Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1955

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
19-07-2017
Zaaknummer
201605698/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:2666, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 april 2015 heeft het college aan [vergunninghouder], thans zijn [rechtsopvolger], omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van een dakkapel op het pand op het perceel [locatie] te Arnhem.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2017/1596
AR 2017/3854
JB 2017/142
JOM 2017/772
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605698/1/A1.

Datum uitspraak: 19 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Arnhem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 mei 2016 in zaak nr. 15/7044 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem.

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2015 heeft het college aan [vergunninghouder], thans zijn [rechtsopvolger], omgevingsvergunning verleend voor het legaliseren van een dakkapel op het pand op het perceel [locatie] te Arnhem.

Bij besluit van 22 oktober 2015 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 mei 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke reactie ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2017, waar [appellant] is verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] heeft bij brief, bij de Afdeling ingekomen op 22 juli 2016, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Dit hoger beroep is  buiten de in artikel 6:7, gelezen in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gestelde termijn ingesteld.

    [appellant] betoogt dat hij verschoonbaar te laat hoger beroep heeft ingesteld. Hij voert daartoe aan dat hij binnen voormelde termijn op 23 juni 2016 digitaal hoger beroep heeft ingesteld bij de Afdeling.

Volgens [appellant] heeft hij bij het instellen hiervan een bevestigingsscherm voor het indienen van zijn hoger beroep gezien, maar dit niet afgedrukt. Wel heeft [appellant] gedurende het digitaal instellen van zijn hoger beroep andere schermpagina’s afgedrukt. Deze heeft hij overgelegd.

[appellant] is er naar eigen zeggen op basis van de ingevulde gegevens en opgevoerde stukken vanuit gegaan dat het bericht succesvol door de Afdeling is ontvangen.

    Niet in geschil is dat [appellant] tijdens de sessie waarbij hij hoger beroep heeft ingesteld een periode inactief is geweest. Hij betoogt dat hij niet kon weten dat hij na zo’n periode automatisch door het digitale loket zou worden uitgelogd.

    Voorts heeft [appellant] toen hij op zijn hoger beroep geen reactie heeft gekregen telefonisch contact opgenomen met een administratief medewerkster van de Afdeling. Volgens [appellant] heeft hij nadien op 22 juli 2016 digitaal nadere stukken ingediend. Volgens [appellant] heeft de omstandigheid dat hij die nadere stukken digitaal heeft kunnen indienen, zonder dat hij erop is gewezen dat hij geen hoger beroep heeft ingesteld, hem gesterkt in de overtuiging dat zijn poging om op 23 juni 2016 digitaal hoger beroep in te stellen succesvol was verlopen.

1.1.     De Afdeling stelt voorop dat het digitaal loket waarop met behulp van een DigiD-code hoger beroep kan worden ingesteld tegen een aangevallen uitspraak zo is ingericht dat de verzending van een hoger beroepschrift uitdrukkelijk wordt bevestigd. Tijdens de sessie om hoger beroep in te stellen wordt op een gegeven moment het zogenoemde controleformulier getoond met daarop een overzicht van alle ingevoerde gegevens en bijlagen. Eerst door het indrukken van de knop "formulier verzenden" komt de verzending tot stand. Vervolgens verschijnt een scherm met de mededeling dat het formulier succesvol is verzonden naar de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak met daarbij de vermelding van de datum en het tijdstip van de verzending. Tevens wordt vermeld dat de pagina kan worden geprint voor de eigen administratie van de gebruiker.

Gelet hierop is een gebruiker van het digitale loket zoals [appellant] in staat om een succesvolle verzending aannemelijk te maken en de Afdeling is van oordeel dat dit daarom ook van [appellant] mag worden verlangd.

1.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij op 23 juni 2016 digitaal hoger beroep heeft ingesteld.

De door [appellant] overgelegde schermafdrukken tonen weliswaar aan dat hij op 23 juni 2016 een sessie in het digitale loket heeft gestart, maar niet dat die sessie is afgerond met een succesvolle verzending als hiervoor bedoeld.

Daarbij wordt in aanmerking genomen dat medewerkers van de Raad van State die werkzaam zijn bij de afdeling IT onderzoek hebben gedaan naar de digitale sessie van [appellant] (hierna: het onderzoek). Op grond van het onderzoek hebben zij geconcludeerd dat andere gebruikers vlak voor en vlak na de sessie van [appellant] met succes formulieren hebben verzonden en dat er geen meldingen zijn binnengekomen van die andere gebruikers dat het digitaal loket op dat moment niet naar behoren werkte. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd wordt geen grond gevonden voor het oordeel dat moet worden getwijfeld aan deze conclusie.

1.3.    Verder blijkt uit het onderzoek dat [appellant] op 23 juni 2016 een sessie is gestart in het digitaal loket van de Afdeling en deze sessie heeft doorlopen tot en met het tonen op het scherm van het controleformulier. Daarna is de sessie na zekere tijd automatisch afgebroken zonder dat een verzending van de door hem ingevulde gegevens heeft plaatsgevonden. Ter zitting is [appellant] dit voorgehouden. Naar aanleiding hiervan heeft [appellant] betoogd dat hij niet kon weten dat de verbinding na een periode van inactiviteit automatisch zou worden verbroken zonder dat een verzending heeft plaatsgevonden.

Naar het oordeel van de Afdeling slaagt dit betoog niet.

Een persoon die is ingelogd bij het digitale loket van de Afdeling krijgt na 10 minuten van inactiviteit op het beeldscherm de volgende mededeling: "U bent langer dan 10 minuten inactief. Uw sessie verloopt over 5 minuten." Na 15 minuten van inactiviteit wordt automatisch uitgelogd. Hierbij verschijnt de volgende mededeling op het beeldscherm: "U bent langer dan 15 minuten inactief geweest. Hierdoor is uw sessie verlopen. Om terug te keren naar het startscherm kunt u onderstaande link gebruiken. U kunt zich daar eventueel opnieuw aanmelden." Mocht zich derhalve de situatie hebben voorgedaan dat [appellant] na 15 minuten van inactiviteit zou zijn uitgelogd als hiervoor bedoeld, dan moet het voor hem redelijkerwijs te begrijpen zijn geweest dat de door hem ingevulde gegevens niet met succes waren verzonden naar de Afdeling.    

1.4.    Voorts betoogt [appellant] dat de omstandigheid dat hij op 22 juli 2016 digitaal nadere stukken heeft kunnen indienen zonder dat hij erop is gewezen dat hij geen hoger beroep heeft ingesteld, hem heeft gesterkt in de overtuiging dat zijn poging om op 23 juni 2016 digitaal hoger beroep in te stellen succesvol was verlopen.

Blijkens de gedingstukken heeft [appellant] telefonisch contact gehad met een medewerkster van de Afdeling. Deze heeft hem meegedeeld dat zijn hoger beroep niet kon worden gevonden in het systeem en dat zij zou vragen of medewerkers van de afdeling IT hiernaar onderzoek zouden doen.

Vervolgens heeft [appellant] op 22 juli 2016 opnieuw hoger beroep ingesteld bij het digitale loket van de Afdeling. Hij kon dat alleen doen door een fictief zaaknummer te vermelden en daarbij aan te geven dat het ging om een nader stuk in een bestaande zaak.

Onder deze omstandigheden kan uit de omstandigheid dat [appellant] nadere stukken heeft kunnen indienen naar het oordeel van de Afdeling redelijkerwijs niet worden afgeleid dat zijn eerdere poging om op 23 juni 2016 digitaal hoger beroep in te stellen succesvol was verlopen.    

1.5.    Gelet op het vorenstaande faalt het betoog van [appellant] dat hij verschoonbaar te laat hoger beroep heeft ingesteld.

2.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

3.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, griffier.

w.g. Wortmann    w.g. Van Leeuwen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2017

543.