Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1920

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-07-2017
Datum publicatie
26-07-2017
Zaaknummer
201608082/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:8025, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 maart 2015 heeft het college besloten de aansluiting van de a gen Bies op de Kloosterlaan te Schinveld te laten vervallen en het terras van IJscoland te vergroten door het aanpassen van de bestrating en het doortrekken van het natuurstenen muurtje van het huidige terras.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/787
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608082/1/A2.

Datum uitspraak: 26 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Schinveld, gemeente Onderbanken,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 september 2016 in zaak nr. 15/1561 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Onderbanken.

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2015 heeft het college besloten de aansluiting van de a gen Bies op de Kloosterlaan te Schinveld te laten vervallen en het terras van IJscoland te vergroten door het aanpassen van de bestrating en het doortrekken van het natuurstenen muurtje van het huidige terras.

Bij uitspraak van 15 september 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 maart 2015 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting, gevoegd met zaak, ECLI:NL:RVS:2017:1921, behandeld op 1 juni 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. B. Smit, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door [gemachtigden], zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

De Afdeling heeft het onderzoek geschorst teneinde het college nogmaals de gelegenheid te geven schriftelijk te reageren op het hogerberoepschrift en [appellant] de gelegenheid te geven te reageren op de door het college in zaak, ECLI:NL:RVS:2017:1921, ingediende schriftelijke uiteenzetting. [appellant] heeft bij brief van 19 juni 2017 een schriftelijke reactie gegeven. Met toestemming van partijen is afgezien van een hernieuwde zitting, waarna het onderzoek is gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. De raad van de gemeente Onderbanken heeft op 8 mei 2014 middels een motie, het college verzocht te onderzoeken of het terras bij de ijssalon "IJscoland" te Schinveld kan worden vergroot. Het college heeft naar aanleiding hiervan op 5 augustus 2014 een ontwerp-verkeersbesluit ter inzage gelegd. Na de indiening van zienswijzen, onder meer door [appellant], heeft het college het definitieve verkeersbesluit van 3 maart 2015 genomen. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat het uit een oogpunt van het verzekeren van de veiligheid van de weg wenselijk is om geen verkeer nabij het terras van de ijssalon te laten rijden. Het terras van IJscoland is aan de krappe kant voor de hoeveelheid bezoekers van IJscoland. Een gevolg is dat bezoekers veelal op de rijweg van de aansluiting a gen Bies op de Kloosterlaan verblijven. Tevens wordt op dit gedeelte van de a gen Bies, waar eenrichtingsverkeer in de richting van de Kloosterlaan is toegestaan, het eenrichtingsverkeer genegeerd en ontstaan er gevaarlijke situaties doordat het verkeer vlak langs het terras rijdt. Het doortrekken van het trottoir op de Kloosterlaan voorkomt conflicten tussen voetgangers en gemotoriseerd verkeer. Het is van belang dat er zo min mogelijk kruisend verkeer is, te meer omdat de bushalte voor meer kruisend verkeer zorgt, aldus het college.

Wettelijk kader

2. Artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) luidt: "De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer."

Artikel 21 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer luidt: "De motivering van het verkeersbesluit vermeldt in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de wet genoemde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen."

Gronden van het hoger beroep

3. [ appellant] betoogt dat het verkeersbesluit niet is genomen in het belang van de verkeersveiligheid maar als doelstelling heeft het terras van de ijssalon te vergroten. De belangen zijn onvoldoende onderzocht. Het verkeer op de a gen Bies is enorm toegenomen, de weg wordt als sluiproute gebruikt en auto’s rijden met enorm hoge snelheid voorbij. De door [appellant] ingeschakelde verkeersdeskundige, J.A.J. Vermeeren, werkzaam bij VAGN - Adviseurs voor verkeer, vervoer en infrastructuur (hierna: VAGN), heeft er in een advies van 5 juni 2015 op gewezen dat de verkeersveiligheid met het verkeersbesluit niet wordt gediend. Zo zal het verkeer dat via de a gen Bies richting Kloosterlaan rijdt op de hoek met de secundaire rijbaan van de Kloosterlaan worden geconfronteerd met een inrijverbod, omdat daar eenrichtingsverkeer in de richting van de a gen Bies geldt. Ook rijdt er per saldo meer verkeer langs het terras, omdat er meer lengte langs de drukst bereden straten ligt. Door het muurtje en de bollen die de voetgangers moeten afschermen van de rijbaan wordt de kant van het rijdende verkeer opgezocht en neemt de afstand tot het verkeer niet of nauwelijks toe. Het verbrede trottoir zal ook niet kunnen voorkomen dat het muurtje en de bollen als speel- en zitelement worden gebruikt, nabij rijdend verkeer. De kans op conflicten tussen voetgangers en snelverkeer neemt dus niet af, maar toe. Vermeeren heeft er voorts op gewezen dat bezoekers per auto nog meer dan nu het geval is oneigenlijk gebruik gaan maken van de trottoirs om ‘even snel’ te parkeren, nu de parkeerplaatsen op de secundaire rijbaan van de Kloosterlaan minder aantrekkelijk zijn geworden.

Ook staan fietsen, scooters en motoren wild geparkeerd op het trottoir bij de muurtjes, op het trottoir bij Kloosterlaan 10 en in de bocht bij de bakkerij. Bij de ingang vanaf de Kloosterlaan kan men niet verder, wat resulteert in parkeren van tweewielers in allerlei vorm, rollators en scootmobielen en blokkade van het trottoir, zodat voetgangers over de weg moeten. De situatie is er volgens [appellant] niet veiliger, maar onveiliger op geworden.

Voorts betoogt [appellant] dat de bereikbaarheid van zijn woning voor de hulpdiensten onvoldoende is geborgd. Over de uitgevoerde testrit met de brandweer is hij niet van te voren geïnformeerd. De bocht Pastoor Brounsstraat - a gen Bies is problematisch, aangezien hier heel vaak auto’s geparkeerd staan die de doorgang belemmeren, aldus [appellant].

Beoordeling van het hoger beroep

Verkeersveiligheid

4. Het verkeersbesluit is genomen ten behoeve van het verzekeren van de veiligheid op de weg als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wvw 1994. Zoals de rechtbank terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:59, heeft overwogen komt het college bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de begrippen 'veiligheid op de weg', 'bruikbaarheid (van de weg)' en 'vrijheid van verkeer'. Het is aan het college om de verschillende belangen die betrokken moeten worden bij het nemen van een verkeersbesluit tegen elkaar af te wegen om te beoordelen wanneer de in artikel 2 van de Wvw 1994 vermelde belangen het nemen van een verkeersmaatregel vergen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het college genoegzaam heeft onderbouwd dat het vergroten van het terras tot doel heeft de verkeersveiligheid op de weg te verzekeren. [appellant] bestrijdt dat de verkeersveiligheid met het verkeersbesluit wordt gediend.

4.1. In het advies van VAGN van 5 juni 2015 is gesteld dat verkeer dat via de a gen Bies in de richting van de Kloosterlaan rijdt, op de hoek wordt geconfronteerd met een inrijverbod. Het instellen van eenrichtingsverkeer op de a gen Bies zou onderdeel moeten uitmaken van het verkeersbesluit, omdat het een niet los kan worden gezien van het ander. Na de zitting van de rechtbank heeft het college advies gevraagd aan Nordinfra. Ook in dit advies van 4 april 2016 wordt de gemeente geadviseerd op verkeerskundige gronden een aanvullend verkeersbesluit te nemen om te voorkomen dat verkeer, komende vanuit de Pastoor Brounsstraat, zich op de a gen Bies bij de ijssalon "vastrijdt" en daar vlak bij het terras verplicht moet keren. Zoals in dit advies is gesteld, is de gemeente voornemens om het centrum van Schinveld verkeersluwer te maken om zodoende het woon- en leefklimaat in deze kern te verbeteren. Ter concretisering van dit voornemen wordt een Verkeerscirculatieplan voor de kern Schinveld uitgewerkt, waarin wordt voorgesteld om diverse straten verkeersluwer te maken door middel van eenrichtingsverkeer en afsluitingen om zodoende meer ruimte te bieden aan voetgangers, fietsers, terrassen en dergelijke. De beoogde maatregel is daarmee in lijn met het gemeentelijke beleid, aldus het advies.

4.2. Zoals ook ter zitting door het college is medegedeeld, maakt het verkeersbesluit onderdeel uit van een verkeerscirculatieplan dat voor het centrum van Schinveld wordt uitgewerkt. Vooruitlopend op de totstandkoming van dat plan heeft het college de motie van de raad opgepakt en daaraan alvast uitvoering gegeven door het in geding zijnde verkeersbesluit te nemen. Uit de motie van de raad blijkt evenwel niet dat het uit een oogpunt van verkeersveiligheid om een acuut probleem ging dat niet kon wachten op de totstandkoming van het verkeerscirculatieplan. De in het advies van de VAGN genoemde argumenten op grond waarvan wordt geconcludeerd dat de verkeersveiligheid bij de afsluiting van de weg niet verbetert, zijn door het college niet weerlegd. Ook heeft het college onvoldoende in beeld gebracht en meegewogen welke nadelige gevolgen het verkeersbesluit in de directe omgeving heeft en welke aanvullende maatregelen nodig zijn om uiteindelijk tot een aanvaardbare situatie te komen. Het college heeft erkend dat aanvullende maatregelen nodig zijn, zonder duidelijkheid te kunnen geven welke maatregelen dat zijn. Dat het, zoals het college ter zitting heeft gesteld, voor het college een doorlopend proces is, waarbij moet worden bekeken wat het effect van een maatregel is, neemt niet weg dat het vastlopen van het verkeer, komende vanaf de Pastoor Brounsstraat, ter hoogte van het terras van de ijssalon voorzienbaar was. Dit is blijkens de uitgebrachte adviezen een uit verkeerskundig oogpunt onwenselijke situatie, die afbreuk doet aan het met het verkeersbesluit beoogde doel. Nu als gevolg van het verkeersbesluit aanvullende maatregelen nodig zijn, die ook van invloed kunnen zijn op het woon- en leefklimaat, kan het college niet worden gevolgd in zijn standpunt dat deze aspecten los van elkaar staan.

Overlast door fietsen

4.3. In het advies van VAGN van 19 mei 2015 wordt bij de bespreking van de overlast door fietsen uitgegaan van de veronderstelling dat als het terras groter wordt, de aanloop naar IJscoland toeneemt. Het college heeft zijn aanname dat een vergroting van het terras niet betekent dat er meer bezoekers komen, niet nader toegelicht. Na de zitting van de rechtbank heeft het college in een notitie het voornemen geuit, naast de huidige fietsenstalling die plaats biedt aan 8 fietsen, indien blijkt dat deze niet toereikend is, een aanvullende fietsenstalling op één parkeervak te realiseren. [appellant] heeft aangevoerd dat, anders dan door het college wordt gesteld, er geen bloembakken zijn geplaatst, geen waarschuwingstegels in het trottoir zijn aangebracht en geen fietsenstalling is neergezet. Hoewel door het college ter zitting is medegedeeld dat het zich aan deze toezeggingen zal houden, zijn deze flankerende maatregelen niet bij het nemen van het verkeersbesluit betrokken en is voor [appellant] niet duidelijk op welke wijze en op welke termijn daaraan uitvoering zal worden gegeven.

Tussenconclusie

4.4. Gezien hetgeen is overwogen onder 4.2 en 4.3 zijn de belangen van [appellant], als omwonende, onvoldoende onderkend en afgewogen. De conclusie is dat het verkeersbesluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen en een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, ontbeert.

Het betoog slaagt.

Overlast door verminderde bereikbaarheid en parkeeroverlast

4.5. Voor zover [appellant] heeft betoogd dat de bereikbaarheid van zijn woning voor de hulpdiensten onvoldoende is geborgd, moet, gelet ook op de in het advies van Nordinfra genoemde rijbaanbreedte van de wegen en het parkeerverbod ter plaatse, worden uitgegaan van de juistheid van het standpunt van het college dat de bocht Pastoor Brounsstraat - a gen Bies voldoet aan de in de "Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom" van het CROW gestelde voorschriften. De brandweer heeft op 6 april 2016 een positief advies gegeven en op 17 november 2016 een testrit gemaakt. De bereikbaarheid van de gebouwen aan de a gen Bies/Kloosterlaan maakt voor brandweervoertuigen geen verschil ten opzichte van de huidige situatie, aldus het emailbericht van 17 november 2016. Ook de ambulancedienst heeft een - summier - positief advies gegeven. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen kan dan ook niet worden vastgesteld dat de hulpdiensten de a gen Bies door de afsluiting op de Kloosterlaan niet langer kunnen bereiken. Voorzover fout geparkeerde auto’s de doorgang bij de bocht Pastoor Brounsstraat - a gen Bies belemmeren, is dat een kwestie van handhaving, hetgeen in deze procedure niet aan de orde is. Dit geldt ook voor de stelling van [appellant] dat bezoekers per auto nog meer dan voor het nemen van het verkeersbesluit het geval was hun auto zullen parkeren op de trottoirs bij de ijssalon. Op grond van hetgeen het college heeft gesteld moet ervan worden uitgegaan dat er ruim voldoende parkeergelegenheid in de directe omgeving van de a gen Bies beschikbaar is.

Dit betoog faalt.

De stelling van [appellant] dat de a gen Bies door recente aanpassingen aan de Pastoor Brounsstraat slechter bereikbaar is geworden voor grote voertuigen, zoals brandweerauto’s, dient het college bij het nemen van het nieuwe besluit op bezwaar te betrekken.

Conclusie

5. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 3 maart 2015 in stand blijven. Het college dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen onder 4.2 en 4.3 van deze uitspraak is overwogen.

6. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 15 september 2016 in zaak nr. 15/1561, voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 3 maart 2015 in stand blijven;

III. bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Onderbanken tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Onderbanken aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 251,00 (zegge: tweehonderdeenenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier.

w.g. Pans w.g. Van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2017

97.