Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1931

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
19-07-2017
Zaaknummer
201609954/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:7008, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2016 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609954/1/A2.

Datum uitspraak: 19 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 december 2016 in zaak nr. 16/3020 in het geding tussen:

[appellante]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2016 heeft de raad een aanvraag van [appellante] om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 6 september 2016 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juli 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. R. Gijsen, advocaat te Maastricht, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Doets, zijn verschenen.

Overwegingen

Samenvatting

1.    [appellante] heeft een toevoeging aangevraagd voor het voeren van een bezwaarprocedure tegen een besluit tot terugvordering van bijstandsuitkering. De raad heeft aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat de werkzaamheden vallen onder het bereik van een eerder verleende toevoeging. Dit is in geschil.

Intrekking

2.    [appellante] ontving een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (vervangen door de Participatiewet vanaf 1 januari 2015; hierna: de bijstandsuitkering). Bij besluit van 12 juni 2014 is het besluit tot toekenning van bijstandsuitkering ingetrokken. Voor het maken van bezwaar tegen dit besluit heeft de raad [appellante] een toevoeging verleend. Het bezwaar tegen de intrekking is ongegrond verklaard bij besluit van 31 maart 2015.

Terugvorderingsbesluit 16 december 2014

3.    Als gevolg van de intrekking is bij besluit van 16 december 2014 de bijstandsuitkering van [appellante] teruggevorderd over de periode van 1 februari 2013 tot en met 30 april 2014. Voor het maken van bezwaar tegen dit besluit heeft de raad [appellante] een toevoeging verleend met kenmerk 1GZ9209 (hierna ook: de eerder verleende toevoeging). Het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal (hierna: het college) heeft het bezwaar over de terugvordering ongegrond verklaard bij besluit van 28 juli 2015.

Uitspraak van de rechtbank over de intrekking

4.    [appellante] heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 31 maart 2015 over de intrekking. De rechtbank heeft bij uitspraak van 5 april 2016 geoordeeld dat de intrekking van de bijstandsuitkering over de periode van 1 februari 2013 tot en met 14 december 2013 terecht is en over de periode vanaf 15 december 2013 onterecht is. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] gegrond verklaard, het besluit van 12 juni 2014 herroepen, het besluit op bezwaar van 31 maart 2015 vernietigd en daarbij bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Terugvorderingsbesluit 23 mei 2016    

5.    De uitspraak van de rechtbank over de intrekking had tot gevolg dat het besluit over de terugvordering niet in stand kon blijven. Naar aanleiding van de uitspraak is het terug te vorderen bedrag over 2013 opnieuw berekend en het terugvorderingsbesluit van 16 december 2014 ambtshalve herzien bij besluit van 23 mei 2016. In dit besluit heeft het dagelijks bestuur van Werkzaak Rivierenland, als rechtsopvolger van het college, de periode waarover de bijstandsuitkering van [appellante] wordt teruggevorderd beperkt tot de periode van 1 februari 2013 tot en met 14 december 2013.

    [appellante] heeft een toevoeging voor rechtsbijstand aangevraagd voor de bezwaarprocedure tegen het besluit van 23 mei 2016 (hierna ook: de aangevraagde toevoeging). Omdat de werkzaamheden volgens de raad vallen onder het bereik van de eerder verleende toevoeging met kenmerk 1GZ9209, dat betrekking heeft op het terugvorderingsbesluit van 16 december 2014, heeft de raad de aanvraag om de toevoeging afgewezen.

Uitspraak van de rechtbank over de afgewezen toevoeging

6.    De rechtbank heeft overwogen dat niet in geschil is dat de door [appellante] aangevraagde toevoeging hetzelfde rechtsbelang dient als de eerder afgegeven toevoeging. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de behandeling van de procedures heeft plaatsgevonden bij één instantie en derhalve geen sprake is van een behandeling van een procedure in meer dan één instantie. Volgens de rechtbank heeft de raad de aangevraagde toevoeging derhalve in redelijkheid kunnen afwijzen.

Gronden in hoger beroep

7.    [appellante] voert aan dat zij niet bestrijdt dat het college en het dagelijks bestuur van Werkzaak Rivierenland als een instantie kunnen worden beschouwd. Zij betoogt dat de rechtbank eraan voorbij is gegaan dat sprake is van een diversiteit aan procedures, nu de bezwaren zich richten tegen twee van elkaar te onderscheiden besluiten met inhoudelijk verschillende standpunten en beide bezwaarprocedures in tijd ver uiteenlopen. Voor de wijze waarop moet worden beoordeeld of sprake is van diversiteit van procedures, heeft [appellante] op de zitting verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 juni 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:7455. [appellante] betoogt voorts dat het besluit van 23 mei 2016 niet zou zijn genomen en dat zij niet weer bezwaar had hoeven te maken, als het college van meet af aan het standpunt had ingenomen dat thans door het dagelijks bestuur van Werkzaak Rivierenland is ingenomen. Dat het tot dit besluit is gekomen ligt in de risicosfeer van het college en mag redelijkerwijs niet met zich brengen dat zij zelf de kosten van de procedure moet voldoen, aldus [appellante].

Beoordeling gronden in beroep

7.1.    Artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Rechtsbijstand (hierna: de Wrb) luidt als volgt: "Het bestuur kan de toevoeging weigeren indien de aanvraag betrekking heeft op een rechtsbelang ter zake waarvan de aanvrager aanspraak kan maken op rechtsbijstand op grond van een eerder afgegeven toevoeging".

    Artikel 32 van de Wrb luidt als volgt: "De toevoeging geldt uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake waarvoor zij is verleend en, in het geval van een procedure, voor de behandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen".

    De raad voert bij de toepassing van de Wrb het beleid neergelegd in de Werkinstructies "Toevoegen", die mede zien op het bereik (hierna: de werkinstructie). Volgens de inleiding van hoofdstuk 1 van de werkinstructie toetst de raad als eerder een toevoeging aan een rechtzoekende is verstrekt bij de volgende aanvraag of sprake is van hetzelfde rechtsbelang. Als dit het geval is, toetst de raad of sprake is van diversiteit van procedures.

    Volgens paragraaf 1.3 van de werkinstructie is bij de toets aan het criterium diversiteit van procedures van belang of:

1. op de eerder afgegeven toevoeging een procedure is gevoerd, én

2. op de gevraagde toevoeging daadwerkelijk een procedure bij een andere instantie wordt gevoerd.

Indien beide vragen positief worden beantwoord, is sprake van een diversiteit van procedures.

    Volgens paragraaf 1.4 van de werkinstructie is geen sprake van diversiteit van procedures als beide procedures wat betreft het onderwerp van geschil en het daaraan ten grondslag liggende feitencomplex identiek of vrijwel identiek zijn.

7.2.    De uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 juni 2013 waarnaar [appellante] heeft verwezen, is deels vernietigd bij uitspraak van de Afdeling van 10 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3343. De Afdeling heeft overwogen dat gelet op artikel 28, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 32 van de Wrb, in geval van verschillende rechtsbelangen waarvoor rechtsbijstand wordt gevraagd, in beginsel meer toevoegingen moeten worden verstrekt. Als er één rechtsbelang is, kan met één toevoeging worden volstaan, tenzij sprake is van behandeling van een procedure in meer dan één instantie. Voorts heeft de Afdeling overwogen dat de rechtbank ten onrechte artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 van betekenis heeft geacht voor de vraag of bij hetzelfde rechtsbelang een tweede toevoeging dient te worden verstrekt. Niet van belang is of er meer dan één procedure als bedoeld in die bepaling aanhangig is, maar of een procedure in of bij meer dan één instantie wordt behandeld. Onder ‘instantie’ wordt verstaan 'aanleg' dan wel 'openbaar lichaam' of 'overheidsorgaan', aldus de uitspraak van 10 september 2014.

7.3.    De aangevraagde toevoeging heeft betrekking op hetzelfde rechtsbelang als bij de eerder verleende toevoeging aan de orde was. Beide procedures zijn gericht tegen het terugvorderen van de bijstandsuitkering.

Ter beoordeling ligt derhalve voor of sprake is van een diversiteit van procedures.

    Op de eerder verleende toevoeging is een bezwaarprocedure gevoerd over de terugvordering van de bijstandsuitkering. De aangevraagde toevoeging heeft eveneens betrekking op een bezwaarprocedure hierover. De behandeling van beide bezwaarprocedures kan worden begrepen onder de behandeling in één instantie als bedoeld in artikel 32 van de Wrb. Dat het ene terugvorderingsbesluit door het college en het andere terugvorderingsbesluit door het dagelijks bestuur van Werkzaak Rivierenland is genomen, maakt dit niet anders, nu de bevoegdheden die het college voorheen uitoefende in het kader van de Participatiewet zijn gedelegeerd aan het dagelijks bestuur van Werkzaak Rivierenland.

    [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de tweede bezwaarprocedure wat betreft het onderwerp van geschil en het daaraan ten grondslag liggende feitencomplex zodanig van de eerste bezwaarprocedure verschilt, dat moet worden geconcludeerd dat beide bezwaarprocedures niet identiek of vrijwel identiek zijn. Daaraan doet niet af dat de periode waarover de bijstandsuitkering wordt teruggevorderd in het besluit van 23 mei 2016 korter is dan in het besluit van 16 december 2014 het geval was. Naar het oordeel van de Afdeling is dit slechts een gering verschil.

    De tijdspanne tussen beide bezwaarprocedures maakt voorts niet dat deze procedures verschillend zijn wat betreft het onderwerp van geschil en het daaraan ten grondslag liggende feitencomplex.

    De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat sprake is van hetzelfde rechtsbelang en geen sprake is van diversiteit van procedures. De raad heeft in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid om de aangevraagde toevoeging te weigeren.

7.4.    Het betoog dat het bestreden besluit tot gevolg heeft dat [appellante] op eigen kosten de bezwaarprocedure moet voeren, wordt niet gevolgd. De werkzaamheden vallen onder het bereik van de eerder verleende toevoeging met kenmerk 1GZ9209. Zij hoeft derhalve geen bezwaarprocedure op eigen kosten te voeren.

7.5.    Het betoog faalt.

Conclusie

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. De Vlieger-Mandour

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2017

615.