Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1883

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2017
Datum publicatie
12-07-2017
Zaaknummer
201604762/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2016:3062, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2015 heeft het algemeen bestuur meegedeeld dat de fiets van [wederpartij] is meegevoerd en opgeslagen vanwege werkzaamheden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/757
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201604762/1/A3.

Datum uitspraak: 12 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Centrum, appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 mei 2016 in zaak nr. 15/8421 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Amsterdam

en

het algemeen bestuur.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2015 heeft het algemeen bestuur meegedeeld dat de fiets van [wederpartij] is meegevoerd en opgeslagen vanwege werkzaamheden.

Bij besluit van 12 november 2015 heeft het algemeen bestuur het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 24 mei 2016 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 november 2015 vernietigd en het algemeen bestuur opgedragen binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het algemeen bestuur hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 26 augustus 2016 heeft het algemeen bestuur een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Het bezwaar voor zover het is gericht tegen het verwijderen van de fiets heeft het algemeen bestuur niet-ontvankelijk verklaard. Het bezwaar tegen het meevoeren en opslaan heeft het algemeen bestuur ongegrond verklaard.

[wederpartij] heeft tegen deze beslissing op bezwaar beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 mei 2017, waar het algemeen bestuur, vertegenwoordigd door mr. S. van Gerwen-Mandjes, en [wederpartij] zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [wederpartij] woont aan de [locatie] en stalt zijn fiets op de openbare weg. Op 30 juni 2015 is zijn fiets, die hij op de stoep had gestald, door een handhaver van de gemeente verwijderd, meegevoerd naar het fietsdepot en aldaar opgeslagen. Die dag was aan het hek om het openbaar speelterrein nabij zijn woning een bord gehangen met een tekst en afbeelding voor een tijdelijk parkeerverbod. Toen hij zijn fiets ging ophalen bij het fietsdepot bleek het ventiel afgebroken waardoor hij niet naar huis kon fietsen.

Hoger beroep algemeen bestuur

2. Het algemeen bestuur betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de mededeling over het meevoeren en opslaan van de fiets een besluit is. Het algemeen bestuur betoogt dat het een feitelijke handeling betreft verricht op grond van het privaatrecht.

Het algemeen bestuur voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte een onderscheid maakt tussen het verwijderen van de fiets en het meevoeren en opslaan, waarbij het laatste ten onrechte als een publiekrechtelijke rechtshandeling is aangemerkt, vastgelegd in een schriftelijk besluit. Het algemeen bestuur betoogt dat geen sprake is van toepassing van bestuursdwang, nu geen overtreding heeft plaatsgevonden en daarom ook geen sprake kan zijn van toepassing van de bevoegdheid om in het kader van bestuursdwang zaken mee te voeren en op te slaan, als bedoeld in artikel 5:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Het algemeen bestuur stelt dat het uit praktische overweging dezelfde handelwijze hanteert bij fietsen die vanwege werkzaamheden worden verwijderd als bij fietsen die in het kader van bestuursdwang vanwege strijd met de Algemene plaatselijke verordening 2008 van Amsterdam (hierna: Apv) worden meegevoerd.

2.1. Ter zitting is door het algemeen bestuur toegelicht dat op 30 juni 2015 ten behoeve van werkzaamheden aan een woning van een derde, waarvoor gebruik werd gemaakt van de toegang van het speelterrein een ontheffing op grond van de Apv is verleend voor het gebruiken van de openbare ruimte. In dat kader heeft de gemeente borden aan het hek gehangen met de tekst: "i.v.m. werkzaamheden en/of op grond van art. 4.2 en/of 4.27 van de apv worden vanaf 30-06-2015 (brom)fietsen (ook die aan brugleuningen en in/aan/om fietsenrekken) verwijderd. Sloten worden niet vergoed. Fiets weg Bel Fietsdepot 020-[…]". Daarnaast staat op het bord een kleine afbeelding het verkeersbord verboden fietsen te plaatsen. Het algemeen bestuur heeft toegelicht dat de gemeente ter plaatse de wegbeheerder is. Het afvoeren van de fiets van [wederpartij] is door gemeentelijke handhavers gebeurd en de fiets is naar het depot dat bij de gemeente in beheer is afgevoerd. Voor het ophalen van de fiets is € 15,- aan administratieve kosten in rekening gebracht bij [wederpartij]. Desgevraagd kon het algemeen bestuur geen antwoord geven op de vraag wie eigenaar is van de grond waarop de fiets van [wederpartij] was geplaatst en wat de privaatrechtelijke grondslag is voor het verwijderen, meevoeren en opslaan in het depot van de fiets.

Bij het ophalen van de fiets is aan [wederpartij] een brief overhandigd met als kop "kennisgeving besluit". Daarin staat als reden verwijdering: Werkzaamheden (WvW). Bij het formulier is een e-mail gevoegd met een constateringsformulier - Meevoeren en opslaan rijwiel. Op dat formulier is als reden van meevoeren en opslaan vermeld: "Werkzaamhedenevenement losstaand". Voorts is artikel 4:27 van de Apv vermeld, staat vermeld dat de kosten voor het meevoeren en opslaan bij de overtreder in rekening worden gebracht en is een bezwaarclausule opgenomen. In die bezwaarclausule is vermeld dat als het gaat om het weghalen en opslaan van een fiets vanwege werkzaamheden geen bezwaar mogelijk is omdat dat een feitelijke handeling is.

2.2. Artikel 5:21 van de Awb luidt:

"Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

Artikel 5:29, eerste lid, luidt:

"Voor zover de toepassing van bestuursdwang dit vergt, kan het bestuursorgaan zaken meevoeren en opslaan."

Artikel 5:31 luidt:

"1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Artikel 5:24, eerste en derde lid, is op dit besluit van overeenkomstige toepassing.

2. Indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, kan terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.

2.3. Gelet op het hiervoor genoemde samenstel van feiten en handelingen die geheel binnen een publiekrechtelijke context hebben plaatsgevonden moet het verwijderen, meevoeren en opslaan van de fiets worden aangemerkt als het door feitelijk handelen toepassen van bestuursdwang, als bedoeld in artikel 5:31, tweede lid, in samenhang met artikel 5:29, eerste lid, van de Awb. De "kennisgeving besluit" waarin is meegedeeld dat de fiets is verwijderd, meegevoerd en opgeslagen is de bekendmaking van het besluit tot toepassing van de bestuursdwang. Het besluit is op rechtsgevolg gericht. [wederpartij] kon immers als gevolg van het besluit niet over zijn fiets beschikken, de kosten van het meevoeren en opslaan konden volgens het besluit op hem worden verhaald, [wederpartij] heeft ook administratiekosten moeten voldoen om weer over zijn fiets te kunnen beschikken en indien hij zijn fiets niet had opgehaald, had de gemeente zijn fiets kunnen verkopen.

Het betoog van het algemeen bestuur faalt derhalve. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

Besluit op bezwaar van 26 augustus 2016

3. Bij besluit van 26 augustus 2016 heeft het algemeen bestuur een nieuwe beslissing op bezwaar genomen. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

[wederpartij] richt zich tegen de nieuwe beslissing op bezwaar van 26 augustus 2016. In die beslissing op bezwaar heeft het algemeen bestuur overeenkomstig de uitspraak van de rechtbank het bezwaar voor zover het gericht is tegen het verwijderen van de fiets niet-ontvankelijk verklaard, omdat dit feitelijk handelen betreft. Het bezwaar tegen het meevoeren en opslaan heeft het algemeen bestuur ongegrond verklaard omdat het meevoeren en opslaan volgens het algemeen bestuur gerechtvaardigd is. Het algemeen bestuur meent dat het verplaatsen van de fiets op de stoep niet mogelijk was, onder andere omdat er zes fietsen verplaatst moesten worden.

Beroep [wederpartij] tegen nieuwe beslissing op bezwaar 26 augustus 2016

4. [wederpartij] betoogt dat in het nieuwe besluit op bezwaar enkel is ingegaan op de nieuwe hoorzitting en niet op zijn oorspronkelijke bezwaar. Daarin betoogt hij onder andere dat het verbod uit artikel 4:27 van de Apv de situatie niet dekt en er dus geen grondslag voor verwijdering bestond.

Hij betoogt voorts dat zijn fiets niet hinderlijk in de weg stond en dus niet onder de verboden in de Apv valt en dus niet mocht worden meegevoerd. Voorst betoogt hij dat wel degelijk ruimte bestond om de fiets te verplaatsen. Hij betoogt dat er dus geen enkele reden was om de fiets mee te nemen naar het depot.

Hij betoogt ten slotte dat ook zijn extra reiskosten als gevolg van de lekke band en de ten onrechte gevraagde administratiekosten vergoed zouden moeten worden. Hij begroot deze kosten op €15,- voor de administratiekosten van het depot, €35,- voor het vervoer van de fiets naar huis en €40,- voor onnodige reiskosten. Het algemeen bestuur heeft al een vergoeding van €20,- toegekend aan [wederpartij] voor het vervangen van zijn binnenband.

4.1. Ter zitting heeft het algemeen bestuur toegelicht dat het met het nieuwe besluit op bezwaar gevolg heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank en op grond daarvan in het besluit op bezwaar het standpunt heeft ingenomen dat een besluit tot meevoeren en opslaan als bedoeld in artikel 5:29 van de Awb is genomen. Het algemeen bestuur heeft ter zitting verklaard dat geen sprake is geweest van een overtreding van de Apv en dat het besluit op bezwaar ook niet de strekking heeft vast te stellen dat wel een overtreding van de Apv heeft plaatsgevonden door het bij het hek plaatsen van de fiets.

4.2. Nu het algemeen bestuur zich op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een overtreding, bestaat geen bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen, omdat bij het ontbreken van een overtreding geen sprake kan zijn van bestuursdwang strekkende tot herstel van een overtreding. Nu geen bestuursdwang kan worden toegepast bestaat ook geen bevoegdheid om op grond van artikel 5:29 van de Awb over te gaan tot het meevoeren en opslaan van de fiets. Het bezwaar is wat betreft het meevoeren en opslaan dan ook ten onrechte ongegrond verklaard.

Zoals hiervoor reeds is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat de "kennisgeving besluit" van 30 juni 2015 een besluit behelst tot toepassing van bestuursdwang bestaande uit het verwijderen, meevoeren en opslaan van de fiets van [wederpartij], zodat het bezwaar wat betreft het verwijderen van de fiets ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.

Het beroep van [wederpartij] is derhalve gegrond en het besluit op bezwaar van 26 augustus 2016 komt derhalve voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling ziet gelet daarop aanleiding om de door [wederpartij] verzochte schadevergoeding toe te kennen.

De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien. Het primaire besluit van 30 juni 2015 zal gelet op het vorenoverwogene worden herroepen.

5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. verklaart het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Centrum van 26 augustus 2016 gegrond;

III. vernietigt het besluit van het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Centrum van 26 augustus 2016;

IV. herroept het besluit van 30 juni 2015, kenmerk 20150630044340;

V. veroordeelt het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Centrum om aan [wederpartij] te betalen een schadevergoeding van € 110,00 (zegge: eenhonderdtien euro);

VI. bepaalt dat van het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Centrum een griffierecht van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Rietberg, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Rietberg

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2017

725.