Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1922

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
201705358/1/A3 en 201705358/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juni 2017 heeft de burgemeester aan [appellant] voor een periode van tien dagen een huisverbod opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201705358/1/A3 en 201705358/2/A3.

Datum uitspraak: 19 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Winterswijk,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank) van 3 juli 2017 in zaak nrs. 322510 en 322659 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Winterswijk.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2017 heeft de burgemeester aan [appellant] voor een periode van tien dagen een huisverbod opgelegd.

Bij besluit van 27 juni 2017 heeft de burgemeester het huisverbod verlengd met achttien dagen, zijnde tot 16 juli 2017, 14:25 uur.

Bij uitspraak van 3 juli 2017 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen deze besluiten ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 juli 2017, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. S.B.M.A. Engelen, advocaat te Venlo, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. G. Siner, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    De burgemeester heeft de oplegging en de verlenging van het huisverbod noodzakelijk geacht met het oog op de veiligheid van de partner, de minderjarige zoon en het ongeboren kind van [appellant].

3.    [appellant] heeft het hoger beroep en het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening met name ingediend omdat hij door het huisverbod geen contact kan hebben met zijn zoon. Volgens [appellant] bestaat geen grond voor vrees voor ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van zijn zoon, dan wel voor een ernstig vermoeden van dit gevaar.

Op 20 juni 2017 heeft de rechter-commissaris besloten tot schorsing van zijn voorlopige hechtenis. Daarbij is onder meer een contactverbod met zijn partner als voorwaarde gesteld, maar bepaald dat zal worden vastgesteld hoe [appellant] ondanks dit verbod contact met zijn zoon kan houden. Gelet op het hem opgelegde contactverbod met zijn partner dient het huisverbod geen doel meer. Dientengevolge heeft het huisverbod in dit geval een punitief karakter, nu dit zich tot zijn zoon uitstrekt. Derhalve houdt het huisverbod in dit geval een criminal charge in, als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hiena: het EVRM). Het besluit tot het opleggen en het verlengen van het huisverbod voldoet niet aan de eisen die daarvoor op grond van artikel 6 van het EVRM gelden. Gelet hierop heeft de burgemeester met de oplegging en de verlenging van het huisverbod artikel 6 van het EVRM geschonden, aldus [appellant]. Hij verzoekt de burgemeester te veroordelen tot vergoeding van de door hem als gevolg van het huisverbod geleden schade.

3.1.    Het betoog faalt. De rechtbank is terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de burgemeester bevoegd was het huisverbod op te leggen en te verlengen en in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Niet wordt bestreden dat tijdens het incident op 18 juni 2017, in welk incident de burgemeester aanleiding heeft gezien het huisverbod op te leggen, zich een handgemeen tussen [appellant] en zijn zwangere partner heeft voorgedaan, waarbij hij haar heeft geslagen en geschopt, en dat hun minderjarige zoon daarbij in de woning aanwezig was. [appellant] is bekend met geweldsdelicten en huiselijk geweld. Er is sprake van een duurzaam verstoorde relatie tussen [appellant] en zijn partner, waarbij al langere tijd bedreiging en lichamelijk en verbaal geweld door [appellant] jegens zijn partner plaatsvindt. Geweld heeft ook in aanwezigheid van de zoon plaatsgehad. Aan [appellant] is eerder, in 2015, een huisverbod opgelegd. [appellant] heeft zich niet altijd aan afspraken met de hulpverlenende instanties gehouden. Gezien de aan de orde zijnde individuele problemen en relatieproblemen bestaat een verhoogd veiligheidsrisico als het huisverbod wordt opgeheven voordat de hulpverlening goed op gang is gekomen.

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 27 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2495), is het besluit tot oplegging en verlenging van een huisverbod niet punitief van aard en geen 'criminal charge' in de zin van artikel 6 van het EVRM. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet tijdelijk huisverbod strekt het huisverbod opgelegd door de burgemeester ertoe in een noodsituatie escalatie te voorkomen en hulp te bieden. Het voorziet primair in een mogelijkheid om vroegtijdig op te treden uit oogpunt van bescherming en preventie. Huiselijk geweld kan worden voorkomen en er kan worden voorzien in een afkoelingsperiode (Kamerstukken II 2005/06, 30 657, nr. 3, blz. 2 en 6). De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat als gevolg van het aan [appellant] opgelegde contactverbod het besluit van de burgemeester tot het opleggen en het verlengen van het huisverbod niet meer uitsluitend het karakter van een maatregel ter waarborging van de veiligheid van personen heeft, maar mede is gericht op leedtoevoeging en daarom een punitief karakter heeft. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen strijd is met artikel 6 van het EVRM.

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

6.    Gezien het vorenstaande doet zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb opgenomen omstandigheden voor op grond waarvan een veroordeling tot vergoeding van geleden schade kan worden uitgesproken. Het verzoek van [appellant] daartoe zal reeds daarom worden afgewezen.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af;

III.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.

w.g. Lubberdink    w.g. De Wilde

voorzieningenrechter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2017

598.