Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:192

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
201600447/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 mei 2015 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [dochter] om wijziging van haar geslachtsnaam in [stiefvader] toegewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2017/5031
JB 2017/50 met annotatie van J.J.J. Sillen
JIN 2017/87 met annotatie van J.J.J. Sillen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600447/1/A3.

Datum uitspraak: 25 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 december 2015 in zaak nr. 15/3620 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2015 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [dochter] om wijziging van haar geslachtsnaam in [achternaam stiefvader] toegewezen.

Bij besluit van 29 juli 2015 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 december 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 september 2016, waar [appellant], en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. R. van den Boom, zijn verschenen.

Na het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. De Afdeling heeft de staatssecretaris verzocht nadere informatie te verschaffen. De minister van Veiligheid en Justitie heeft hier bij brief van 11 november 2016 op geantwoord. [appellant] en [dochter] en [stiefvader] zijn in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren en hebben dit gedaan bij brieven van onderscheidenlijk 30 november 2016, 25 november 2016 en 8 december 2016.

Met toestemming van partijen is een nadere behandeling van de zaak ter zitting achterwege gebleven. De Afdeling heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1. dochter] heeft de staatssecretaris verzocht haar geslachtsnaam te wijzigen in de naam van haar stiefvader, [achternaam stiefvader]. De biologische vader van [dochter], [appellant], kan zich niet verenigen met het besluit van de staatssecretaris om de aanvraag van zijn dochter in te willigen.

Bevoegdheid staatssecretaris

2. Naar aanleiding van het gestelde door [appellant] over de bevoegdheid van de staatssecretaris overweegt de Afdeling het volgende. De minister heeft bij brief van 11 november 2016 gereageerd op het verzoek van de Afdeling om nadere inlichtingen te verstrekken over de bevoegdheid van de staatssecretaris de besluiten over de geslachtsnaamswijziging van 8 mei 2015 en van 29 juli 2015 te nemen. De minister heeft toegelicht dat, omdat het ‘Besluit van de minister van Veiligheid en Justitie, houdende bekendmaking van de taak waarmee de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie meer in het bijzonder zal zijn belast’ uitdrukkelijk op naam van F. Teeven was gesteld, dit Besluit met het aftreden van F. Teeven als staatssecretaris op 9 maart 2015 is komen te vervallen. Vervolgens is de bevoegdheid als in deze zaak aan de orde niet opnieuw aan de staatssecretaris toebedeeld. De staatssecretaris heeft daarom ten onrechte de besluiten van 8 mei 2015 en 29 juli 2015 genomen, aldus de minister.

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het ‘Besluit van de minister van Veiligheid en Justitie, houdende bekendmaking van de taak waarmee de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie meer in het bijzonder zal zijn belast’, dat in werking is getreden op 5 november 2012, is de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, de heer mr. F. Teeven, in het bijzonder belast met besluiten ten aanzien van het personen- en familierecht.

Ingevolge artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Volgens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 14) is niet de aard van het geschonden voorschrift beslissend voor de beantwoording van de vraag of een gebrek in een besluit kan worden gepasseerd, maar uitsluitend het antwoord op de vraag of door de schending iemand is benadeeld.

2.2. De Afdeling stelt - gelet op de tenaamstelling van het in 2.1 genoemde besluit - vast dat de staatssecretaris in de persoon van F. Teeven tot en met 9 maart 2015 bevoegd was besluiten te nemen ten aanzien van het personen- en familierecht, waaronder geslachtsnaamswijzigingen. Daarna heeft de minister niet opnieuw in enig besluit bepaald dat dergelijke aangelegenheden worden toebedeeld aan de staatssecretaris. De bevoegdheid tot het nemen van besluiten over geslachtsnaamswijzigingen is daarom op 9 maart 2015 weer bij de minister komen te rusten. Dit brengt met zich dat de staatssecretaris op 8 mei 2015 en 29 juli 2015 niet bevoegd was de besluiten omtrent de wijziging van de geslachtsnaam van [dochter] te nemen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

[appellant] heeft in zijn brief van 30 november 2016 gesteld dat hij zich beledigd voelt omdat hij een zorgvuldige behandeling van zijn bezwaar had verwacht, terwijl achteraf is gebleken dat een onbevoegde persoon daarop heeft beslist. De Afdeling is evenwel van oordeel dat niet aannemelijk is dat [appellant] door dit gebrek is benadeeld en ziet aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de minister in zijn brief van 11 november 2016 heeft ingestemd met de inhoud van voormelde besluiten en de overwegingen in deze besluiten voor zijn rekening heeft genomen. Nu achteraf bezien blijkt dat de minister bevoegd was en niet de staatssecretaris faalt voorts het betoog van [appellant] dat de nadere inlichtingen door de staatssecretaris hadden moeten worden verstrekt omdat het verzoek van de Afdeling aan hem was gericht en niet aan de minister. Verder is niet aannemelijk geworden dat [dochter] dan wel [stiefvader] door het bevoegdheidsgebrek zijn benadeeld. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding de uitspraak van de rechtbank te vernietigen om de reden dat niet is onderkend dat de besluiten van 8 mei 2015 en 29 juli 2015 onbevoegd zijn genomen.

Inhoudelijk

3. [ appellant] betoogt dat in het besluit van 29 juli 2015 niet is onderkend dat niet aan de voorwaarden uit het Besluit geslachtsnaamswijziging (hierna: het Besluit) is voldaan. Hij stelt dat de wetgever heeft bepaald dat verzoeken om geslachtsnaamswijziging heel zorgvuldig moeten worden behandeld. Het huwelijk van de moeder van [dochter] met [stiefvader] is inmiddels echter ontbonden, zodat [stiefvader] ten onrechte is aangemerkt als de levensgezel van de ouder. Daarnaast heeft de staatssecretaris ten onrechte aangenomen dat aan de vereisten van verzorging en opvoeding in het Besluit is voldaan.

3.1. Ingevolge artikel 1:7, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de geslachtsnaam van een persoon op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, door de Koning worden gewijzigd.

Ingevolge het vijfde lid worden bij algemene maatregel van bestuur regelen gesteld betreffende de gronden waarop de geslachtsnaamswijziging kan worden verleend, de wijze van indiening en behandeling van verzoeken als in het eerste en het tweede lid bedoeld en betreffende het voor wijziging van de geslachtsnaam verschuldigde recht.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit wordt op eensluidend verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger en van degene wiens geslachtsnaam ten behoeve van de minderjarige wordt verzocht, of, indien de naam van een overleden ouder wordt verzocht, op verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger, de geslachtsnaam van een minderjarige van twaalf jaren of ouder gewijzigd in de geslachtsnaam van de levensgezel van de ouder, indien deze persoon anders dan als ouder de minderjarige tezamen met de ouder gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek heeft verzorgd en opgevoed.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, wordt op verzoek van een meerderjarige zijn geslachtsnaam gewijzigd in een geslachtsnaam als bedoeld in artikel 3, eerste lid, indien de verzorging en opvoeding enige tijd gedurende de minderjarigheid hebben geduurd.

3.2. De staatssecretaris heeft in zijn verweerschrift gesteld dat het huwelijk van de moeder van [dochter] met [stiefvader] op 1 maart 2016 is ontbonden. [appellant] heeft dit niet weersproken. Daargelaten het antwoord op de vraag of de ontbinding van het huwelijk in dit geval maakt dat [stiefvader] niet als levensgezel van de moeder van [dochter] kan worden aangemerkt, betreft de ontbinding van het huwelijk een feit dat zich na het nemen van het bij de rechtbank bestreden besluit heeft voorgedaan. Dit kan de rechtmatigheid van dat besluit dan ook niet aantasten.

In het besluit van 8 mei 2015 staat dat uit onderzoek is gebleken dat [dochter], tijdens haar minderjarigheid enige tijd is verzorgd en opgevoed door [stiefvader]. In zijn verweerschrift heeft de staatssecretaris nader toegelicht dat dit onderzoek betrekking heeft op gegevens in de Basisregistratie personen en hetgeen [dochter] zelf naar voren heeft gebracht. Zo heeft [dochter] bij haar aanvraag om wijziging van haar geslachtsnaam verklaard dat zij van "jongs af aan is opgevoed en opgegroeid door en met [stiefvader]". De staatssecretaris heeft voorts bij zijn beoordeling van belang geacht dat [stiefvader], [dochter], haar moeder en de overige gezinsleden sinds 1995 een gezin vormden. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat van verzorging en opvoeding door [stiefvader] geen sprake is geweest. Het betoog dat [stiefvader] niet de kosten van opvoeding, vorming en opleiding van [dochter] voor zijn rekening heeft genomen, wat daarvan verder ook zij, slaagt voorts niet. Daarmee heeft [appellant] niet weerlegd dat verzorging en opvoeding enige tijd gedurende de minderjarigheid heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft gelet op het vorenstaande met juistheid geoordeeld dat in dit geval aan artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit is voldaan.

De rechtbank heeft, anders dan [appellant] kennelijk meent, voorts terecht verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 4 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1999, waarin is overwogen dat de staatssecretaris het verzoek om geslachtsnaamswijziging dient te beoordelen aan de hand van de van toepassing zijnde regelgeving en hij, ook in het geval daaraan wordt voldaan, bij de uitoefening van die bevoegdheid alle relevante feiten en rechtstreeks betrokken belangen moet betrekken. [appellant] heeft overigens niet onderbouwd waarom het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris - gelet op de relevante feiten en rechtstreeks betrokken belangen - in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen, niet juist zou zijn.

Het betoog faalt.

4. [ appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) in haar oordeel heeft betrokken. Hij stelt dat hij zich in beroep niet specifiek op dit artikel heeft beroepen. Voor zover het EVRM ten opzichte van de nationale regelgeving ruimere mogelijkheden biedt om tot wijziging van de geslachtsnaam over te gaan, stelt [appellant] dat dienaangaande niet het EVRM, maar de Nederlandse wet dient te worden gevolgd. Volgens hem mag de staatssecretaris bij het nemen van een besluit tot geslachtsnaamswijziging niet van de Nederlandse wet afwijken.

4.1. In het beroepschrift van [appellant] bij de rechtbank staat dat hij, ondanks het feit dat hij zich niet in het EVRM heeft verdiept, hoopt dat het EVRM mogelijkheden biedt voor afwijzing van het verzoek om geslachtsnaamswijziging. Gelet op de verplichting in artikel 8:69 van de Awb dat de bestuursrechter ambtshalve de rechtsgronden aanvult, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte artikel 8 van het EVRM in haar oordeel heeft betrokken. [appellant] heeft zich in hoger beroep ook niet op specifieke artikelen van het EVRM beroepen. De Afdeling ziet in het betoog van [appellant] voorts geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:69 van de Awb andere artikelen van het EVRM bij de beoordeling te betrekken.

Ten aanzien van het betoog of in dit geval van de Nederlandse wet mag worden afgeweken, overweegt de Afdeling dat het EVRM een ieder verbindende verdragsbepalingen bevat als bedoeld in artikel 94 van de Grondwet. In Nederland werkt het EVRM derhalve automatisch door in de nationale rechtsorde, waardoor wetgever, rechter en bestuur eraan zijn gebonden en niet in strijd daarmee mogen handelen. Daarnaast is overigens niet gebleken dat het besluit is genomen in strijd met de in 3.1 genoemde regelingen noch enig andere relevante publiekrechtelijke regeling.

Het betoog faalt.

5. [ appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op zijn verzoek als bedoeld in artikel 1:406 van het BW. Volgens hem heeft [stiefvader] niet aan zijn verplichtingen wat betreft de kosten van opvoeding, vorming en opleiding van [dochter] voldaan. Hij verzoekt de Afdeling [stiefvader] te sommeren tot betaling over te gaan.

5.1. Ingevolge artikel 1:406 van het BW kan, indien een ouder of stiefouder zijn verplichting tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding niet of niet behoorlijk nakomt, de andere ouder of voogd de rechtbank verzoeken het bedrag te bepalen dat deze ouder of stiefouder ten behoeve van het kind zal moeten uitkeren.

De Afdeling overweegt dat geschillen over de door [appellant] genoemde verplichtingen niet aan de bestuursrechter, maar aan de burgerlijke rechter dienen te worden voorgelegd. De bestuursrechter was derhalve niet bevoegd zich over het verzoek als bedoeld in artikel 1:406 van het BW uit te laten. Om dezelfde reden zal de Afdeling evenmin uitspraak doen op dit verzoek. Hiervoor staat slechts een vordering bij de burgerlijke rechter open. Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Konings

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2017

612.