Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1944

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
19-07-2017
Zaaknummer
201607855/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2016:10926, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 november 2015 heeft de raad een aanvraag om een toevoeging rechtsbijstand ten behoeve van [appellante], afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201607855/1/A2.

Datum uitspraak: 19 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 augustus 2016 in zaak nr. 16/409 in het geding tussen:

[appellante]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 4 november 2015 heeft de raad een aanvraag om een toevoeging rechtsbijstand ten behoeve van [appellante], afgewezen.

Bij besluit van 11 december 2015 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 augustus 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. M.G.J. Smit, advocaat te Rotterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Rechtzoekenden van wie het inkomen en vermogen beneden een bepaalde grens liggen en daarom de kosten van een advocaat niet geheel zelf kunnen dragen, kunnen de raad op grond van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) verzoeken om een toevoeging voor gesubsidieerde rechtsbijstand.

    In artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb is bepaald dat rechtsbijstand niet wordt verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling dan een advocaat.

2.    Op 5 augustus 2015 heeft mr. Smit een aanvraag om een toevoeging ingediend voor rechtsbijstand aan [appellante], voor het maken van bezwaar tegen een besluit van de Belastingdienst/Toeslagen betreffende de aan [appellante] toegekende huurtoeslag over 2012.

    De raad heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb. Volgens de raad heeft [appellante] geen bijstand van een advocaat nodig om bezwaar te maken.

De raad heeft daarbij verwezen naar zijn beleid, zoals neergelegd in de werkinstructie C030. Daarin is vermeld dat een toevoegingsaanvraag voor het maken van bezwaar tegen een ambtshalve beslissing betreffende een  toeslag wordt afgewezen met tekstcode C030 (zelfredzaamheid). Als bij de aanvraag om een toevoeging is gemotiveerd dat de zaak zodanig feitelijk en/of juridisch complex is dat bijstand van een advocaat noodzakelijk is, kan bij hoge uitzondering een toevoeging worden verstrekt, aldus die werkinstructie.

3.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de raad haar aanvraag om een toevoeging heeft mogen afwijzen. Zij voert daartoe aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat op het vaststellen van haar recht op huurtoeslag over 2012 een verscheidenheid aan regelgeving van toepassing is. Zij heeft tevergeefs getracht om het geschil met de Belastingdienst/Toeslagen zelf op te lossen, maar dat is haar niet gelukt. Nu is gebleken dat zij niet zelfredzaam is, is bijstand door een advocaat noodzakelijk, aldus [appellante].

3.1.    Ter zitting heeft [appellante] nader toegelicht dat het geschil met de Belastingdienst/Toeslagen zich toespitste op de vraag of de dienst terecht is uitgegaan van de inschrijving in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA; thans de Basisregistratie personen), waaruit zou blijken dat zij op verschillende adressen heeft gewoond. Zij stelt zich op het standpunt dat zij reeds jaren woonachtig is op hetzelfde adres. Gelet hierop, heeft de rechtbank, in navolging van de raad, terecht overwogen dat [appellante] in bezwaar tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen informatie diende te verstrekken over haar woonsituatie. Die informatie is feitelijk van aard en van [appellante] kan worden verwacht dat zij deze informatie zelf zou verstrekken. Zij heeft niet gemotiveerd waarom hiervoor specifieke juridische kennis was vereist. De raad heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de enkele verwijzing naar regelgeving die van toepassing is op de vaststelling van het recht van [appellante] op huurtoeslag over 2012 de zaak niet juridisch complex maakt. Niet is gebleken dat zich in de zaak een bijzondere rechtsvraag voordoet. Dat, zoals [appellante] heeft aangevoerd, zij tevergeefs heeft getracht om de inschrijving in de GBA te wijzigen, is evenzeer onvoldoende voor het oordeel dat bijstand door een advocaat noodzakelijk was. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat [appellante], voor zover zij hiertoe niet zelfstandig in staat zou zijn, zich voor advies kon wenden tot een voorliggende voorziening, zoals het Juridisch Loket.

    Het betoog faalt.

4.    [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte haar betoog, dat door de afwijzing van haar aanvraag om een toevoeging, het in artikel 6 van het Verdrag inzake de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) neergelegde recht op een eerlijk proces wordt geschonden, heeft verworpen. Zij voert daartoe aan dat haar recht op toegang tot de rechter wordt beperkt en dat deze beperking niet proportioneel is.

4.1.    Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) zheeft in onder meer Airey tegen Ierland, arrest van 9 oktober 1979 [ECLI:CE:ECHR:1981:0206JUD000628973], punt 26, overwogen dat, hoewel artikel 6 van het EVRM geen recht op gratis rechtsbijstand voor min- of onvermogenden toekent buiten het geval van strafrechtelijke procedures, het daarin besloten liggende recht op toegang tot de rechter in andere rechtsgedingen, waarbij bijvoorbeeld ingewikkelde feitenvaststelling of rechtsvragen aan de orde zijn, ook een verplichting voor de verdragsstaten kan meebrengen dienaangaande positieve actie te ondernemen.

    Uit de rechtspraak van het EHRM volgt echter evenzeer dat deze verplichting niet betekent dat onbeperkt recht op gratis rechtsbijstand bestaat. In onder meer Steel en Morris tegen het Verenigd Koninkrijk, arrest van 15 februari 2005 [ECLI:CE:ECHR:2005:0215JUD006841601], punt 62, heeft het EHRM overwogen dat het recht op toegang tot de rechter niet absoluut is, maar aan verschillende beperkingen mag worden onderworpen. Dergelijke beperkingen mogen evenwel het recht op toegang tot de rechter niet in essentie aantasten, moeten een gerechtvaardigd doel dienen en moeten proportioneel zijn aan dat doel. Uit het door [appellante] genoemde arrest van 26 juli 2005, Podbielski en PPU Polpure tegen Polen [ECLI:CE:ECHR:2005:0726JUD003919998], punt 65, volgt dat het EHRM daarbij zuivere financiële beperkingen aan het recht op toegang tot de rechter, die niet gerelateerd zijn aan de inhoudelijke aspecten van de zaak of het vooruitzicht op de slagingskans van een rechtsmiddel, niet zonder meer toelaatbaar acht.

4.2.    Anders dan [appellante] stelt, houdt artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb geen zuiver financiële beperking van het recht op toegang tot de rechter in die niet is gerelateerd aan de inhoudelijke aspecten van de zaak, aangezien de beperking is gerelateerd aan het soort rechtsbelang waarop de aanvraag betrekking heeft. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 25 februari 2015 [ECLI:NL:RVS:2015:565]), leidt dat artikel alleen tot een beperking van de subsidiëring van rechtsbijstand in het geval waarin de behartiging van een belang redelijkerwijs aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van de Wrb. Die beperking schaadt het recht op toegang tot de rechter niet in essentie. Daarbij is van belang dat juist in dergelijke zaken betrokkenen in staat worden geacht hun belangen voor de rechter of de betreffende instantie zelf te behartigen. Verder acht de Afdeling het, met het oog op de financiële beheersbaarheid van het systeem van rechtsbijstandsverlening, gerechtvaardigd dat geen rechtsbijstand wordt verleend wanneer het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de rechtszoekende zelf kan worden overgelaten, dan wel waarvoor meer geëigende vormen van hulpverlening openstaan. Ten slotte zijn de gevolgen van de afwijzing van de aanvraag van [appellante] niet onevenredig in verhouding tot het daarmee te dienen doel, nu zij geacht kan worden haar eigen belangen te kunnen behartigen.

    De rechtbank heeft derhalve terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de besluitvorming in strijd is met artikel 6 van het EVRM, daargelaten de vraag of dat artikel van toepassing is op de bezwaarfase.

    Het betoog faalt.

5.    [appellante] betoogt tot slot evenzeer tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de raad in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheids- en het motiveringsbeginsel en dat de raad niet alle bij het besluit op bezwaar betrokken belangen heeft meegewogen. Anders dan [appellante] heeft aangevoerd blijkt uit het besluit van 4 november 2015 en het besluit op bezwaar waarom de raad de zaak, waarvoor om een toevoeging was gevraagd, niet feitelijk of juridisch complex acht en waarom de raad niet een toevoeging heeft afgegeven.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.J.C. van den Broek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F. Nales, griffier.

w.g. Van den Broek    w.g. Nales

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2017

680.