Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1882

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2017
Datum publicatie
12-07-2017
Zaaknummer
201600288/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:13891, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 mei 2013 heeft de raad van bestuur een verzoek om vergoeding van schade van [appellante A] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600288/1/A2.

Datum uitspraak: 12 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante A] en [appellante B], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 december 2015 in zaak nr. 15/14001 in het geding tussen:

[appellanten]

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Procesverloop

Bij besluit van 4 mei 2013 heeft de raad van bestuur een verzoek om vergoeding van schade van [appellante A] afgewezen.

Bij besluit van 17 april 2014 heeft de raad van bestuur het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 december 2015 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

De raad van bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 april 2017, waar [appellanten], vertegenwoordigd door [gemachtigden] en mr. P.J.M. Boomars, advocaat te Breda, en de raad van bestuur, vertegenwoordigd door mr. J.J.M. van den Boogaard, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante A] heeft per 1 januari 2011 haar teeltactiviteiten, het op stam kweken van sierplanten, beëindigd. [appellante B] is op 9 december 2010 opgericht door de directie van [appellante A] en is eveneens gevestigd op het adres [locatie] te Aarle-Rixtel van [appellante A]. Ten behoeve van de afzet voor de Duitse markt is gekozen voor de oprichting van een vennootschap naar Duits recht, omdat de Duitse consument bij voorkeur een product koopt van een Duitse firma. [appellante B] heeft per 1 januari 2011 de teeltactiviteiten overgenomen en verkoopt opgekweekte planten onder de naam ‘[appellante B]’ als streekproduct. [appellante A] is als rechtspersoon blijven bestaan. In 2011 heeft [appellante A] geen omzet of winst behaald. Zij richt zich thans op de ontwikkeling van andere activiteiten.

2.    [appellanten] stellen schade te hebben geleden doordat de door hen aangevraagde tewerkstellingsvergunningen niet tijdig en niet volledig zijn verleend.

Verloop procedure tewerkstellingsvergunningen

3.    Op 11 maart 2011 heeft [appellante A] 30 aanvragen voor tewerkstellingsvergunningen ingediend met als doel vreemdelingen van Roemeense nationaliteit te laten werken als oogstmedewerker in de periode 21 maart 2011 tot 5 september 2011. In de aanvragen zijn de werkzaamheden omschreven als ‘het oogsten en planten van bloemen en planten’.

4.    Bij besluit van 13 april 2011 heeft de raad van bestuur 13 vergunningen onder voorschriften verleend, geldig van 18 april tot 18 juli 2011. De raad van bestuur heeft de overige 17 aanvragen buiten behandeling gesteld.

5.    [appellante A] heeft daartegen bezwaar gemaakt en een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de rechtbank.

6.    Bij uitspraak van 22 juli 2011 heeft de voorzieningenrechter bepaald dat [appellante A] tot zes weken na de beslissing op bezwaar wordt behandeld alsof zij in bezit is van de 13 verleende vergunningen voor de gevraagde termijn en zonder nader te stellen voorwaarden.

7.    Bij besluit van 28 september 2011 heeft de raad van bestuur het besluit van 13 april 2011 herroepen en aan [appellante A] 13 vergunningen voor de gevraagde periode en zonder voorwaarden verleend.

8.    Bij besluit van 4 augustus 2011 heeft de raad van bestuur de 17 aanvragen om verlening van een tewerkstellingsvergunning afgewezen.

9.    Bij besluit op bezwaar van 14 oktober 2011 heeft de raad dit besluit herroepen en aan [appellante A] alsnog de gevraagde vergunningen verleend voor de periode van 21 maart 2011 tot 5 september 2011.

Uitspraak van de rechtbank

10.    De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat de raad van bestuur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellante A] niet de door haar gestelde schade heeft geleden, omdat zij per 1 januari 2011 haar teeltactiviteiten heeft beëindigd. Voor zover het verzoek om schadevergoeding mede geacht moet worden te zijn gedaan namens [appellante B], heeft de rechtbank geoordeeld dat de raad van bestuur niet onrechtmatig jegens [appellante B] heeft gehandeld, omdat de  tewerkstellingsvergunningen niet zijn aangevraagd door [appellante B]. [appellante B] heeft reeds daarom geen aanspraak op schadevergoeding, aldus de rechtbank.

Hoger Beroep

11.    [appellanten] betogen in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de schade als gevolg van de onrechtmatige besluitvorming niet verhaald zou kunnen worden door [appellante B]. Daartoe stellen zij onder meer dat [appellante A] de vergunningen heeft aangevraagd voor [appellante B]. Beide ondernemingen hebben dezelfde eigenaar en directeur, zijn gevestigd op hetzelfde adres en per 1 januari 2011 voert [appellante B] dezelfde activiteiten uit die eerder door [appellante A] werden uitgevoerd met dezelfde gereedschappen, materialen en personeelsbezetting. [appellante B] heeft schade geleden door de onrechtmatige besluitvorming omdat de niet-tijdige verlening van de tewerkstellingsvergunningen een goede bedrijfsvoering heeft belemmerd.

Beoordeling van het hoger beroep

12.    [appellanten] betogen terecht dat [appellante A] de tewerkstellingsvergunningen heeft aangevraagd voor [appellante B]. [appellante B] maakte derhalve aanspraak op een tijdige verlening van de vergunningen. Dat betekent dat [appellante B] in beginsel aanspraak maakt op schadevergoeding als gevolg van de onrechtmatige besluitvorming inzake de tewerkstellingsvergunningen. Dit laat onverlet dat voldaan moet zijn aan de overige vereisten van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

12.1    [appellante A] stelt dat de aanvraagprocedure voor de tewerkstellingsvergunningen in 2010 van start is gegaan en de vergunningen via een project seizoenarbeiders van ZLTO zijn aangevraagd. Omdat [appellante B] toen nog niet bestond, zijn de aanvragen op naam van [appellante A] gedaan. Bij ZLTO is gemeld dat [appellante B] de vergunningen zou gebruiken ten behoeve van dezelfde teeltactiviteiten en teeltlocaties en dat alleen de bedrijfsnaam anders zou zijn. De aanvragen voor de vergunningen zijn vervolgens op naam van [appellante A] blijven staan. De vergunningen zijn echter ten behoeve van [appellante B] aangevraagd en ook de daaropvolgende procedures zijn ten behoeve van [appellante B] gevoerd. De Afdeling acht dit aannemelijk. Beide ondernemingen hebben dezelfde eigenaar en directeur en zijn gevestigd op hetzelfde adres. [appellante B] heeft de teeltactiviteiten van [appellante A] overgenomen en beide ondernemingen treden thans gezamenlijk op. Onder deze omstandigheden, is er geen grond voor het oordeel dat [appellante A] niet ten behoeve van [appellante B] is opgetreden.

12.2     De raad van bestuur heeft hier tegenover gesteld dat in artikel 6, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) is bepaald dat een tewerkstellingsvergunning wordt aangevraagd door de werkgever. [appellante A] heeft geen melding gedaan bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van de omstandigheid dat zij feitelijk geen gebruik heeft gemaakt van de tewerkstellingsvergunningen. Naar het oordeel van de Afdeling laat dit onverlet dat in dit geval [appellante A] de tewerkstellingsvergunningen voor [appellante B] heeft aangevraagd. Bij besluiten van 28 september 2011 en 14 oktober 2011 zijn de gevraagde tewerkstellingsvergunningen ook verleend, zodat niet valt in te zien welk belang onder de gegeven omstandigheden wordt geschaad, nu niet in geschil is dat de arbeidsmarkttoets heeft plaatsgevonden.

12.3    De raad van bestuur heeft voorts op de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 26 april 2013 in zaak nr. 13/405 gewezen. [appellante A] heeft zich in die procedure inzake een aan haar opgelegde boete op grond van de Wav op het standpunt gesteld dat de vreemdelingen niet in opdracht of ten dienste van haar werkzaamheden hebben verricht. Dit leidt evenmin tot een ander oordeel. Wat er verder ook van zij, dit standpunt is niet strijdig met hetgeen [appellanten] in deze procedure stellen. Zij stellen zich op het standpunt dat de tewerkstellingsvergunningen ten behoeve van [appellante B] zijn aangevraagd, omdat [appellante B] de teeltactiviteiten heeft overgenomen.

13.    De slotsom is dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de raad van bestuur niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellante B] en [appellante B] reeds daarom geen aanspraak maakt op schadevergoeding.

14.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De rechtbank is niet toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de aanspraak op schadevergoeding. De Afdeling ziet hierin aanleiding de zaak met toepassing van artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht naar de rechtbank terug te wijzen, om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

15.    De raad van bestuur dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld, nu de raad van bestuur de onjuist bevonden uitspraak van de rechtbank heeft uitgelokt en verdedigd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 december 2015 in zaak nr. 15/14001;

III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV.    veroordeelt de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante A] en [appellante B] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.980,00 (zegge: negentienhonderdtachtig euro);

V.    gelast dat de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante A] en [appellante B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 831,00 (zegge: achthonderd en eenendertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. B.J. Schueler en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Planken

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2017

299.