Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1885

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2017
Datum publicatie
12-07-2017
Zaaknummer
201606554/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2016:2802, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2015 heeft de RDW de aan [wederpartij] verleende erkenning kentekenplaatfabrikant voor de duur van zes weken ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606554/1/A2.

Datum uitspraak: 12 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de directie van de Dienst Wegverkeer, gevestigd te Zoetermeer,

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel van 21 juli 2016 in zaken nrs. 16/1483 en 16/1484 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de directie van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW).

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2015 heeft de RDW de aan [wederpartij] verleende erkenning kentekenplaatfabrikant voor de duur van zes weken ingetrokken.

Bij besluit van 24 mei 2016 heeft de RDW het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 juli 2016 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 mei 2016 vernietigd, het besluit van 22 december 2015 herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de RDW hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

De RDW heeft een zienswijze op het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 mei 2017, waar de RDW, vertegenwoordigd door I.J. Brouwer, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. A. Arslan, advocaat te Zwolle, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De RDW heeft de aan [wederpartij] afgegeven erkenning voor de productieplaats in Dalfsen om kentekenplaten te fabriceren voor zes weken ingetrokken, omdat bij een controlebezoek aan die productieplaats is gebleken dat deze in strijd met de regelgeving kentekenplaten heeft doorgeleverd aan een vestiging van [wederpartij] in Assen. [wederpartij] bestrijdt dat zij de regelgeving heeft overtreden en stelt zich op het standpunt dat de erkenning ten onrechte is ingetrokken.

2.    Op 21 augustus 2015 heeft een bedrijvencontroleur van de RDW de productieplaats van [wederpartij] in Dalfsen bezocht in verband met de controle op de eisen en voorschriften verbonden aan de erkenning kentekenplaatfabrikant. Tijdens dit bezoek heeft de bedrijvencontroleur geconstateerd dat [wederpartij] de afgifte van de kentekenplaat met lamineercode 2137300011 en voorzien van kenteken [A] niet heeft geregistreerd, waardoor [wederpartij] niet heeft voldaan aan artikel 23, eerste lid, van de Erkenningsregeling fabrikanten kentekenplaten (hierna: de Erkenningsregeling).

3.    Bij brief van 8 september 2015 heeft de RDW de constatering van de bedrijvencontroleur aangemerkt als een categorie II-overtreding als bedoeld in de Toezichtbeleidsbrief Erkenninghouders RDW van 1 januari 2015. De RDW heeft [wederpartij] hiervoor een waarschuwing gegeven, inhoudende dat bij een nieuwe constatering van een overtreding van de voorschriften binnen een periode van 30 maanden, de erkenning kentekenplaatfabrikant tijdelijk of definitief wordt ingetrokken.

4.    Op 20 november 2015 heeft een bedrijvencontroleur van de RDW opnieuw een bezoek gebracht aan de productieplaats van [wederpartij] in Dalfsen. Daarbij heeft hij vastgesteld dat de kentekenplaten met de lamineercodes 2155000826 en 2155000827 en voorzien van het kenteken [B] onterecht zijn doorgeleverd aan een vestiging van [wederpartij] in Assen. Deze vaststelling is gebaseerd op de verklaring van [medewerker] die volgens het rapport van de bedrijvencontroleur heeft verklaard dat hij de bewuste blanco-kentekenplaten op 17 november 2015 heeft doorgeleverd aan de vestiging van [wederpartij] in Assen. Voorts zou deze medewerker hebben verklaard dat een klant uit Assen deze kentekenplaten had besteld, dit type platen niet in de productieplaats in Dalfsen kan worden geproduceerd en om die reden elders zijn besteld, waarna de platen na bezorging aan de productieplaats door een koerier van [wederpartij] in Assen zijn afgeleverd. Tot slot heeft de medewerker volgens het rapport verklaard dat de platen op dat moment nog op de vestiging in Assen lagen, maar dat die platen die middag door de klant zouden worden opgehaald.

5.    Aan het besluit van 22 december 2015, gehandhaafd bij het besluit van 24 mei 2016, heeft de RDW het rapport van de bedrijvencontroleur van het bezoek op 20 november 2015 ten grondslag gelegd.

6.    De RDW betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 23a, eerste lid, van de Erkenningsregeling geen grondslag biedt voor de opgelegde bestraffende sanctie. Blanco kentekenplaten mogen op grond van artikel 15, tweede lid, van de Erkenningsregeling in geen geval worden doorgeleverd aan een andere erkenninghouder. Dit geldt volgens de RDW evenzeer voor bedrukte kentekenplaten, behoudens de in artikel 23a, eerste lid, van de Erkenningsregeling opgenomen uitzondering. In deze bepaling is de enige uitzondering opgenomen met betrekking tot het doorleveren van bedrukte kentekenplaten en daarmee is tevens het verbod gegeven tot het doorleveren aan een ander dan aan een erkenninghouder. Dit wordt nog eens bevestigd door artikel 23a, derde lid, aanhef en onder f, van de Erkenningsregeling, waarin is bepaald dat bij doorlevering van de kentekenplaten, de erkenninghouder aan de RDW meldt aan welke kentekenplaatfabrikant de kentekenplaten zijn doorgeleverd. Daaruit volgt ook dat doorlevering aan een ander dan aan een andere kentekenplaatfabrikant is uitgesloten.

6.1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

6.2.    [wederpartij] is erkenninghouder voor haar vestiging in Dalfsen, die een productieplaats voor kentekenplaten is in de zin van de Erkenningsregeling. [wederpartij] heeft ook een vestiging in Assen, maar daarvoor heeft zij geen erkenning. De vestiging van [wederpartij] in Dalfsen heeft via de vestiging in Assen, dus op indirecte wijze, bedrukte kentekenplaten aan een kentekenhouder afgegeven. Feitelijk heeft de vestiging in Dalfsen de kentekenplaten daarmee aan de vestiging in Assen, niet zijnde een erkende productieplaats, geleverd.

    Een erkenninghouder geeft ingevolge artikel 20 van de Erkenningsregeling bedrukte kentekenplaten af aan kentekenhouders. Op grond van artikel 23a, eerste lid, van de Erkenningsregeling mag een erkenninghouder bepaalde, in die bepaling vermelde modellen kentekenplaten leveren aan een andere erkenninghouder. Hoewel uit de systematiek van de regelgeving zou kunnen worden afgeleid, zoals de RDW heeft betoogd, dat artikel 23a, eerste lid, van de Erkenningsregeling alleen doorlevering van bedrukte kentekenplaten aan een andere erkenninghouder toestaat, bevat deze bepaling geen uitdrukkelijk verbod op het doorleveren aan een ander dan een erkenninghouder zoals [wederpartij] heeft gedaan. Nu een dergelijk uitdrukkelijk verbod ontbreekt, kon de RDW niet aan [wederpartij] de sanctie opleggen van het voor zes weken intrekken van de erkenning. De rechtbank is terecht tot dezelfde slotsom gekomen.

    Het betoog faalt.

7.    Het hoger beroep van de RDW is ongegrond.

8.    [wederpartij] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van de RDW gegrond is. Nu het hoger beroep van de RDW ongegrond is, is deze voorwaarde niet vervuld en wordt aan een inhoudelijke bespreking van het incidenteel hoger beroep derhalve niet toegekomen.

9.    De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Rijsdijk

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2017

705. BIJLAGE - Wettelijk kader

Wegenverkeerswet

Artikel 40:

[…]

2. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de inrichting, het aanbrengen en de verlichting van het kenteken en worden regels vastgesteld omtrent de kentekenplaat en de onderdelen daarvan, alsmede de daarop aan te brengen merken.

[…]

Artikel 70a:

1. De Dienst Wegverkeer kan aan een natuurlijke persoon of rechtspersoon een erkenning verlenen waardoor deze gerechtigd is een of meer van de in artikel 40, tweede lid, bedoelde bij de erkenning aangewezen merken aan te brengen.

2. Het is verboden om zonder de in het eerste lid bedoelde erkenning de aldaar bedoelde merken aan te brengen.

3. Bij ministeriële regeling worden voorschriften vastgesteld die aan de erkenning worden verbonden en worden met betrekking tot die voorschriften regels vastgesteld. Die regels hebben in ieder geval betrekking op:

a. de fabricage en levering van kentekenplaten en onderdelen daarvan en de daarbij te volgen procedure;

b. de registratie van gegevens met betrekking tot de ingekochte materialen, de productie, de af- en uitval, de voorraad en de aflevering van kentekenplaten en onderdelen daarvan.

Artikel 70f:

1. De Dienst Wegverkeer trekt een erkenning in, indien degene aan wie de erkenning is verleend, daarom verzoekt.

2. De Dienst Wegverkeer kan een erkenning intrekken of wijzigen dan wel de daaraan verbonden voorschriften wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend:

a. niet meer voldoet aan de voor de erkenning gestelde eisen;

b. een verplichting als bedoeld in artikel 70e niet nakomt, of

c. handelt in strijd met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.

3. De Dienst Wegverkeer kan in de gevallen, bedoeld in het tweede lid, een erkenning schorsen voor een door hem daarbij vast te stellen termijn die ten hoogste twaalf weken bedraagt.

Erkenningsregeling fabrikanten kentekenplaten

Artikel 2:

1. Een erkenning kan worden verleend aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon die exploitant is van een productieplaats en die is gevestigd in de Europese Unie of in een staat die partij is bij het Verdrag inzake de Europese economische ruimte.

2. Per productieplaats wordt slechts één erkenning afgegeven;

3. Een erkenning kan slechts worden verleend voor een productieplaats die zich bevindt in de Europese Unie of in een staat die partij is bij het Verdrag inzake de Europese economische ruimte en die voldoet aan de in de artikel 3 gestelde eisen.

Artikel 15:

[…]

2. Onverminderd artikel 23a, mag een erkenninghouder geen blanco-kentekenplaten doorleveren aan een andere erkenninghouder.

Artikel 20:

1. De erkenninghouder geeft donkerblauwe kentekenplaten en kentekenplaten volgens de modellen 18.2A tot en met 18.2E, 27.1A tot en met 27.2H, 27.10A tot en met 27.26E en 27.30A tot en met 27.31E en 30.1A tot en met 30.16 van de bijlage bij de Regeling kentekens en kentekenplaten slechts af aan degene die de in de Regeling legitimatievoorschriften tenaamstelling en kentekenplaten voorgeschreven documenten overlegt.

De af te geven kentekenplaten zijn voorzien van het kenteken dat voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister.

2. Onverminderd het eerste lid, geeft de erkenninghouder kentekenplaten volgens het model 18.2A tot en met 18.2E slechts af indien blijkens het kentekenregister toestemming is verleend voor het voeren van platen volgens dat model.

3. Onverminderd het eerste lid, geeft de erkenninghouder donkerblauwe kentekenplaten slechts af indien uit het desbetreffende kentekenbewijs blijkt dat het betrokken voertuig vóór 1978 tot de weg is toegelaten en het desbetreffende kenteken niet bestaat uit twee groepen van twee letters en een groep van twee cijfers, dan wel uit één groep van twee letters, één groep van drie cijfers en één letter of één groep van twee cijfers, één groep van drie letters en één cijfer. De laatste voorwaarde met betrekking tot het kenteken geldt niet voor aanhangwagens.

4. Indien de Dienst Wegverkeer, op een door die dienst te bepalen wijze, meldt dat er geen kentekenplaten mogen worden afgegeven, geeft de erkenninghouder geen kentekenplaten van de modellen 18.2A tot en met 18.2E met een retroreflecterende gele achtergrond dan wel een retroreflecterende lichtblauwe achtergrond, 27.1A tot en met 27.2H, 27.10A tot en met 27.14, 27.30A tot en met 27.31E en 30.1A tot en met 30.6 voor het desbetreffende kenteken af.

5. Bij een eerste afgifte worden de kentekenplaten niet voorzien van een duplicaatcode.

6. Bij de afgifte van kentekenplaten volgens de modellen 27.15A tot en met 27.17E, 30.7 en 30.8 voorziet de erkenninghouder de kentekenplaten van een maandaanduiding. Aangeduid wordt het nummer van de lopende maand. Indien de afgifte plaatsvindt na de zevende dag van de lopende maand, wordt aangeduid het nummer van de lopende of de volgende maand.

Artikel 23:

1. De erkenninghouder meldt bij de afgifte van kentekenplaten, die voorzien behoren te zijn van een lamineercode, bij de Dienst Wegverkeer, op door deze dienst te bepalen wijze, de volgende gegevens:

a. het betrokken kenteken en, indien van toepassing, de meldcode van het voertuig en voor zover deze is afgegeven het documentnummer van de kentekencard;

b. indien dat bewijs moet worden overgelegd: de aard, het nummer en het land van afgifte van het legitimatiebewijs van degene die de kentekenplaten in ontvangst neemt;

c. het aantal, het model en de kleur van de afgegeven kentekenplaten;

d. de lamineercodes van de afgegeven platen, indien deze moeten zijn voorzien van een lamineercode;

e. indien een bedrijfsvoorraadpas moet worden overgelegd: het bedrijfsnummer van het erkende bedrijf, dat is vermeld op de bedrijfsvoorraadpas;

f. de lamineercodes modellen en kleuren van de te vervangen platen, indien deze moeten zijn voorzien van een lamineercode;

g. indien de kentekenplaten zijn voorzien van een duplicaatcode: de duplicaatcode, en

h. de reden voor afgifte:

1˚. eerste afgifte;

2˚. vervanging, of

3˚. vermissing.

[…]

Artikel 23a:

1. In afwijking van artikel 15 mag de erkenninghouder kentekenplaten volgens de modellen 1.1 tot en met 18.2E, 27.11, 27.12, 27.14, 27.30A tot en met 27.31E en kentekenplaten met de lettermodellen C1, indien uitgevoerd in kunststof, C2 en C3 van de bijlage bij de Regeling kentekens en kentekenplaten, leveren aan een andere erkenninghouder. Deze kentekenplaten zijn, indien van toepassing, voorzien van een duplicaatcode. Zij zijn niet voorzien van een merk als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Regeling kentekens en kentekenplaten.

Toezichtbeleidsbrief

Met betrekking tot het toezicht op de erkenning kentekenplaatfabrikant voert de RDW beleid dat is neergelegd in de toezichtbeleidsbrief erkenninghouders RDW 2016 van 1 april 2016 (hierna: de toezichtbeleidsbrief) en de bijlage erkenning kentekenplaatfabrikant en/of lamineerder (GAIK) 2016.