Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1870

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2017
Datum publicatie
12-07-2017
Zaaknummer
201700144/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 september 2016 heeft het dagelijks bestuur van het Waterschap Peel en Maasvallei (thans: Limburg) op grond van artikel 5.4, van de Waterwet het projectplan "Dijkversterking dijkring 67 Grubbenvorst" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Waterwet
Waterwet 5.4
Waterwet 5.25
Waterwet 7.14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3992
Milieurecht Totaal 2017/6655
JOM 2018/464
JWA 2017/9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201700144/1/R6.

Datum uitspraak: 12 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. appellant sub 1A] en [appellante sub 1B], beiden wonend te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas (hierna gezamenlijk in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2. [ appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas (hierna gezamenlijk in enkelvoud: [appellant sub 2]),

3. [ appellant sub 3], wonend te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas,

4. [ appellant sub 4], wonend te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas,

en

het college van gedeputeerde staten van Limburg,

verweerder. 

Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2016 heeft het dagelijks bestuur van het Waterschap Peel en Maasvallei (thans: Limburg) op grond van artikel 5.4, van de Waterwet het projectplan "Dijkversterking dijkring 67 Grubbenvorst" vastgesteld.

Bij besluit van 15 november 2016, kenmerk 2016/91066, heeft het college het projectplan op grond van artikel 5.7, eerste lid, van de Waterwet goedgekeurd.

Tegen het goedkeuringsbesluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] [appellant sub 4] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en het dagelijks bestuur hebben nadere stukken ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft het dagelijks bestuur een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2017, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. I.P.A. van Heijst, advocaat te Rozendaal, [appellant sub 2], in de persoon van [appellant sub 2A] en vertegenwoordigd door mr. J.G. de Wit, [appellant sub 3], bijgestaan door mr. J.C.F. Knapp, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.G.M. Balvers, zijn verschenen. Voorts is het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door ing. S. Dom, ing. G. Toirkens en mr. M.G.G. van Nisselroij, advocaat te Venlo, als partij gehoord.

Overwegingen

1. De primaire waterkering bij Grubbenvorst is onderdeel van dijkring 67. Het projectplan voorziet in de versterking van de waterkering, omdat deze niet voldoet aan het op grond van de Waterwet vereiste beschermingsniveau van een overstromingskans van 1/250e per jaar. Bij het verhogen van de dijk en het toepassen van het normprofiel wordt de dijk breder. Uitgangspunt is dat de verbreding van de dijk naar de binnenzijde toe wordt gerealiseerd, dus niet richting de Maas.

De waterkering van dijkring 67 bestaat uit twee delen. Dit betreft dijkvak Grubbenvorst en Venloseweg. Het eerste deel heeft in de huidige situatie een totale lengte van ongeveer 680 m. De dijk betreft een groene kering, dat wil zeggen dat de kering volledig is opgebouwd uit grond. In de Venloseweg zit een klein dijkvak van circa 25 m dat de weg ter hoogte van [locatie 5] kruist.

Ten behoeve van het uitwerken van de voorziene maatregelen is in het projectplan de waterkering in Grubbenvorst opgedeeld in 10 dijkvakken. De illustratie van de indeling van dijkring 67 in dijkvakken (fig. 3-3 in het projectplan) is weergegeven in de bijlage bij deze uitspraak.

Wettelijke bepalingen

2. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Het beroep van [appellant sub 1]

3. [ appellant sub 1] is eigenaar van het perceel [locatie 1], kadastraal bekend gemeente Grubbenvorst, sectie C, nr. 4181 (hierna: perceel C 4181). Het tracé van de waterkering loopt in de bestaande situatie ten oosten van dit perceel. Het projectplan voorziet in de aansluiting van de bestaande - te versterken - dijk op de hoge grond aan de noordzijde van Grubbenvorst, waarbij het tracé van dijkvakken 9 en 10 dwars over de gronden van [appellant sub 1] loopt. De voorziene waterkering ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1] bestaat feitelijk uit een damwand. Het projectplan leidt tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van het perceel van [appellant sub 1]. Hierbij is van belang dat op het perceel woningbouw is toegelaten. [appellant sub 1] heeft beroep ingesteld tegen de goedkeuring van het projectplan omdat volgens hem de gevolgen daarvan voor de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel niet voldoende zijn beperkt.

4. De situering van de waterkering in de nabijheid van de gronden van [appellant sub 1] (fig. 4-19 in het projectplan) is weergegeven op de bijlage bij deze uitspraak.

5. [ appellant sub 1] betoogt allereerst dat de beoogde damwand ter hoogte van zijn gronden op, althans meer in de nabijheid van de zuidelijke perceelgrens dient te worden geplaatst. Een dergelijke situering van de damwand leidt tot minder beperkingen van de gebruiksmogelijkheden. In de voorziene situatie wordt de damwand geplaatst op een afstand van ongeveer 4 m ten noorden van de zuidelijke perceelgrens. Dit hangt samen met de beoogde obstakelvrije zones, met een breedte van 4 m, ten noorden en ten zuiden van de damwand. Volgens [appellant sub 1] bestaat geen noodzaak aan beide zijden van de damwand een obstakelvrije zone aan te houden. Ook is niet inzichtelijk gemaakt waarom niet kan worden volstaan met een minder brede obstakelvrije zone. [appellant sub 1] voert verder aan dat evenmin inzichtelijk is gemaakt waarom de damwand geplaatst dient te worden ten noorden van de rioolleiding die onder zijn perceel loopt.

[appellant sub 1] betoogt daarnaast dat de situering en de ruimtelijke inpassing van de waterkering op zijn perceel ondeugdelijk zijn vastgelegd in het projectplan. Hij voert hiertoe aan dat hij met het waterschap is overeengekomen dat ter hoogte van zijn perceel een damwand wordt geplaatst, met daarop een grondlichaam, dat ertoe strekt de damwand aan het zicht te onttrekken. Dit komt evenwel niet terug in het projectplan, aldus [appellant sub 1].

5.1. Het dagelijks bestuur heeft toegelicht dat bij de situering van de waterkering rekening is gehouden met de gevolgen daarvan voor de gebruiksmogelijkheden van het perceel van [appellant sub 1]. Zo is oorspronkelijk beoogd de waterkering ter plaatse uit te voeren als een groene kering. Vanwege de verstrekkende gevolgen hiervan voor de gebruiksmogelijkheden van de gronden van [appellant sub 1] is gekozen voor een damwand. De gevolgen van de voorziene situering van de damwand zijn beperkt, terwijl een verdere verschuiving richting de zuidelijke perceelgrens vanuit waterstaatkundig oogpunt bezwarend is, aldus het dagelijks bestuur.

Volgens het dagelijks bestuur is in het projectplan deugdelijk vastgelegd dat ter hoogte van het perceel van [appellant sub 1] een met grond bedekte damwand wordt geplaatst. Het dagelijks bestuur wijst in dit verband naar de reactie op de zienswijze van [appellant sub 1] tegen het ontwerp van het projectplan en een notitie waarin de met [appellant sub 1] gemaakte afspraken over de landschappelijke inpassing zijn vastgelegd.

5.2. In het projectplan staat ten aanzien van dijkvakken 9 en 10 dat bij de planologische toets naar voren is gekomen dat er op het stuk grond waar de dijk komt te liggen, bouwkavels zijn opgenomen in het bestemmingsplan. De dijk zou deze bouwkavels kruisen. De bouwkavels zijn in particulier eigendom. Om de bouwkavels te ontzien zijn drie varianten bestudeerd, waarbij de dijk meer of minder ver naar het noorden op de hoge gronden zou aantakken. Uiteindelijk is de keuze gemaakt de kering op dezelfde plek aan te leggen, maar uit te voeren als damwand in plaats van een groene dijk. Hierdoor wordt de breedte van de kering verminderd, zodat het beslag op de bouwkavels kleiner is. De houtwal die op de erfgrens staat kan niet gehandhaafd blijven en zal ten noorden van de damwand buiten de obstakelvrije zone worden herplaatst, aldus het projectplan.

5.3. Uit de tekening bij het projectplan waarop de voorziene situatie ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1] is weergegeven (kenmerk: RM193104-004), blijkt dat de damwand wordt geplaatst parallel aan de perceelgrens van het perceel C 4181, op een afstand van ongeveer 4 m ten noorden daarvan. Ten zuiden en ten noorden van de damwand is voorzien in obstakelvrije zones. Het voorgaande heeft tot gevolg dat het projectplan leidt tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden voor het zuidelijke deel van het perceel van [appellant sub 1], over een breedte van ongeveer 8 m, gerekend vanaf de perceelgrens. Dit betreft een gering deel van de totale oppervlakte van het perceel. De door [appellant sub 1] gewenste verschuiving van de damwand richting de zuidelijke perceelsgrens is bezwarend, vanwege de noodzaak obstakelvrije zones aan te houden ten behoeve van het onderhoud aan de waterkering. Een breedte van 4 m is volgens het dagelijks bestuur noodzakelijk, althans gewenst, omdat de locatie ook bereikbaar dient te zijn voor machines. Verder is niet in geschil dat onder de gronden van [appellant sub 1] een rioolleiding loopt, met een diameter van 90 cm. Het tracé van deze leiding loopt (nagenoeg) parallel aan de perceelgrens, op een afstand van ongeveer 1,3 m ten noorden daarvan. Ten oosten van het perceel van [appellant sub 1] buigt de rioolleiding evenwel af in zuidoostelijke richting. Het dagelijks bestuur heeft onweersproken gesteld dat in de door [appellant sub 1] gewenste situatie, waarbij de damwand op de perceelsgrens wordt geplaatst, de damwand en de rioolleiding elkaar zullen kruisen ten oosten van het perceel van [appellant sub 1]. Hoewel het technisch bezien mogelijk is de rioolleiding door de damwand te laten lopen zijn hieraan hogere kosten verbonden. Bovendien is volgens het dagelijks bestuur een dergelijke uitvoering van de damwand uit het oogpunt van de waterveiligheid niet gewenst, omdat de noodzakelijke constructie een extra "faalmechanisme" oplevert.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het dagelijks bestuur in redelijkheid voor de voorziene situering van de damwand heeft kunnen kiezen.

5.4. Anders dan [appellant sub 1] betoogt, is in het projectplan deugdelijk vastgelegd dat de damwand ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1] landschappelijk dient te worden ingepast, overeenkomstig hetgeen tussen partijen is afgesproken. Op pagina 40 van het projectplan staat dat met [appellant sub 1] afspraken zijn gemaakt over de landschappelijke inpassing van het perceel en dat de aannemer opdracht krijgt deze maatregelen uit te voeren. De Afdeling wijst tevens naar de Nota van zienswijzen, waarin staat dat op de damwand een grondlichaam wordt gerealiseerd, waardoor deze onzichtbaar, overloopbaar en overrijdbaar wordt. In de Nota van zienswijzen staat dat de met [appellant sub 1] gemaakte afspraken zijn samengevat in een notitie van 27 juli 2016, met bijbehorende inrichtingsschets. Deze notitie en inrichtingsschets zijn gevoegd als bijlage bij de schriftelijke uiteenzetting van het dagelijks bestuur. Daarin is de landschappelijke inpassing ter plaatse van het perceel van [appellant sub 1] in detail vastgelegd. Het betoog faalt.

6. [ appellant sub 1] betoogt dat niet inzichtelijk is gemaakt welke gevolgen het plaatsen van de damwand heeft voor de waterhuishouding van zijn gronden.

6.1. In het kader van de voorbereiding van het projectplan is onderzoek verricht naar de geotechnische gevolgen van de voorziene dijkversterking. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het rapport "Prioritaire dijkversterkingen - perceel 2" van 29 april 2016. In dit rapport is geen specifiek onderzoek verricht naar de gevolgen van de plaatsing van de damwand voor de waterhuishouding van het perceel van [appellant sub 1]. Het dagelijks bestuur heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op de geringe diepte van de damwand (5 m) en de omstandigheid dat deze dwars wordt geplaatst ten opzichte van de Maas (en dus niet evenwijdig), noemenswaardige gevolgen voor de grondwaterstroming en afwatering kunnen worden uitgesloten. Dit standpunt van het dagelijks bestuur wordt bevestigd in de memo "Beïnvloeding grondwaterhuishouding op kadastraal perceel gemeente Grubbenvorst C 4181 door plaatsing damwand" van Deltares van 31 maart 2017. [appellant sub 1] heeft de conclusies van dit rapport niet inhoudelijk bestreden. Deze nadere onderbouwing van het door het dagelijks bestuur ingenomen standpunt is weliswaar uitgebracht na de vaststelling van het projectplan, maar daar staat tegenover dat [appellant sub 1] in zijn zienswijze van 25 juli 2016 niet heeft geklaagd over de gevolgen van de damwand voor de waterhuishouding op zijn perceel. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het dagelijks bestuur zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de plaatsing van de damwand geen ernstige gevolgen zal hebben voor de grondwaterstroming en afwatering van het perceel van [appellant sub 1]. Het betoog faalt.

7. Wat betreft het betoog van [appellant sub 1] dat hij volledig schadeloos gesteld wenst te worden voor de schade die hij lijdt als gevolg van de beperking van de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel, overweegt de Afdeling dat de aard en omvang van de nadeelcompensatie niet aan de orde kan komen in het kader het beroep tegen de goedkeuring van het projectplan. Het betoog faalt.

8. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college geen aanleiding heeft hoeven zien om de goedkeuring aan het projectplan te onthouden. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

9. [ appellant sub 2] is eigenaar en bewoner van het perceel [locatie 2], ten westen van dijkvak 7. Het projectplan voorziet in een verhoging van de groene dijk ter plaatse met ongeveer 76 cm. Als gevolg daarvan komt ook de Dorpstraat, die direct langs de woning van [appellant sub 2] en over de dijk loopt, hoger te liggen. [appellant sub 2] heeft beroep ingesteld tegen de goedkeuring van het projectplan vanwege de gevolgen van de hogere dijk en de hogere ligging van de weg voor zijn woon- en leefgenot.

10. De situering van de waterkering ter plaatse van de gronden van [appellant sub 2] (fig. 4-14 in het projectplan) is weergegeven op de bijlage bij deze uitspraak.

11. [ appellant sub 2] betoogt dat het projectplan leidt tot een ernstige aantasting van zijn uitzicht op en over de Maas. [appellant sub 2] voert hiertoe aan dat in de bestaande situatie de dijk ongeveer 1 m boven het maaiveld uitsteekt, zodat hij uitzicht heeft over de dijk richting het oosten. Na de realisatie van het projectplan kijkt hij tegen de dijk aan.

11.1. De afstand van de woning van [appellant sub 2] tot de (kruin van de) dijk bedraagt ongeveer 85 m. De Maas stroomt ten oosten van de woning, op een afstand van ongeveer 430 m. De dijk ten oosten van de woning van [appellant sub 2] heeft in de bestaande situatie een hoogte van ongeveer 1 m, zodat [appellant sub 2] uitzicht heeft op de Maas. In de toekomstige situatie kijkt [appellant sub 2] tegen de dijk aan. Het dagelijks bestuur heeft zich op het standpunt gesteld dat geen reële - minder belastende - alternatieven bestaan teneinde te voldoen aan het op grond van de Waterwet vereiste beschermingsniveau, dan een verhoging van de bestaande dijk. Het dagelijks bestuur heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de nadelige gevolgen van de dijkversterking voor het uitzicht van [appellant sub 2] niet onaanvaardbaar zijn, gelet op het belang dat met deze maatregel wordt gediend. Bij dit oordeel neemt de Afdeling in aanmerking dat geen recht bestaat op een blijvend ongestoord uitzicht.

Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat de verhoging van de dijk niet voorzienbaar was toen hij zijn woning kocht, overweegt de Afdeling dat de discussie over de voorzienbaarheid niet relevant is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het projectplan. De vraag of de in het projectplan vastgelegde maatregelen voorzienbaar waren zal zo nodig aan de orde kunnen worden gesteld in het kader van de procedure inzake de nadeelcompensatie.

Het betoog faalt.

12. [ appellant sub 2] betoogt dat hij ernstige hinder zal ondervinden van de omstandigheid dat vanwege de verhoging van de dijk ook de Dorpstraat, die de dijk kruist, hoger komt te liggen. [appellant sub 2] vreest in het bijzonder voor geluid- en lichthinder vanwege de hogere ligging van de weg. In reactie op zijn zienswijze heeft het dagelijks bestuur besloten de weg in de dijk aan te leggen in plaats van over de dijk, waardoor deze 50 cm lager komt te liggen ten opzichte van de in het ontwerp van het projectplan vastgelegde situatie. Volgens [appellant sub 2] is de beoogde lagere situering van de weg niet deugdelijk vastgelegd in de dwarsdoorsneden bij het projectplan. [appellant sub 2] voert verder aan dat na de terinzagelegging van het ontwerp van het projectplan alsnog onderzoek is verricht naar de akoestische gevolgen van het gebruik van de weg, maar dit rapport heeft niet ter inzage gelegen met het projectplan. Als gevolg hiervan kan [appellant sub 2] niet beoordelen of het standpunt van het dagelijks bestuur dat geen sprake zal zijn van onaanvaardbare geluidhinder, juist is. In de zienswijze heeft [appellant sub 2] verzocht om toepassing van geluidsarm asfalt op het gedeelte van de Dorpstraat in de nabijheid van zijn woning, maar hierop is geen reactie gekomen. Volgens [appellant sub 2] is bij de voorbereiding van het projectplan geen onderzoek verricht naar de aard en omvang van de lichthinder van voorbijrijdende voertuigen. Na de vaststelling van het projectplan heeft het dagelijks bestuur alsnog onderzoek laten verrichten, maar aan dit onderzoek zijn onjuiste uitgangspunten ten grondslag gelegd, in het bijzonder wat betreft de verkeersintensiteit en de aard van de verlichting van voorbijrijdende voertuigen, aldus [appellant sub 2].

12.1. Volgens het dagelijks bestuur volgt uit onderzoek dat het projectplan niet leidt tot ernstige geluid- en lichthinder ter plaatse van de woning van [appellant sub 2]. Hoewel geen sprake zal zijn van onaanvaardbare lichthinder is aan [appellant sub 2] het aanbod gedaan een afschermende (groen)strook te realiseren in de nabijheid van zijn woning. Het dagelijks bestuur heeft verder te kennen gegeven dat in dit verband ook andere door [appellant sub 2] gewenste maatregelen bespreekbaar zijn.

12.2. Op pagina 36 van het projectplan staat dat de Dorpstraat de dijk kruist. In de huidige situatie betreft dit een coupure in de dijk, die ten tijde van hoog water kan worden gesloten met schotbalken. Het is de wens van het waterschap om bestaande coupures uit het nieuwe ontwerp van de waterkering te verwijderen in verband met onderhoudskosten en operationele aspecten gedurende perioden van hoog water. Hier is voldoende ruimte aanwezig om de weg over de dijk te leggen waardoor de coupure is vervallen. De Dorpstraat gaat met de dijk mee omhoog. De Dorpstraat is een erftoegangsweg met een ontwerpsnelheid van 30 km/u binnen de bebouwde kom en 60 km/u buiten de bebouwde kom. De grens van de bebouwde kom ligt aan de Maaszijde van de kruising met de dijk. De huidige wegbreedte en ontwerpsnelheid blijven gehandhaafd. Verder zijn de ontwerpuitgangspunten van de CROW4 toegepast. De fundering van de weg wordt in de dijk aangelegd. De wegkruising wordt aangelegd met een waterdicht scherm. Intussen is een onderzoek uitgevoerd naar de geluidseffecten als gevolg van de wegophoging waaruit blijkt dat er geen sprake is van een toename van geluid, aldus het projectplan.

12.3. De tekening bij het projectplan, die betrekking heeft op de situatie bij dijkvak 7 (kenmerk: RM193104-003), is weliswaar niet aangepast wat betreft de (dwars)profielen, maar op deze tekening is vermeld dat "naar aanleiding van de ingediende zienswijzen en een ontwerp-optimalisatie van het waterschap is besloten de wegen inclusief de fundering niet op de dijk te leggen, maar in de dijk. Dit leidt tot een verlaging van de weg op de kruin van de dijk van ongeveer 50 cm. De hoogte van de dijk blijft wel gelijk. Om de waterkerende werking van de dijk te behouden zal in de fundering van de weg een waterkerend scherm worden geplaatst. Deze aanpassing is niet verwerkt op deze tekening. De eis wordt meegegeven aan de aannemer die daarmee opdracht krijgt dit te verwerken in zijn uitvoeringsontwerp en uit te voeren", aldus de tekst op de genoemde tekening. Ook in de nota van zienswijzen en het goedkeuringsbesluit van het college staat dat de ligging van de weg op de kruin van de dijk wordt verlaagd met 50 cm ten opzichte van het ontwerp van het projectplan.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat in het projectplan deugdelijk is vastgelegd dat de Dorpstraat niet over, maar in de dijk zal worden aangelegd, waardoor de weg 50 cm lager komt te liggen dan voorzien in het ontwerp van het projectplan. Het betoog faalt.

12.4. Naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 2] tegen het ontwerp van het projectplan is onderzoek verricht naar de gevolgen van de aanpassing van de Dorpstraat voor de geluidbelasting ter plaatse van zijn woning. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het rapport "Wegaanpassingen voor dijkversterkingen in Horst aan de Maas: Akoestisch onderzoek verkeerslawaai" van Movares van 18 augustus 2016 (hierna: akoestisch rapport). Het akoestisch rapport is niet ter inzage gelegd met het projectplan. Het dagelijks bestuur heeft echter bij de beantwoording van de zienswijze van [appellant sub 2] gerefereerd aan de resultaten van het akoestisch rapport. [appellant sub 2] was derhalve bekend met dit document, althans hij had dat kunnen zijn. [appellant sub 2] had kunnen verzoeken om toezending van het akoestisch rapport. De Afdeling wijst in dit verband op de omstandigheid dat een vergelijkbare situatie zich heeft voorgedaan in de - hierna te bespreken - beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4]. Zij hebben het dagelijks bestuur verzocht om toezending van het akoestisch rapport en het dagelijks bestuur heeft aan dit verzoek voldaan. Ook is het akoestisch rapport door het dagelijks bestuur overgelegd in het kader van de beroepsprocedure, zodat [appellant sub 2] daarop heeft kunnen reageren, hetgeen hij ook heeft gedaan. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de handelwijze van het dagelijks bestuur in zoverre onzorgvuldig is geweest.

12.5. In het akoestisch rapport staat dat de Dorpstraat ten westen van de waterkering een weg is met een snelheidsregime van 30 km/uur, zodat de Wet geluidhinder in de hier aan de orde zijnde situatie niet van toepassing is. In paragraaf 4.2 van het akoestisch rapport wordt geconcludeerd dat de voorziene aanpassing van de Dorpstraat geen gevolgen heeft voor de geluidbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 2]. De geluidbelasting neemt in de periode van 2016 tot 2027 toe met 0,9 dB, van 53 dB naar 54 dB, maar dit is geheel toe te rekenen aan de autonome groei van de verkeersintensiteit, aldus het akoestisch rapport.

Wat betreft het betoog van [appellant sub 2] dat niet inzichtelijk is welke gegevens ten grondslag zijn gelegd aan de berekening van de gevolgen van de aanpassing van de Dorpstraat voor de geluidbelasting, overweegt de Afdeling dat in hoofdstuk 3 van het akoestisch rapport een verantwoording is gegeven van de gehanteerde uitgangspunten.

Op grond van het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het dagelijks bestuur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanpassing van de Dorpstraat niet zal leiden tot ernstige gevolgen voor de geluidbelasting ter plaatse van het perceel [locatie 2]. Het dagelijks bestuur heeft gelet daarop in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien maatregelen te treffen ter verlaging van de geluidbelasting ter plaatse.

Het betoog faalt.

12.6. Het dagelijks bestuur heeft zich bij het vaststellen van het projectplan op het standpunt gesteld dat de verhoging van de Dorpstraat ten oosten van de woning van [appellant sub 2] niet zal leiden tot onaanvaardbare lichthinder, gelet op de afstand van de dijk tot zijn woning en de omstandigheid dat niet te verwachten valt dat veelvuldig gebruik zal worden gemaakt van groot licht, nu het hoogste punt van de aangepaste weg zich binnen de bebouwde kom bevindt. Na de vaststelling van het projectplan is nader onderzoek verricht naar de gevolgen van de aanpassing van de Dorpstraat voor de lichthinder. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het rapport "Onderzoek voertuigverlichting na reconstructie dijkring 67 tegenover woning [locatie 2] te Grubbenvorst" van AV Consulting van 24 april 2017 (hierna: rapport lichthinder). In dit rapport is voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de lichthinder aangesloten bij de systematiek van de "Richtlijn lichthinder" van januari 2017 van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde. De in deze richtlijn gehanteerde uitgangspunten en grenswaarden hebben betrekking op de lichtemissie van terreinen, meer in het bijzonder van sportvelden. Uit het rapport volgt dat voor het objectiveren van lichthinder van voorbijrijdende voertuigen aansluiting is gezocht bij de richtlijnen met betrekking tot sportterreinen, omdat een specifiek beoordelingskader voor (dynamische) lichthinder van voorbijrijdende voertuigen ontbreekt. [appellant sub 2] heeft niet nader gemotiveerd waarom een dergelijke handelswijze ondeugdelijk is, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat in dit geval in redelijkheid geen aansluiting kon worden gezocht bij de gehanteerde beoordelingsmethodiek voor statische verlichting.

12.7. Aan het rapport lichthinder zijn verkeerstellingen ten grondslag gelegd die betrekking hebben op het Pastoor Vullinghsplein, omdat geen gegevens beschikbaar zijn over de verkeersintensiteit op de Dorpstraat. De verkeerstellingen op het Pastoor Vullinghsplein zijn verricht in 2016. Deze weg ligt in het verlengde van de Dorpstraat, op een afstand van ongeveer 120 m ten oosten van de woning van [appellant sub 2]. De Afdeling is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verkeersintensiteit aan het Pastoor Vullinghsplein wezenlijk lager is dan die aan de Dorpstraat. Hierbij betrekt de Afdeling de omstandigheid dat eerstgenoemde straat gelegen is binnen de bebouwde kom van Grubbenvorst, op geringe afstand tot (centrum)voorzieningen, terwijl het deel van de Dorpstraat ten westen van de voorziene waterkering buiten de bebouwde kom ligt in een nagenoeg onbebouwd gebied en eindigt bij het veer "Grubbenvorst- Velden".

12.8. In het rapport lichthinder staat dat in de nachtperiode (van 23.00 tot 07.00 uur) een overschrijding optreedt van de grenswaarden voor de verticale verlichtingssterkte en de lichtsterkte. Vanwege voertuigen met xenonverlichting is tevens sprake van een overschrijding van de norm voor de lichtsterkte in de dag-, avond- en nachtperiode. In het rapport wordt geconcludeerd dat, ondanks de omstandigheid dat sprake is van een overschrijding van de grenswaarden, geen sprake is van onaanvaardbare lichthinder. Aan deze conclusie is ten grondslag gelegd dat de verkeersintensiteit ter plaatse laag is. Het gemiddelde aantal voor de lichthinder relevante verkeersbewegingen, dit betreft het verkeer vanaf de dijk richting de woning van [appellant sub 2], bedraagt volgens het rapport lichthinder 108 in de dag- en avondperiode en slechts 5 in de nachtperiode. Wat betreft de gevolgen van xenonverlichting staat in het rapport lichthinder dat ongeveer 5 procent van de geregistreerde voertuigen daarover beschikt. Op grond van genoemde uitgangspunten is berekend dat de zogenoemde "effectieve tijdsduur van de inschijning", dit betreft de totale duur van de inschijning van voorbijrijdende voertuigen, 26 seconden bedraagt in de dag- en avondperiode, veroorzaakt uitsluitend door voertuigen die over xenon-verlichting beschikken, en 30 seconden in de nachtperiode.

12.9. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd over de aard van de verlichting van voorbijrijdende voertuigen geen aanleiding voor het oordeel dat het verrichte onderzoek naar de gevolgen van lichthinder zodanige gebreken of leemtes in kennis bevat dat het dagelijks bestuur dit onderzoek niet in redelijkheid aan het projectplan ten grondslag heeft mogen leggen. Hierbij is van belang dat lichtoverlast voornamelijk, zo niet uitsluitend, ervaren kan worden in de avond- en nachtperiode. Zoals hiervoor is vermeld, bedraagt het aantal voorbijrijdende voertuigen in de nachtperiode vijf. Uit de tabellen die zijn gevoegd als bijlage bij het rapport lichthinder, kan worden afgeleid dat het gemiddelde aantal voorbijrijdende voertuigen in de avondperiode (van 19.00 tot 23.00) ongeveer de helft bedraagt van het hiervoor genoemde aantal van 108 voor de dag- en avondperiode, derhalve ongeveer 55. Ook indien wordt aangenomen dat het aantal voertuigen dat is uitgerust met xenonverlichting groter is dan 5 procent en dat een deel van de bestuurders op de (kruin van de) dijk groot licht zal voeren, zal de "effectieve tijdsduur van de inschijning" niet (wezenlijk) wijzigen ten opzichte van hetgeen is berekend in het rapport lichthinder, gelet op het geringe aantal voorbijrijdende voertuigen.

12.10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het dagelijks bestuur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verhoging van de Dorpstraat bij dijkvak 7 niet zal leiden tot onaanvaardbare lichthinder ter plaatse van de woning van [appellant sub 2]. Het betoog faalt.

13. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college geen aanleiding heeft hoeven zien om de goedkeuring aan het projectplan te onthouden. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4]

14. [ appellant sub 3] en [appellant sub 4] zijn eigenaren en bewoners van de percelen lokaal bekend [locatie 3] en [locatie 4], kadastraal Grubbenvorst, sectie C, nr. 4773 en nr. 3015, ten zuidoosten van dijkvak 1, beide met een oppervlakte van ongeveer 3.800 m².

Dijkring 67 bestaat uit een waterkering die aan de noordzijde en aan de zuidzijde aansluit op hoge grond. Door de nieuwe hoogte-eisen moet de waterkering aan beide zijden worden verlengd om op het hogere niveau aan te sluiten. Dijkvak 1 betreft het meest zuidelijke deel van het dijktracé. Het projectplan voorziet in de aansluiting van de waterkering op de hoge gronden door het ophogen van de Venloseweg. De beoogde dijkversterking vindt gedeeltelijk plaats op gronden van [appellant sub 3] en [appellant sub 4].

[appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben beroep ingesteld tegen het projectplan, omdat de gekozen situering van dijkvak 1 tot gevolg heeft dat zij de beschikking over een deel van hun tuin kwijt raken. In het geval van [appellant sub 3] gaat het om een verlies van 178 m². In het geval van [appellant sub 4] betreft dit 117 m². Ook vrezen [appellant sub 3] en [appellant sub 4] voor geluidsoverlast als gevolg van de verhoging van de Venloseweg.

15. [ appellant sub 3] en [appellant sub 4] bestrijden de gemaakte alternatievenbeoordeling, zoals vastgelegd in het rapport "Alternatievenafweging en voorkeursalternatief (VKA)" van Movares van 6 juli 2015 (hierna: rapport Alternatievenbeoordeling) en voorzien van een aanvullende onderbouwing in het rapport "Adviesnota Hotspots" van Movares van 19 mei 2016. Bij het onderzoek zijn twee locaties voor de situering van dijkvak 1 beoordeeld. Dit betreft een locatie direct ten westen van de percelen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] (alternatief 1A) en een locatie ten zuidwesten van hun percelen, waarbij de (verhoogde) waterkering aansluit op de hoge gronden aan de westzijde van de Venloseweg, ter hoogte van [locatie 5]. Volgens [appellant sub 3] en [appellant sub 4] is ten onrechte niet gekozen voor alternatief "1B". [appellant sub 3] en [appellant sub 4] bestrijden de alternatievenbeoordeling wat betreft de thema’s "techniek", "rivierkunde", "archeologie en cultuurhistorie", "natuur", "hinder" en "gebruiksfunctie". Ook heeft het dagelijks bestuur volgens hen niet aannemelijk gemaakt dat alternatief 1A aanmerkelijk goedkoper is, nu het rapport waarin de kosten van de twee alternatieven zijn berekend niet openbaar is gemaakt.

15.1. In het projectplan staat dat voor het sluiten van dijkring 67 dwars op de Venloseweg, ter hoogte van [locatie 6], een waterkering conform het normprofiel wordt gerealiseerd. Het normprofiel wordt aangevuld met een klei-inkassing van 4 m breed om "piping" te voorkomen. De waterkering wordt aan beide zijden van de Venloseweg aangesloten op de nabij gelegen hoge gronden. Als gevolg van de realisatie van de waterkering dient de Venloseweg te worden opgehoogd. Er zijn twee alternatieven bestudeerd: afsluiting ter hoogte van [locatie 3] (alternatief 1A) en ter hoogte van [locatie 5] (1B). Bij alternatief 1A wordt de weg met ongeveer 1,1 m verhoogd en gezorgd dat opritten naar woningen goed aansluiten op de verhoging. Nadeel is dat enkele woningen bij hoog water dan minder goed bereikbaar zijn, dit is nu echter ook het geval. Verbetering van de bereikbaarheid is geen opgave voor dit plan. Bij alternatief 1B moet de weg 1,7 m worden opgehoogd en is een buitenwaartse klei-inkassing noodzakelijk van 4 m breed. Daarnaast moet een korte kering over een onbebouwd perceel direct ten zuiden van [locatie 5] en de tuin van [locatie 5] worden aangelegd om tot een goede aansluiting te komen op de hoge grond aan de oostzijde. Alternatief 1A scoort beter op onder meer maakbaarheid, beheer en onderhoud, archeologie en cultuurhistorie en natuur. Daarnaast is het aanzienlijk goedkoper (ongeveer € 500.000), aldus het projectplan.

15.2. In hoofdstuk 4 van het rapport Alternatievenbeoordeling wordt de gehanteerde beoordelingssystematiek nader toegelicht. Uit deze toelichting volgt dat de twee alternatieven zijn beoordeeld op een aantal "thema’s". De thema’s kennen een onderverdeling in "aspecten". Voor ieder aspect is een aantal punten toegekend, variërend van 1 (zeer negatief effect ten opzichte van referentiesituatie) tot 5 (zeer positief effect ten opzichte van referentiesituatie). Hoofdstuk 6 van het rapport bevat de alternatievenbeoordeling als zodanig, waarbij aan de twee onderzochte alternatieven per aspect punten zijn toegekend. Het resultaat van deze beoordeling is weergegeven in tabel 6-1. Aan alternatief 1A zijn 37 punten toegekend. Alternatief 1B heeft 27 punten gekregen. Het dagelijks bestuur heeft verder aan de gemaakte keuze voor alternatief 1A ten grondslag gelegd dat dit alternatief ongeveer € 500.000 minder kost dan alternatief 1B alsook dat bij alternatief 1B sprake is van een hoger risico dat water tussen de huizen aan de Venloseweg door naar de dorpskern stroomt, het zo genoemde risico op "achterloopsheid".

15.3. De Afdeling overweegt dat bij de keuze voor een alternatief een afweging gemaakt dient te worden van alle daarbij betrokken belangen. Het bevoegde gezag heeft hierbij beleidsruimte. [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben de puntentoedeling voor de verschillende aspecten bestreden. De Afdeling stelt vast dat ook indien alle argumenten van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] worden gevolgd, dit leidt tot de situatie waarbij de twee alternatieven ongeveer even hoog scoren. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding in te gaan op alle door [appellant sub 3] en [appellant sub 4] aangevoerde argumenten ter zake van de onderscheiden beoordelingsaspecten. In het hiernavolgende zal nader worden ingegaan op het aspect "Beschermde natuurgebieden", omdat dit volgens het dagelijks bestuur (en het college dat het projectplan heeft goedgekeurd) een zwaarwegend aspect is geweest voor de keuze voor alternatief 1A. Voorts zal nader worden ingegaan op het betoog dat niet aannemelijk is geworden dat alternatief 1A minder kostbaar is.

15.4. De gronden ten westen van de Venloseweg zijn aangewezen als Goudgroene natuurzone. Niet in geschil is dat in beide alternatieven de dijkversterking leidt tot een aantasting van de Goudgroene natuurzone, zij het dat het ruimtebeslag bij alternatief 1A enigszins groter is en in totaal 791 m² bedraagt. Het dagelijks bestuur heeft zich op het standpunt gesteld dat alternatief 1B leidt tot een aanmerkelijke aantasting van de "Bronsgroene landschapszone", terwijl de gevolgen voor de Goudgroene natuurzone marginaal beter zijn. De geringe meerwaarde van alternatief 1B voor de Goudgroene natuurzone weegt volgens het dagelijks bestuur niet op tegen de grote gevolgen van alternatief 1A voor de Bronsgroene landschapszone. Naar het oordeel van de Afdeling is dit standpunt niet onredelijk.

15.5. Uit de rapporten die ten grondslag zijn gelegd aan de alternatievenbeoordeling volgt dat de afstand tussen de hoge gronden ten westen van Grubbenvorst en ten oosten van de Venloseweg toeneemt in zuidelijke richting. De Afdeling wijst in dit verband op figuur 11 bij het rapport Alternatievenbeoordeling. De lengte van het benodigde dijklichaam ter hoogte van de [locatie 3] bedraagt 30 m. Bij alternatief 1B is een dijklichaam met een lengte van 60 m nodig, gelet op de afstand die dient te worden "overbrugd". Uit hoofdstuk 6 van het rapport Alternatievenbeoordeling volgt dat de Venloseweg zelf lager ligt dan de directe omgeving, waardoor ook deze verhoogd dient te worden. De noodzakelijke verhoging van de Venloseweg is bij alternatief 1B ongeveer 60 cm groter dan bij 1A, hetgeen volgens het dagelijks bestuur extra kosten met zich brengt. De Afdeling is van oordeel dat het dagelijks bestuur weliswaar niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe de kosten zijn geraamd, maar dat niettemin gelet op de dubbele lengte en de grotere verhoging aannemelijk is dat de kosten van alternatief 1B hoger zijn dan die van alternatief 1A.

15.6. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben aangevoerd over de verrichte alternatievenbeoordeling geen aanleiding voor het oordeel dat het alternatievenonderzoek zodanige gebreken of leemtes in kennis bevat dat op grond hiervan niet in redelijkheid gekozen had kunnen worden voor alternatief 1A. Het betoog faalt.

16. [ appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen dat het projectplan, vanwege de keuze voor alternatief 1A voor dijkvak 1, in strijd is met artikel 2.6.2 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 (hierna: Omgevingsverordening).

16.1. Het dagelijks bestuur heeft zich op het standpunt gesteld dat weliswaar sprake is van een aantasting van de Goudgroene natuurzone, maar dat voldaan wordt aan de voorwaarden die op grond van de Omgevingsverordening gelden om het project niettemin uit te kunnen voeren.

16.2. Artikel 2.6.2, van de Omgevingsverordening, luidt als volgt:

"Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op een gebied dat deel uitmaakt van de Goudgroene natuurzone, maakt geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten."

Artikel 2.6.3, luidt als volgt:

"Het verbod van artikel 2.6.2 is niet van toepassing op nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten, indien:

a. er sprake is van een groot openbaar belang;

b. er geen reële alternatieven zijn en

c. uit het ruimtelijk plan blijkt dat en hoe negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en voor het overige worden gecompenseerd, waarbij:

1. de compensatie niet mag leiden tot verlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke kenmerken en waarden; en

2. de compensatie plaatsvindt:

- op financiële wijze of

- in natura in nog niet gerealiseerde delen van de Goudgroene natuurzone."

16.3. In het projectplan staat dat aan de zuidkant van het plangebied, ter hoogte van de [locatie 3], door de dijkversterking ruimtebeslag plaatsvindt op de Goudgroene natuurzone. Voor deze locatie is gekozen, omdat hier de Venloseweg het hoogst is, en omdat de afstand dwars op de dijk het kortst is, circa 30 m. Dijkversterking op een andere locatie geeft een groter ruimtebeslag op de Goudgroene natuurzone en/of leidt tot een grotere kans dat water tussen de huizen door alsnog de dorpskern kan instromen. Het gebied in de Goudgroene natuurzone waar ruimtebeslag optreedt heeft de aanduiding "bestaande natuur" met het beheertype "N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos". Ten behoeve van de dijkversterking zal een deel van de daar aanwezige bomen worden gekapt. Bomen die worden weggehaald worden teruggeplaatst, mits buiten de kernzone van de dijk. Het ruimtebeslag op de Goudgroene natuurzone dient in overleg met de provincie te worden gecompenseerd. De provincie geeft bij compensatie van de Goudgroene natuurzone de voorkeur aan een financiële compensatie. Voor de regio Noord-Limburg West is de financiële compensatie gezet op € 76.700,- per hectare. Het overleg met de provincie ten aanzien van compensatie is gestart en zal worden uitgevoerd via standaardcontracten, aldus het projectplan.

16.4. De Afdeling is van oordeel dat het dagelijks bestuur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het projectplan, wat betreft de keuze voor alternatief 1A voor dijkvak 1, niet in strijd is met de Omgevingsverordening, omdat wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 2.6.3. Het projectplan dient een groot openbaar belang, nu dat is vastgesteld vanwege het op grond van de Waterwet vereiste beschermingsniveau voor de waterkering bij Grubbenvorst. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de aantasting van de Goudgroene natuurzone niet of onvoldoende wordt gecompenseerd, gelet op de toelichting in het projectplan en de omstandigheid dat [appellant sub 3] en [appellant sub 4] deze niet inhoudelijk hebben bestreden. Verder volgt uit hetgeen hiervoor in 15.6 is overwogen dat er geen reële alternatieven zijn voor de situering van dijkvak 1 ter hoogte van de [locatie 3], waarbij van belang is dat aan de keuze voor alternatief 1A ook ten grondslag is gelegd dat het risico dat water tussen de huizen door alsnog de dorpskern kan instromen, groter is bij alternatief 1B. Het betoog faalt.

17. [ appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen dat niet inzichtelijk is gemaakt welke gevolgen de verhoging van de Venloseweg heeft voor het akoestische klimaat ter plaatse van hun woningen.

17.1. Naar aanleiding van de zienswijzen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] tegen het ontwerp van het projectplan is onderzoek verricht naar de gevolgen van de verhoging van de Venloseweg voor de geluidbelasting ter plaatse van hun woningen. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het akoestisch rapport. In paragraaf 4.2 van het akoestisch rapport wordt geconcludeerd dat de verhoging van de Venloseweg geen gevolgen heeft voor de geluidbelasting ter plaatse van de woning van [appellant sub 3]. Ter plaatse van de woning van [appellant sub 4] stijgt de geluidbelasting met 0,2 dB. Voor beide woningen is verder een (extra) toename van de geluidbelasting in de periode van 2016 tot 2027 berekend vanwege de autonome groei van het verkeer. Op grond van deze gegevens wordt in het akoestisch rapport geconcludeerd dat geen sprake is van een reconstructiesituatie als bedoeld in de Wet geluidhinder, zodat geen geluidsreducerende maatregelen getroffen behoeven te worden. Uit tabel 4.2 bij het akoestisch rapport volgt dat voor het berekenen van de totale geluidbelasting op de gevels van de woningen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4], met een beroep op artikel 110g van de Wet geluidhinder, een aftrek van 5 d(B) is toegepast. Deze aftrek wordt toegepast vanwege de verwachting dat voertuigen in de toekomst (steeds) stiller zullen worden. De Afdeling wijst er op dat de toegepaste reductie van 5 dB, wat daar verder ook van zij, geen afbreuk doet aan de conclusie in het akoestisch rapport dat de verhoging van de Venloseweg geen noemenswaardige gevolgen heeft voor de geluidbelasting ter plaatse van de woningen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4]. Het betoog faalt.

18. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college geen aanleiding heeft hoeven zien om de goedkeuring aan het projectplan te onthouden. De beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] zijn ongegrond.

Proceskosten

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Milosavljević, griffier.

w.g. Hagen w.g. Milosavljević

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2017

739.

Bijlage

Projectplan

Dijkvakken tracé waterkering

Situatie [appellant sub 1]

Situatie [appellant sub 2]

Situatie [appellant sub 3] en [appellant sub 4]

Waterwet

Artikel 5.4

1. De aanleg of wijziging van een waterstaatswerk door of vanwege de beheerder geschiedt overeenkomstig een daartoe door hem vast te stellen projectplan. Met de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk wordt gelijkgesteld de uitvoering van een werk tot beïnvloeding van een grondwaterlichaam.

2. Het plan bevat ten minste een beschrijving van het betrokken werk en de wijze waarop dat zal worden uitgevoerd, alsmede een beschrijving van de te treffen voorzieningen, gericht op het ongedaan maken of beperken van de nadelige gevolgen van de uitvoering van het werk. Voor in bij algemene maatregel van bestuur te bepalen gevallen bevat het plan een inventarisatie van maatschappelijke functies en ambities en mogelijke innovaties waarmee de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk gecombineerd zou kunnen worden, inclusief de mogelijkheden om het desbetreffende werk middels een concessie voor werken of andere vorm van publiek-private samenwerking te realiseren.

3. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop de inventarisatie wordt uitgevoerd en private partijen daarbij betrokken worden.

[…];

5. Indien het plan de verlegging van een primaire waterkering betreft, kan het voorts voorzieningen bevatten met betrekking tot de inpassing in de omgeving van het gebied tussen de plaats waar de oorspronkelijke primaire waterkering is gelegen, en de plaats waar de nieuwe primaire waterkering komt te liggen.

[…].

Artikel 5.7, eerste lid

Het projectplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten van de provincie op wier grondgebied het wordt uitgevoerd. De goedkeuring kan slechts worden onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.

Artikel 5:25, eerste lid,

De beheerder kan, voor zover dat voor de vervulling van zijn taken redelijkerwijs nodig is, rechthebbenden ten aanzien van onroerende zaken de verplichting opleggen om de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk en de daarmee verband houdende werkzaamheden te gedogen, wanneer naar zijn oordeel de belangen van die rechthebbenden onteigening niet vorderen.

Artikel 7.14

1. Aan degene die als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer schade lijdt of zal lijden, wordt op zijn verzoek door het betrokken bestuursorgaan een vergoeding toegekend, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

2. Het verzoek tot vergoeding van de schade bevat een motivering, alsmede een onderbouwing van de hoogte van de gevraagde schadevergoeding. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur dan wel verordening van provincie of waterschap kunnen regels worden gesteld omtrent de inrichting, indiening en motivering van een verzoek tot schadevergoeding.

[…];

3. Het bestuursorgaan kan het verzoek afwijzen, indien vijf jaren zijn verlopen na de dag waarop de schade zich heeft geopenbaard dan wel nadat de benadeelde redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van de schade, doch in elk geval na verloop van twintig jaren na de schadeveroorzakende gebeurtenis. Bij of krachtens de in het tweede lid bedoelde algemene maatregel van bestuur dan wel verordening van provincie of waterschap kunnen regels worden gesteld omtrent de behandeling en de wijze van beoordeling van een verzoek tot schadevergoeding.

4. Het besluit inzake de toekenning van de vergoeding wordt genomen bij afzonderlijke beschikking.

[…].