Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1861

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-07-2017
Datum publicatie
12-07-2017
Zaaknummer
201600805/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:8045, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 januari 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het jaar 2013 herzien en vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201600805/1/A2.

Datum uitspraak: 12 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 december 2015 in zaak nr. 15/4301 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het voorschot kinderopvangtoeslag van [appellante] voor het jaar 2013 herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 19 juni 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 december 2015 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 november 2016, waar [appellante], bijgestaan door mr. T.E. van der Bent, advocaat te Zeist, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

Met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling het onderzoek ter zitting geschorst teneinde [appellante] in de gelegenheid te stellen stukken over te leggen waaruit het door haar en haar partner in 2013 gewerkte aantal uren blijkt en de Belastingdienst/Toeslagen in de gelegenheid te stellen om, na ontvangst van die stukken, een nader standpunt in te nemen.

Bij brief van 9 december 2016 heeft [appellante] nadere stukken overgelegd.

Bij brief van 23 januari 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen daarop gereageerd.

De Afdeling heeft de behandeling van de zaak hervat op een nadere zitting op 24 mei 2017, waar [appellante], bijgestaan door mr. T.E. van der Bent, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. E.J.E. Groothuis, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Voor het jaar 2013 is aan [appellante] een voorschot kinderopvangtoeslag toegekend ter hoogte van € 20.440,00 voor de opvang van haar twee kinderen via [gastouderbureau]. Later is dit voorschot gewijzigd vastgesteld op € 20.488,00. Bij besluit van 6 januari 2015 heeft de Belastingdienst/Toeslagen laatstgenoemd voorschot herzien en vastgesteld op nihil, omdat uit de door [appellante] aangeleverde aanvullende informatie is gebleken dat in 2013 geen sprake is geweest van een geldige overeenkomst tussen de vraagouder en het gastouderbureau, aangezien de toegezonden overeenkomst, met ingangsdatum 1 januari 2013, is gedagtekend op 27 december 2013. Nu de overeenkomst pas vanaf die datum rechtsgeldig is, heeft de kinderopvang over de periode 1 januari 2013 tot en met 26 december 2013 geen geldige grondslag gehad. Tevens correspondeert de hoogte van de totale opvangkosten uit de jaaropgave niet met het totale bedrag aan opvangkosten zoals vermeld in de facturen, zodat de daadwerkelijk gemaakte kosten niet kunnen worden bepaald. Gelet hierop is aannemelijk dat de gastouderopvang niet op basis van een overeenkomst als bedoeld in artikel 1.52 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de Wkkp) heeft plaatsgevonden, aldus de dienst.

    Gelet op het verhandelde ter zitting werpt de Belastingdienst/Toeslagen [appellante] de onjuiste dagtekening van de overeenkomst niet meer tegen. Dit betekent dat het geschil zich beperkt tot de vraag of [appellante] heeft aangetoond dat zij de kosten van de kinderopvang heeft betaald.

2.    De rechtbank heeft overwogen dat uit de door [appellante] verstrekte gegevens is gebleken dat het bedrag aan kosten dat zij volgens de jaaropgave is verschuldigd niet overeenkomt met het bedrag van de daadwerkelijk betaalde kosten zoals volgt uit de facturen. Dat, zoals door [appellante] ter zitting bij de rechtbank gesteld, in de jaaropgave abusievelijk is uitgegaan van dertien maanden kinderopvang in plaats van twaalf maanden zodat deze ten onrechte een hoger bedrag bevat, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders, omdat [appellante] dit niet nader heeft verklaard dan wel onderbouwd. Nu [appellante] de kosten niet heeft aangetoond, heeft de Belastingdienst/Toeslagen zich reeds daarom terecht op het standpunt gesteld dat zij geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag over 2013, aldus de rechtbank.

3.    [appellante] kan zich niet met het oordeel van de rechtbank verenigen en betoogt dat zij de hoogte van de kosten van kinderopvang in 2013 heeft aangetoond. Hoewel de jaaropgave wat betreft de kosten niet geheel overeenkomt met de facturen, bevatten de facturen geen onjuistheden, zodat van de juistheid van de kosten zoals weergegeven in de facturen dient te worden uitgegaan. Voorts stelt zij zich op het standpunt dat zij alle kosten van kinderopvang over 2013 heeft betaald. Indien de Afdeling een andere mening is toegedaan, betoogt zij dat, gelet op het geringe verschil tussen de gefactureerde kosten en de gemaakte kosten, de menselijke maat verloren zou gaan indien zij het gehele bedrag zou moeten terugbetalen. Daar komt bij dat uit de jurisprudentie van de Afdeling niet volgt dat de Belastingdienst/Toeslagen gehouden is de toeslag op nihil te stellen. Zij verwijst daartoe naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 september 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:6483.

3.1.    [appellante] heeft ter onderbouwing van haar standpunt dat zij de hoogte van de kosten van kinderopvang in 2013 heeft aangetoond jaaropgaven en facturen over de periode januari tot en met december 2013 overgelegd. Op de jaaropgaven staat een totaal bedrag ter hoogte van € 24.598,85 vermeld en op de facturen een totaal bedrag ter hoogte van € 22.706,63. Ter zitting bij de Afdeling heeft de Belastingdienst/Toeslagen erkend dat het op de jaaropgaven vermelde bedrag aan kosten kinderopvang onjuist is en dat van het op de facturen vermelde bedrag van € 22.706,63 dient te worden uitgegaan. Tevens heeft de dienst erkend dat [appellante] deze kosten volledig heeft voldaan. Nu vast is komen te staan dat [appellante] de kosten van kinderopvang over 2013 heeft betaald en de Belastingdienst/Toeslagen de onjuiste dagtekening van de overeenkomst niet meer tegenwerpt, berust de vaststelling op nihil van het voorschot kinderopvangtoeslag over het berekeningsjaar 2013 niet op een deugdelijke grondslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

    Het betoog slaagt.

4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 19 juni 2015 van de Belastingdienst/Toeslagen alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De Belastingdienst/Toeslagen dient de aanspraak op kinderopvangtoeslag van [appellante] over het jaar 2013 opnieuw te berekenen. De dienst moet daartoe een nieuw besluit nemen.

4.1.    Bij de berekening van de hoogte van de kinderopvangtoeslag op basis van de dienstbetrekking van [appellante] dient de dienst, zoals ook in de brief van 23 januari 2017 is gesteld, voor het [kind 1] uit te gaan van 202 opvanguren voor geheel 2013 en voor het [kind 2] van 404 uren dagopvang voor geheel 2013. Voorts hoeft de dienst bij de berekening van de hoogte van de kinderopvangtoeslag geen rekening te houden met de door [appellante] gewerkte uren in de onderneming van haar partner, nu niet vast is komen te staan hoeveel uren zij in 2013 daadwerkelijk in de onderneming heeft meegewerkt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de inspecteur van de Belastingdienst geen meewerkaftrek als bedoeld in artikel 3.78 van de Wet inkomstenbelasting 2001 heeft vastgesteld en [appellante] de door haar gestelde gewerkte uren in de onderneming niet met objectieve en verifieerbare gegevens heeft onderbouwd.

5.    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door de Belastingdienst/Toeslagen te nemen nieuwe besluit op het bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

6.    De Belastingdienst/Toeslagen dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 15 december 2015 in zaak nr. 15/4301;

III.    verklaart het door [appellante] bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 19 juni 2015, met kenmerk BOB KO;

V.    bepaalt dat tegen het door de Belastingdienst/Toeslagen te nemen besluit slechts beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling;

VI.    veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.227,50 (zegge: tweeduizendtweehonderdenzevenentwintig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 296,00 (zegge: tweehonderdzesennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2017

97-834.