Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:184

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
201507768/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2015:10280, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2013 heeft het college het verzoek van [verzoeker A] en [verzoeker B] om handhavend optreden tegen een deel van de exploitatie van de theetuin van [appellant] op het perceel [locatie] te Hazerswoude-Dorp afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2017/2900
JOM 2017/116
JOM 2017/110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201507768/1/A1.

Datum uitspraak: 25 januari 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Hazerswoude-Dorp, gemeente Alphen aan den Rijn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 september 2015 in zaak nr. 15/1387 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2013 heeft het college het verzoek van [verzoeker A] en [verzoeker B] om handhavend optreden tegen een deel van de exploitatie van de theetuin van [appellant] op het perceel [locatie] te Hazerswoude-Dorp (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 11 december 2013 heeft het college het door [verzoeker A] en [verzoeker B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 november 2014 heeft de rechtbank het door [verzoeker A] en [verzoeker B] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard.

Bij besluit van 9 februari 2015 heeft het college het door [verzoeker A] en [verzoeker B] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 27 juni 2013 alsnog gegrond verklaard. Het college heeft dat besluit herroepen en heeft [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het gebruik van de bestaande bouwwerken ten behoeve van horeca-activiteiten te beperken tot een oppervlakte van 100 m2. Voorts heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast het gebruik van de buitenruimte ten behoeve van de theetuin te beperken tot een oppervlakte van 115 m2.

Bij uitspraak van 1 september 2015 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 september 2016, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door R.M. Klerks en I.M. Borst, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. Het geschil tussen partijen heeft betrekking op een theetuin op het perceel die door [appellant] wordt geëxploiteerd. Het college heeft daarvoor in 2009 onder voorwaarden een vrijstelling op grond van artikel 19 van de Wet Ruimtelijke Ordening verleend. Volgens een aantal omliggende bedrijven, waaronder [verzoeker A] en [verzoeker B], voldeed [appellant] niet aan de voorwaarden in de vrijstelling en ontstond daardoor verkeer- en geluidoverlast. Volgens hen werd in strijd met de vrijstelling niet op eigen terrein geparkeerd, maar in de berm van de weg waardoor de weg werd geblokkeerd voor vrachtwagens. Ook was volgens hen geen sprake meer van kleinschalige horeca. Zij hebben daarom bij het college verzocht om handhavend optreden. Nadat het college dit verzoek heeft afgewezen, hebben [verzoeker A] en [verzoeker B] beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank was van oordeel dat het college onvoldoende had onderzocht of er een grondslag was om handhavend op te treden. In het nieuwe besluit op bezwaar heeft het college alsnog besloten om handhavend op te treden. Volgens het college gebruikt [appellant] meer oppervlakte voor de theetuin dan op grond van de vrijstelling is toegestaan. [appellant] is het niet eens met de beslissing om handhavend op te treden. Volgens hem was het gemeentebestuur al jarenlang op de hoogte van de oppervlakte die hij voor de theetuin gebruikt en heeft het college daartegen nooit handhavend opgetreden. Ook heeft volgens hem nooit iemand daarover geklaagd. [appellant] vreest voor ernstig omzetverlies als hij niet meer de huidige oppervlakte voor de theetuin kan gebruiken.

Dwangsom ten aanzien van het gebruik van de bestaande bouwwerken

2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de dwangsom ten aanzien van het gebruik van de bestaande bouwwerken voor de theetuin ten onrechte is opgelegd, omdat het gebruik van een oppervlakte van 180 m2 van de kas voor de theetuin onder het overgangsrecht valt. Daartoe voert hij aan dit gebruik is toegestaan op grond van het vrijstellingsbesluit. [appellant] wijst daarbij op een brief van 18 juni 2008 die hij aan het college heeft gestuurd. Daarin heeft [appellant] een aantal wijzigingen van zijn bedrijfsvoering vermeld. Volgens [appellant] maakt deze brief onderdeel uit van het vrijstellingsbesluit.

2.1. Het college stelt zich op het standpunt dat op grond van de vrijstelling slechts het gebruik van 100 m2 van de bestaande bouwwerken ten behoeve van de theetuin is toegestaan. De brief van 18 juni 2008 maakt volgens het college geen onderdeel uit van het vrijstellingsbesluit, omdat de wijzigingen die daarin zijn vermeld niet zijn aangevraagd en deze brief niet ter inzage is gelegd met het ontwerpbesluit.

2.2. [appellant] heeft bij brief van 28 december 2006 een aanvraag ingediend voor het gebruik van het terras en tuin voor het nuttigen van koffie, thee, frisdrank en gebak, het inrichten van een gedeelte van de tuin als speelveld voor de kinderen, de aanpassing van een gedeelte van de kwekerij ten behoeve van de verkoop van tuinplanten aan particulieren en de verkoop van licht-alcoholische dranken. Voorts volgt uit deze brief dat de keuken zich in een noodgebouw bevindt en dat in een reeds bestaande veldschuur sanitaire voorzieningen zijn aangebracht.

2.3. In het vrijstellingsbesluit staat dat vrijstelling is verleend voor het exploiteren van een theetuin op het perceel overeenkomstig het gewaarmerkte verzoek met aanvullende bescheiden, de bijbehorende gewaarmerkte tekening(en), de gewaarmerkte kenbaar gemaakte zienswijzen en bijlage A onder de voorwaarden dat het exploiteren van een theetuin alleen is toegestaan als een zogeheten nevenfunctie met kleinschalige horeca, dat in ruimtelijk opzicht ondergeschikt is aan de hoofdfunctie op het perceel en onder de voorwaarden dat de aan de theetuin gebonden activiteiten geconcentreerd op het bouwblok plaatsvinden en dat het parkeren uitsluitend op het eigen terrein mag plaatsvinden.

2.4. Niet in geschil is dat een oppervlakte van 180 m2 van de kas voor de theetuin in gebruik is. Voorts heeft de keuken met de toiletten een omvang van maximaal 92 m2, zodat in totaal ongeveer 272 m2 aan bebouwing in gebruik is voor horeca behorende bij de theetuin. Niet in geschil is dat deze oppervlakte ten tijde van de inwerkingtreding van het thans geldende bestemmingsplan "Sierteeltgebied" van 11 november 2010 in gebruik was voor de theetuin. In het bestemmingsplan "Sierteeltgebied" is aan het perceel de bestemming "Agrarisch - Sierteelt" toegekend. Op grond van artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder f, sub 6, van de planregels is ter plaatse van gronden met deze bestemming een aan de hoofdfunctie ondergeschikte kleinschalige horecagelegenheid toegestaan, waarvoor ten hoogste 100 m2 bebouwing in gebruik mag worden genomen. In artikel 24, lid 24.2, onder a, is bepaald dat het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. Dit geldt op grond op grond van lid 24.2, onder d, niet voor gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsregeling van dat plan.

2.5. De Afdeling overweegt dat sinds de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Sierteeltgebied" het vrijstellingsbesluit niet meer geldt. Dit neemt niet weg dat het gebruik dat onder de reikwijdte van het vrijstellingsbesluit viel en dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan op grond van het overgangsrecht mag worden voortgezet. Uit het vrijstellingsbesluit volgt dat de vrijstelling is verleend overeenkomstig het verzoek met de aanvullende bescheiden. Blijkens het vrijstellingsbesluit is één van die aanvullende bescheiden de brief van 18 juni 2008. Gelet hierop behoort deze brief tot het vrijstellingsbesluit. Bovendien staat op deze brief een stempel dat deze tot het besluit behoort. Dat deze brief niet ter inzage is gelegd kan niet afdoen aan wat duidelijk uit het vrijstellingsbesluit volgt. In de brief van 18 juni 2008 wordt onder meer vermeld dat de kas is ingericht om onderdak te bieden bij slecht weer. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte niet onderkend dat op grond van het vrijstellingsbesluit de kas onder omstandigheden voor de theetuin mocht worden gebruikt. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte niet onderkend dat het college niet zorgvuldig heeft onderzocht in hoeverre het gebruik van de kas voor de theetuin onder de reikwijdte van het vrijstellingsbesluit viel en dus onder het overgangsrecht valt.

Het betoog slaagt.

Dwangsom ten aanzien van het gebruik van de buitenruimte

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat op grond van het vrijstellingsbesluit het gebruik van een oppervlakte van 3.500 m2 van de buitenruimte voor de theetuin is toegestaan. De buitenruimte bestaat volgens hem uit een hoofdterras en een tuin met onder meer speelvelden. Het hoofdterras heeft een oppervlakte van 75 m2, maar volgens [appellant] lopen bezoekers door de tuin heen en staan door de tuin heen verspreid tafels en stoelen die door bezoekers desgewenst kunnen worden verplaatst. Hij vreest dat zij dit niet meer kunnen doen door de last onder dwangsom.

3.1. De Afdeling stelt vast dat de last onder dwangsom ten aanzien van de buitenruimte is gerelateerd aan de oppervlakte van de tafels en stoelen. In de last onder dwangsom staat immers dat bij het bepalen van de oppervlakte die voor de theetuin wordt gebruikt, wordt gekeken naar het aantal stoelen en tafels in de buitenruimte. De last onder dwangsom staat er dus niet aan in de weg dat bezoekers door de tuin heen lopen en verspreid door de tuin zitten voor zover de oppervlakte van de tafels en stoelen in totaal niet meer dan 115 m2 bedraagt. [appellant] heeft in een brief aan het gemeentebestuur van 18 oktober 2007 vermeld dat hij instemt met de voorwaarde dat de maximale oppervlakte ten behoeve van de theeschenkerij 115 m2 is. Niet is gebleken dat in geschil is dat ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan een oppervlakte van 115 m2 aan tafels en stoelen in gebruik was voor de theetuin.

Het betoog faalt.

Conclusie

4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal doen wat de rechtbank had behoren te doen en het beroep tegen het besluit van 9 februari 2015 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking wat betreft de opgelegde dwangsom ten aanzien van het gebruik van de bestaande bouwwerken.

5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 1 september 2015 in zaak nr. 15/1387;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn van 11 december 2013, kenmerk 2015/5114, voor zover het betreft de last onder dwangsom ten aanzien van het gebruik van de bestaande bouwwerken ten behoeve van horeca-activiteiten;

V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 415,00 (zegge: vierhonderdvijftien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.

w.g. Helder w.g. Van Driel Kluit

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 januari 2017

703.