Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1909

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2017
Datum publicatie
19-07-2017
Zaaknummer
201602414/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:1016, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 oktober 2015 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring ingewilligd en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201602414/1/V2.

Datum uitspraak: 13 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 9 maart 2016 in zaak nr. 15/20056 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 15 oktober 2015 heeft de staatssecretaris een verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring ingewilligd en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

Bij uitspraak van 9 maart 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B.W.M. Toemen, advocaat te 's- Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    In hoger beroep is niet in geschil dat de vreemdeling op 9 november 2004 en 18 augustus 2006 door de politierechter is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf maanden voor het bezit van een vals reisdocument, verduistering en valsheid in geschrifte. De staatssecretaris heeft de vreemdeling daarop ongewenst verklaard. Nadat hij de ongewenstverklaring heeft ingetrokken, heeft hij de vreemdeling een zwaar inreisverbod voor de duur van drie jaar opgelegd. Hieraan heeft de staatssecretaris voormelde veroordeling ten grondslag gelegd.

2.    De vreemdeling klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank heeft miskend dat het Unierechtelijke begrip 'gevaar voor de openbare orde', zoals nader uitgewerkt in het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015, Z.Zh. en I.O., ECLI:EU:C:2015:377, ook van toepassing is op het aan hem opgelegde inreisverbod. De staatssecretaris heeft voor het opleggen van het inreisverbod niet kunnen volstaan met alleen een verwijzing naar zijn strafrechtelijke veroordeling.

3.    De in deze grief opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling beantwoord in de uitspraak van 8 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3012. Uit die uitspraak volgt dat bij de toepassing van artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 de staatssecretaris per geval moet beoordelen of het persoonlijke gedrag van de betrokken vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Door alleen te verwijzen naar de strafrechtelijke veroordeling van de vreemdeling in 2004 en 2006, heeft de staatssecretaris onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt.

….De grief slaagt.

4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 15 oktober 2015 van de staatssecretaris alsnog gegrond verklaren en het besluit vernietigen.

5.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 9 maart 2016 in zaak nr. 15/20056;

III.    verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 15 oktober 2015, kenmerk […];

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.485,00 (zegge: veertienhonderdvijfentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Duyster, griffier.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Duyster

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2017

664.