische situatie van haar bedrijfswoning vanwege geluid afkomstig van het nieuwe station. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij het geluidrapport "Akoestische quickscan onderzoek ruimtelijke ordening Station Roodeschool" van Geluidmeesters van 10 februari 2016 (hierna: het geluidrapport van Geluidmeesters) ingebracht. Daaruit komt volgens [appellante sub 2] naar voren dat de richtwaarden bij een landelijke omgeving uit de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) in de avond- en nachtperiode worden overschreden.

    [appellante sub 2] heeft er verder op gewezen dat bij haar woning hinder vanwege het laagfrequente geluid afkomstig van halterende treinen op het nieuwe station kan optreden en stelt dat dit eveneens ten onrechte niet is onderzocht.

16.1.    De raad acht het geluid afkomstig van de nieuwe halteplaats Roodeschool, inclusief het geluid van halterende treinen, akoestisch aanvaardbaar. De raad wijst erop dat in de VNG-brochure voor spoorwegstations weliswaar een richtafstand van 100 m tot geluidgevoelige objecten wordt aanbevolen, maar dat aan deze richtafstand tevens de indicatie "D" is toegevoegd. Het gaat dan volgens de raad om een activiteit met een grote variatie in productieprocessen en daarmee een grote variatie in milieubelasting. Vanwege de beperkte activiteiten die plaatsvinden op het nieuwe station Roodeschool en de afstand van ongeveer 60 m tot de woning aan de [locatie 4], stelt de raad dat nader onderzoek naar de akoestische situatie ter plaatse van die woning niet noodzakelijk was.

16.2.    In het deskundigenbericht staat dat het nieuwe station Roodeschool niet meer omvat dan een perron met een wachtvoorziening en een voorplein met enkele parkeerplaatsen en een fietsenstalling, zodat waarschijnlijk volstaan kan worden met een kleinere afstand dan de in de VNG-brochure gestelde richtafstand van 100m. Om met zekerheid te kunnen bepalen dat een afstand van 60 m voldoende is en het nieuwe station vanwege het aspect geluid ruimtelijk aanvaardbaar is, had een beschouwing van de geluidaspecten van het nieuwe station volgens het deskundigenbericht in de rede gelegen.

    Het deskundigenbericht vermeldt verder dat in de woning van [appellante sub 2] vanwege de halterende treinen laagfrequent geluid kan optreden waarmee in de VNG-brochure geen rekening is gehouden en dat nader onderzoek zal moeten uitwijzen in welke mate dit laagfrequent geluid in de woning van [appellante sub 2] optreedt.

    De Afdeling ziet op basis van het deskundigenbericht aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte niet inzichtelijk heeft gemaakt welke gevolgen het geluid afkomstig van het nieuwe station Roodeschool en het laagfrequent geluid afkomstig van de halterende treinen hebben voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellante sub 2] aan de [locatie 4]. Het plan is gelet hierop niet vastgesteld met de bij de voorbereiding van het plan te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

In stand laten van rechtsgevolgen

17.    In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd over het geluid afkomstig van het nieuwe station Roodeschool en het laagfrequent geluid afkomstig van halterende treinen ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

17.1.    De Afdeling ziet evenwel aanleiding om te onderzoeken of met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven.

18.    Ten aanzien van het geluid afkomstig van het nieuwe station Roodeschool overweegt de Afdeling het volgende. In het deskundigenbericht staat dat uit het door [appellante sub 2] overgelegde geluidrapport van Geluidmeesters naar voren komt dat vanwege de omroepinstallatie op het perron en de verkeersbewegingen op het plein geen geluidhinder is te verwachten. Wel komt volgens het deskundigenbericht uit de bevindingen in het geluidrapport van Geluidmeesters naar voren dat in enige mate geluidhinder van halterende treinen is te verwachten door stationair draaiende dieselmotoren. Verder is in het deskundigenbericht vermeld dat door Geluidmeesters is berekend dat vanwege het halteren van treinen op de woning van [appellante sub 2] geluidniveaus kunnen optreden van 36 dB(A) in de dagperiode, 39 dB(A) in de avondperiode en 35 dB(A) in de nachtperiode. Volgens het deskundigenbericht is de etmaalwaarde daarmee niet hoger dan 45 dB(A), zodat voldaan wordt aan stap 2 van het toetsingskader voor geluid uit de VNG-brochure, te weten dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bij woningen in gebiedstype rustige woonwijk niet hoger is dan 45 dB(A).

18.1.    Uit het deskundigenbericht komt naar voren dat het geluid afkomstig van het station de waarde van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 45 dB(A) uit stap 2 van het toetsingskader voor geluid uit de VNG-brochure niet overschrijdt. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat niet met vrucht kan worden gesteld dat het geluid afkomstig van het nieuwe station leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellante sub 2].

    Voor zover [appellante sub 2] in haar zienswijze op het deskundigenbericht stelt dat het in de rede ligt om in dit geval aansluiting te zoeken bij de grenswaarden uit de Handreiking, omdat de Handreiking een meer toegesneden gebiedstypering hanteert, overweegt de Afdeling dat die omstandigheid niet met zich brengt dat in plaats van de VNG-brochure de Handreiking had moeten worden toegepast. Overigens hanteert ook de VNG-brochure een gebiedstypering, waarmee in het deskundigenbericht rekening is gehouden.

    De stelling van [appellante sub 2] dat het geluidrapport van Geluidmeesters geen afdoende beeld geeft van de te verwachten geluidhinder van halterende treinen afkomstig van het nieuwe station Roodeschool, omdat dit geluidrapport volgens [appellante sub 2] slechts een quickscan betreft en niet als een volledig onderzoek kan worden gekwalificeerd, volgt de Afdeling niet. Uit het geluidrapport van Geluidmeesters volgt dat geluidmetingen zijn uitgevoerd aan een tweetal typen stationair draaiende treinen op het huidige station Roodeschool, het gemiddeld bronvermogenniveau van deze treinen is uitgerekend en vervolgens met behulp van een rekenmodel uit de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 de geluidbelasting, op basis van de halteringstijd en het geluidvermogenniveau, gedetailleerd is berekend. De Afdeling ziet gelet hierop geen aanleiding voor het oordeel dat het geluidrapport van Geluidmeesters geen representatief beeld geeft van de te verwachten geluidhinder door halterende treinen afkomstig van het nieuwe station Roodeschool.

19.    Ten aanzien van het laagfrequent geluid afkomstig van de halterende treinen op het nieuwe station overweegt de Afdeling het volgende.

    Naar aanleiding van het deskundigenbericht heeft de raad het geluidrapport "Akoestisch onderzoek laagfrequent geluid nieuwe halte Roodeschool" van 9 november 2016 (hierna: het geluidrapport laagfrequent geluid) ingediend. In dit rapport is de mogelijke geluidhinder door laagfrequent geluid ten gevolge van het stationair draaien van de trein type Stadler GTW 2/8 onderzocht. Daarbij is de trein opgesteld op de locatie waar na de realisatie van het nieuwe station Roodeschool de trein zal halteren. Verder zijn blijkens dit geluidrapport metingen verricht in de geluidgevoelige ruimten van de woning van [appellante sub 2]. Het geluid is volgens het geluidrapport getoetst aan de Vercammen-curve en de DCMR-curve. In het geluidrapport is geconcludeerd dat de toetsing aan deze curven uitwijst dat de gemeten geluidniveaus hieraan voldoen en dat op grond van de metingen en de verrichte analyse wordt verwacht dat redelijkerwijs geen hinder zal optreden.

19.1.    Naar aanleiding van de heropening van het onderzoek na de zitting van 29 november 2016 heeft [appellante sub 2] gereageerd op het rapport laagfrequent geluid.

19.2.    [appellante sub 2] voert aan dat sprake is van een conceptversie van het rapport. Volgens haar is hierdoor niet duidelijk wat de uitkomsten van het onderzoek naar het laagfrequent geluid zijn, omdat geen definitieve versie van het rapport is overgelegd.

19.2.1.    De raad heeft erop gewezen dat op het voorblad van het rapport abusievelijk is vermeld dat sprake is van een conceptversie van het rapport. Volgens de raad is het overgelegde rapport de definitieve versie hiervan. De Afdeling acht dit gelet op de inhoud van het rapport aannemelijk.

19.3.    [appellante sub 2] voert aan dat uit het geluidrapport laagfrequent geluid niet volgt of de trein waaraan de metingen zijn verricht maatgevend is voor het geluid.

19.3.1.    De raad heeft toegelicht dat ten behoeve van de geluidmetingen gebruik is gemaakt van een trein type Stadler GTW 2/8. Dit type trein is volgens de raad hetzelfde type als de andere treinstellen die van het traject gebruik maken. Het motorcompartiment van de trein waarvan het geluid is gemeten, is representatief voor een serie treinen die onderling qua techniek en uitvoering identiek zijn uitgevoerd. De trein is volgens de raad dan ook representatief voor de overige treinen die van het traject gebruik maken. Gelet op de toelichting van de raad ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de voor het onderzoek gebruikte trein niet maatgevend is voor het geluid.

19.4.    [appellante sub 2] voert aan dat het rapport niet duidelijk maakt op welke locatie de treinen halteren en of het halteren dusdanig plaats vindt dat zij altijd op hetzelfde punt zullen halteren. Zij twijfelt dan ook of de gemeten locatie van de trein maatgevend is.

19.4.1.    De raad heeft toegelicht dat de locatie waar de trein is opgesteld representatief is voor de locatie waar de trein halteert als het station in dienst is. In het geluidrapport laagfrequent geluid staat dat het treinstel exact is opgesteld op de locatie waar na de realisatie van de treinhalte het treinmaterieel halt zal houden. De locatie ligt volgens de raad dichtbij de ingang, teneinde te voorkomen dat reizigers ver moeten lopen om in een trein te stappen. Een locatie dichterbij de woning van [appellante sub 2] is volgens de raad niet logisch, omdat dit de loopafstand voor de reizigers vergroot. Mede gelet op deze toelichting van de raad, is de Afdeling van oordeel dat de locatie waar de trein bij het meten is opgesteld representatief is te achten.

19.5.    [appellante sub 2] voert aan dat de toetsing van de meetresultaten aan de Vercammen-curve in het rapport, weergegeven in een grafiek, laat zien dat bij één meetpunt sprake is van een overschrijding van deze curve.

19.5.1.    De raad stelt dat gezien de verhoudingen binnen de grafiek sprake is van een overschrijding van 0,4 dB. Deze overschrijding leidt volgens de raad niet tot ernstige hinder vanwege laagfrequent geluid. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen.

19.6.    Gelet op het voorgaande, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het laagfrequent geluid afkomstig van halterende treinen op het nieuwe station niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellante sub 2].

20.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling aanleiding de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.

Proceskosten

21.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

    Voor de vergoeding van het door [appellante sub 1] overgelegde rapport van Sonus en van het door [appellante sub 2] overgelegde rapport van Geluidmeesters wordt een forfaitair bedrag van € 75,00 per uur gehanteerd.

    Verder worden de kosten van de door [appellante sub 2] meegebrachte deskundige voor het voorbereiden en bijwonen van de zitting forfaitair vastgesteld op 4 uur, waarbij een tarief wordt gehanteerd van € 116,09 per uur.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellante sub 2] gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Eemsmond van 3 december 2015 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Roodeschool - Eemshaven";

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV.    verklaart het beroep van [appellante sub 1] ongegrond;

V.    veroordeelt de raad van de gemeente Eemsmond tot vergoeding van bij [appellante sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.635,25 (zegge: drieduizend zeshonderdvijfendertig euro en vijfentwintig cent), waarvan € 990,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Eemsmond tot vergoeding van bij [appellante sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.487,11 (zegge: tweeduizend vierhonderdzevenentachtig euro en elf cent), waarvan € 990,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat de raad van de gemeente Eemsmond aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 168,00 (zegge: honderdachtenzestig euro) voor [appellante sub 1] en € 331,00 (zegge: driehonderdeenendertig euro) voor [appellante sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

w.g. Helder    w.g. Lap

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2017

288-817.