Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1963

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
19-07-2017
Zaaknummer
201609797/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:6826, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 februari 2016 heeft het college de schuldhulpverlening aan [appellante] beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609797/1/A2.

Datum uitspraak: 19 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 december 2016 in zaak nr. 16/3799 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal.

Procesverloop

Bij besluit van 26 februari 2016 heeft het college de schuldhulpverlening aan [appellante] beëindigd.

Bij besluit van 26 juli 2016 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 13 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P. van Baaren, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door N.V. Volchenko, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening is een college van burgemeester en wethouders verantwoordelijk voor de schuldhulpverlening aan de inwoners van zijn gemeente. Het college van Veenendaal heeft ter uitvoering van die taak de Beleidsregels Schuldhulpverlening Veenendaal vastgesteld. De feitelijke uitvoering van de schuldhulpverlening wordt namens het college gedaan door het Budget Advies Centrum (hierna: het BAC).

2.    [appellante] heeft zich wegens schuldenproblematiek gewend tot het BAC. Het BAC heeft een minnelijke regeling tot stand gebracht tussen [appellante] en haar schuldeisers.

3.    Aan de beëindiging van de schuldhulpverlening bij het besluit van 26 februari 2016 heeft het college ten grondslag gelegd dat [appellante] de in artikel 4 van de Beleidsregels neergelegde verplichting om alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is tijdens het schuldhulpverleningstraject, heeft geschonden. Zo heeft zij in strijd met de met het BAC gemaakte afspraken, zoals neergelegd in een overeenkomst van 18 april 2013, een aantal maanden geen inkomen gehad dan wel haar uitkering niet op een beheerrekening gestort, een achterstand in het betalen van de vaste lasten laten ontstaan en zonder het BAC daarover in te lichten een auto op haar naam laten zetten.

4.    Het college heeft het door [appellante] gemaakte bezwaar tegen het besluit tot beëindiging van de schuldhulpverlening niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij geen belang meer zou hebben bij een inhoudelijk oordeel daarover. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat inmiddels een van de schuldeisers zich wegens achterstallige betalingen heeft teruggetrokken uit de minnelijke regeling, zodat gegrondverklaring van het bezwaar niet kan leiden tot herleving van dezelfde minnelijke regeling.

    Geschil en oordeel van de rechtbank

5.    In geschil is de vraag of [appellante] belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit tot beëindiging van de schuldhulpverlening.

6.    De rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord. Daartoe heeft zij overwogen dat [appellante] met deze procedure niet kan bereiken wat zij voor ogen heeft, namelijk het ongedaan maken van de beëindiging van het schuldhulpverleningstraject en dat traject laten herleven.

    Beoordeling

7.    [appellante] betoogt dat het oordeel dat het schuldhulpverleningstraject niet meer kan herleven bij gegrondverklaring van haar bezwaar, onjuist is. Volgens haar kan het college in dat geval een brief sturen aan de schuldeisers en vragen welke nieuwe bedragen open staan en of, na voldoening daarvan, de eerder afgesproken regeling kan worden voortgezet. Het is geenszins uitgesloten dat de schuldeisers daarmee akkoord gaan, aldus [appellante].

7.1.    De Afdeling stelt voorop dat [appellante] in haar bezwaarschrift het college heeft verzocht om vergoeding van de door haar gemaakte proceskosten in verband met de behandeling van het bezwaar. In artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is bepaald dat de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken uitsluitend worden vergoed voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De Afdeling is van oordeel dat [appellante] reeds daarom belang heeft bij een heroverweging van het besluit van 26 februari 2016 (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO8874). Of ook belang kan worden aangenomen op de door [appellante] genoemde grond, hetgeen door het college wordt betwist, behoeft derhalve geen bespreking.

8.    Gezien het voorgaande, heeft de rechtbank in navolging van het college ten onrechte niet onderkend dat [appellante] belang had bij een inhoudelijke beoordeling van haar bezwaar.

9.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 26 juli 2016 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit dient eveneens te worden vernietigd. Dat heeft tot gevolg dat het college een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 26 februari 2016. Het college dient daarbij uit te gaan van de ontvankelijkheid van dat bezwaar.

    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

10.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 december 2016 in zaak nr. 16/3799;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal van 26 juli 2016, kenmerk 2016\ 220736;

V.    bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.980,00 (zegge: negentienhonderdtachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Veenendaal aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.J.C. van den Broek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.

w.g. Van den Broek    w.g. De Vries-Biharie

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2017

611.