Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1833

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2017
Datum publicatie
12-07-2017
Zaaknummer
201607436/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 september 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201607436/1/V1.

Datum uitspraak: 6 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 5 september 2016 in zaak nr. 15/19286 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2015 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 28 oktober 2015 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 8 maart 2016 heeft de staatssecretaris het besluit nader gemotiveerd.

Bij tussenuitspraak van 30 maart 2016 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om een aan het besluit klevend gebrek te herstellen.

Bij uitspraak van 5 september 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.A. Pieters, advocaat te Utrecht, (hierna: de gemachtigde) heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    De vreemdeling is afkomstig uit Nepal. Hij heeft gevraagd zijn uitzetting op te schorten omdat hij gezondheidsklachten heeft. In geschil is of de staatssecretaris terecht het advies van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) van 7 september 2015 (hierna: het BMA-advies) en de BMA-nota van 7 maart 2016 (hierna: de BMA-nota) aan het besluit ten grondslag heeft gelegd.

Grief 1

2.    In de tussenuitspraak heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld een aan het besluit klevend zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek te herstellen door het BMA te vragen de door de vreemdeling overgelegde brief van 6 oktober 2015 van zijn behandelend psychiater (hierna: de psychiater), de brief van 12 oktober 2015 van een behandelaar en een psychiater van de Spoedeisende Psychiatrie Amsterdam (hierna: de crisisdienst) en de brief van 30 november 2015 van de psychiater te betrekken bij het BMA-advies.

2.1.    Hetgeen als grief 1 in het hogerberoepschrift tegen de tussenuitspraak is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van die uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.

Grief 2

3.    In de einduitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris in de brief van 8 maart 2016 geen melding heeft gemaakt van de brief van 12 oktober 2015 en dat deze brief ook niet is vermeld in het in de BMA-nota opgenomen overzicht van stukken, hetgeen de vraag oproept of de staatssecretaris de brief van 12 oktober 2015 heeft voorgelegd aan het BMA. Dat de staatssecretaris in zijn brief van 1 juli 2016 heeft medegedeeld dat ook de brief van 12 oktober 2015 aan het BMA is voorgelegd, neemt deze twijfel volgens de rechtbank niet weg. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in de BMA-nota op geen enkele wijze is ingegaan op het feit dat de crisisdienst is ingeschakeld naar aanleiding van een (begin van een) suïcidepoging door de vreemdeling en op de hierover ter zitting gegeven toelichting dat de vreemdeling bij een vriend van het balkon dreigde te springen en dat toen acuut hulp is gezocht bij de crisisdienst. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat in de BMA-nota evenmin een reactie is te vinden op de specifieke vermelding in de brief van 12 oktober 2015 dat de vreemdeling "enkele malen op het punt heeft gestaan actie te ondernemen". Dit lijkt volgens de rechtbank te duiden op (begin van) suïcidepogingen, terwijl in de BMA-nota is vermeld dat er alleen gedachten zijn aan zelfdoding maar geen ondernomen pogingen. Hetgeen de crisisdienst schrijft over suïcidepogingen, lijkt aldus, volgens de rechtbank, niet te stroken met de BMA-nota. Bij twijfel over de betekenis van de zinsnede dat de vreemdeling "enkele malen op het punt heeft gestaan actie te ondernemen" had het voor de hand gelegen dat de BMA-arts contact had gezocht met de crisisdienst om te bepalen of daadwerkelijk gesproken kan worden van pogingen tot zelfmoord, aldus de rechtbank. Op grond van het vorenstaande heeft de rechtbank geoordeeld het ervoor te houden dat de staatssecretaris niet alle relevante door de vreemdeling in bezwaar en ter zitting overgelegde informatie aan het BMA heeft voorgelegd, zodat hij het in de tussenuitspraak geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek onvoldoende heeft hersteld. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de BMA-nota op dit punt, los bezien en in samenhang bezien met het BMA-advies, onvoldoende inzichtelijk is, zodat het besluit, nu deze adviezen daaraan ten grondslag zijn gelegd, in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.

3.1.    Grief 2 is gericht tegen de onder 3.1 weergegeven overwegingen. De staatssecretaris voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat uit de BMA-nota blijkt dat de brief van 12 oktober 2015 daarbij is betrokken. Daartoe wijst hij erop dat in het in de BMA-nota opgenomen overzicht van stukken de brief van 30 november 2015 is genoemd en dat deze brief een verwijzing betreft naar de daarbij gevoegde brief van 12 oktober 2015. De brief van 12 oktober 2015 is volgens de staatssecretaris aldus als bijlage bij de brief van 30 november 2015 naar het BMA gestuurd. Voorts voert de staatssecretaris aan dat uit de beantwoording van vraag 1 in de BMA-nota nadrukkelijk blijkt dat de brief van 12 oktober 2015 daarbij is betrokken. In dit verband wijst hij erop dat in de BMA-nota, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel is ingegaan op de inschakeling van de crisisdienst en dat de opmerking dat de brief van 12 oktober 2015 leert dat sprake is van gedachten aan zelfdoding maar niet van ondernomen pogingen een reactie is op de vermelding dat de vreemdeling "enkele malen op het punt heeft gestaan actie te ondernemen". Voorts voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte een eigen medisch oordeel heeft gegeven over een verklaring ter zitting van de vreemdeling, waarvan de inhoud niet is vermeld in de brieven van 6 oktober 2015 en 12 oktober 2015. De staatssecretaris voert tot slot aan dat de brieven van 6 oktober 2015, 30 november 2015 en 12 oktober 2015 volgens de BMA-nota niet nopen tot een andere conclusie over het ontstaan van een medische noodsituatie dan is vermeld in het BMA-advies. In dit verband wijst hij er voorts nog op dat de in reactie op de BMA-nota door de vreemdeling overgelegde brief van 25 december 2015 nagenoeg gelijkluidend is aan de brief van 12 oktober 2015. Nu het BMA-advies en de BMA-nota zorgvuldig, inzichtelijk en concludent zijn, heeft hij deze adviezen terecht aan het besluit ten grondslag gelegd, aldus de staatssecretaris.

Beoordeling

3.2.    In het BMA-advies is het volgende vermeld. De vreemdeling heeft sinds anderhalf tot twee jaar klachten waarmee hij in mei 2015 bij de psychiater is gekomen. Benoemd worden een psychische stoornis door een lichamelijke aandoening, een depressieve stoornis en een angststoornis. De behandeling bestaat uit twee maal per maand contact met de psychiater en medicatie. Niet wordt verwacht dat het uitblijven van deze behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Daarbij is als toelichting gegeven dat er al anderhalf tot twee jaar klachten zijn die zonder enige vorm van behandeling niet tot een medische noodsituatie hebben geleid, dat er geen opname is geweest, dat er geen maatregelen in het kader van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen zijn gesteld, dat er geen levensbedreigende symptomen zijn beschreven, dat er geen sprake is van een psychotische stoornis met dermate ernstige symptomen dat moet worden gevreesd voor het leven van de vreemdeling als gevolg van ondoordacht handelen of het onder invloed van psychoses onbedoeld in een levensbedreigende situatie belanden en dat er geen concrete plannen tot zelfdoding worden beschreven noch ondernomen pogingen.

    In de brief van 6 oktober 2015 heeft de psychiater de vraag van de gemachtigde of hij van mening is dat het staken van de behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie, bevestigend beantwoord. Daarbij heeft de psychiater toegelicht dat de vreemdeling onder meer aangeeft geen zin meer te hebben in het leven, dat hij dagelijks met suïcidale gedachten loopt en dat hij zich een mislukkeling voelt en geen reden meer heeft om nog te leven. Op de vraag van de gemachtigde op welke termijn een dergelijke situatie wordt verwacht als de behandeling wordt gestaakt en of daarbij relevant wordt geacht dat dit is gekoppeld aan al dan niet vrijwillige terugkeer, heeft de psychiater geantwoord dat, voor zover thans van belang, de vreemdeling bij het staken van de behandeling meer angstig en depressief kan worden waardoor de kans op suïcidale gedachten en plannen niet kan worden uitgesloten. Ook zal volgens de psychiater door de culturele achtergrond van de vreemdeling een terugkeer naar zijn eigen land gezichtsverlies betekenen, waardoor hij liever ervoor kiest zich van het leven te beroven. Daarbij heeft de psychiater het volgende vermeld: "9 oktober 2015: De onzekerheid van- en angst voor terugkeer naar land van herkomst, leiden momenteel naar een crisissituatie, waarin patiënt zich suïcidaal uit. Wij hebben aan de crisisdienst te Amsterdam gevraagd patiënt te beoordelen."

    Bij brief van 26 november 2015 heeft de gemachtigde de psychiater verzocht om recente medische informatie, gevraagd of de situatie van de vreemdeling is gewijzigd en verzocht om het verslag van de beoordeling door de crisisdienst.

    In de brief van 30 november 2015 heeft de psychiater aan de gemachtigde laten weten dat sinds het vorige contact tot op heden de psychische klachten van de vreemdeling onveranderd zijn gebleven, dat er een consult bij de crisisdienst heeft plaatsgevonden en dat het verslag daarvan is bijgevoegd.

    De brief van 12 oktober 2015 is gericht aan de huisarts van de vreemdeling en betreft het verslag van het consult op 9 oktober 2015 van de vreemdeling bij de crisisdienst. Als reden voor het consult is vermeld dat de psychiater verzoekt om een suïcidaliteitsbeoordeling. Geconcludeerd wordt, voor zover thans van belang, dat er sprake is van een matig verhoogd suïciderisico, waarbij met name de hopeloosheid van de situatie in combinatie met de depressieve stoornis luxerend is, dat de gedachtes al langere tijd in wisselende mate aanwezig zijn, waarbij de vreemdeling enkele malen op het punt heeft gestaan actie te ondernemen, dat zijn wil om te leven en behandelwens beschermend zijn en dat er geen indicatie voor opname is. Geadviseerd wordt de behandeling bij de eigen behandelaar te continueren.

    Bij brief van 8 maart 2016 heeft de staatssecretaris aan de rechtbank laten weten de brieven van 6 oktober 2015 en 30 november 2015 aan het BMA te hebben voorgelegd en heeft hij zich, onder verwijzing naar de bijgevoegde BMA-nota, op het standpunt gesteld dat hij in het besluit op juiste wijze de aanvraag om uitstel van vertrek heeft afgewezen.

    In de BMA-nota is vermeld dat de psychiater twee keer heeft gereageerd op het BMA-advies, dat het om twee brieven gaat, te weten de brief van 6 oktober 2015 en de brief van 30 november 2015. In het in de BMA-nota opgenomen 'Overzicht stukken bij onderhavige aanvraag om aanvullend advies' zijn deze twee brieven, het BMA-advies en een medisch artikel genoemd. Voorts is vermeld dat de onzekerheid van en angst voor terugkeer naar Nepal momenteel naar een crisissituatie leiden waarin de vreemdeling zich suïcidaal uit, dat aan de crisisdienst is gevraagd hem te beoordelen en dat de brief van 30 november 2015 bericht over een suïcidaliteitsbeoordeling en dat er sprake is van een matig verhoogd suïciderisico waarbij de hopeloosheid van de situatie in combinatie met de depressieve stoornis luxerend is. De vraag of de brieven van 6 oktober 2015 en 30 november 2015 aanleiding zijn om het BMA-advies te wijzigen is door de BMA-arts ontkennend beantwoord. In de daarbij gegeven toelichting heeft de BMA-arts, voor zover thans van belang, vermeld dat de meegezonden brief van het crisisteam van 12 oktober 2015, die mede werd ondertekend door een psychiater, leert dat sprake is van gedachten aan zelfdoding, maar niet van ondernomen pogingen, dat er geen indicatie voor opname is gesteld, noch andere interventies worden gedaan en dat als een van de beschermende factoren de wil tot leven wordt genoemd, zodat niet ingezien wordt dat er vanuit de ziekte wil tot niet-leven bestaat waarvan de uitvoering tot het niet-leven slechts met behandeling voorkomen kan worden.

    Bij brief van 17 maart 2016 heeft de vreemdeling in reactie op de BMA-nota naar voren gebracht dat de BMA-arts niet is ingegaan op de omstandigheid dat op enig moment de crisisdienst is ingeschakeld naar aanleiding van een (begin van een) suïcidepoging van hem, toen hij bij een vriend van het balkon dreigde te springen. De staatssecretaris heeft volgens de vreemdeling verzuimd deze informatie, die ter zitting bij de rechtbank naar voren is gekomen, aan het BMA te verstrekken bij de opdracht tot het geven van een aanvullend advies. Voorts is volgens de vreemdeling de stelling van de BMA-arts dat er alleen sprake is van suïcidale gedachten en niet van ondernomen pogingen te ongenuanceerd, waartoe hij heeft verwezen naar een bijgevoegde brief van 25 december 2015 van de crisisdienst aan zijn huisarts waarin een verslag is gegeven van het consult bij de crisisdienst op 9 oktober 2015.

    Bij brief van 1 juli 2016 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de brief van 25 december 2015 ziet op het consult van 9 oktober 2015 en nagenoeg gelijkluidend is aan de brief van 12 oktober 2015 en dat laatstgenoemde brief en dus ook het consult van 9 oktober 2015 al zijn betrokken bij de BMA-nota.

    Ter zitting bij de rechtbank heeft de vreemdeling verklaard dat hij een poging tot zelfmoord heeft gedaan en dat daarom de crisisdienst is ingeschakeld. Hij heeft toegelicht dat hij die dag heel veel negatieve gedachten in zijn hoofd had en heeft geprobeerd van het balkon af te springen toen hij bij vrienden was, dat een oudere dame hem naar binnen heeft getrokken, dat hij toen de psychiater heeft gebeld, dat hij toen moest komen en dat toen de crisisdienst erbij is gekomen.

3.3.    Niet in geschil is dat de vreemdeling alleen op 9 oktober 2015 op verzoek van de psychiater op consult is geweest bij de crisisdienst voor een suïcidaliteitsbeoordeling. Evenmin is in geschil dat de brief van 12 oktober 2015 een verslag van dat consult betreft. Het in de brief van 30 november 2015 genoemde consult en het bijgevoegde verslag daarvan kunnen daarom op niets anders zien dan op het consult van 9 oktober 2015 en de brief van 12 oktober 2015. Dat de crisisdienst bij brief van 25 december 2015 nog een keer, nagenoeg hetzelfde verslag van het consult van 9 oktober 2015 heeft gedaan aan de huisarts van de vreemdeling, doet hieraan, mede gelet op de datering van de brief van 30 november 2015, niet af. Dat de brief van 12 oktober 2015 als bijlage bij de brief van 30 november 2015 naar het BMA is gestuurd, zoals de staatssecretaris aanvoert, volgt uit de BMA-nota waarin in het antwoord op vraag 1 uitdrukkelijk de meegezonden brief van het crisisteam van 12 oktober 2015 is genoemd en aangehaald, die, zoals de BMA-arts terecht heeft opgemerkt, mede werd ondertekend door een psychiater. In de BMA-nota is weliswaar ook vermeld dat de brief van 30 november 2015 bericht over de suïcidaliteitsbeoordeling, maar hetgeen daarover is vermeld, komt letterlijk uit de brief van 12 oktober 2015. De staatssecretaris voert terecht aan dat de verklaring van de vreemdeling ter zitting over de door hem ondernomen poging tot zelfmoord en het naar aanleiding daarvan inschakelen van de crisisdienst, niet is vermeld in de brieven van 6 oktober 2015 en 12 oktober 2015. Ook is dit niet met andere medische stukken bevestigd. Aldus heeft de rechtbank, zoals de staatssecretaris terecht aanvoert, net als met de invulling die zij heeft gegeven aan de zinsnede "enkele malen op het punt heeft gestaan actie te ondernemen" uit de brief van 12 oktober 2015, een eigen medisch oordeel gegeven door dit te duiden als (begin) van suïcidepogingen. Gezien de brieven van 6 oktober 2015 en 12 oktober 2015 is in de BMA-nota, zoals de staatssecretaris heeft aangevoerd, terecht geconcludeerd dat er sprake is van gedachten aan zelfdoding, maar niet van ondernomen pogingen. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris het door haar in de tussenuitspraak geconstateerde zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek onvoldoende heeft hersteld en dat de BMA-nota daardoor los bezien en in samenhang bezien met het BMA-advies onvoldoende inzichtelijk is, zodat het besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb moet worden vernietigd.

    De grief slaagt.

Conclusie hoger beroep

4.    Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De einduitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden voor zover daarop, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

Beroep

5.    De vreemdeling heeft aangevoerd dat de staatssecretaris er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat er als gevolg van een aardbeving een ernstig tekort is aan psychiatrische hulpverlening in Nepal, zodat hij bij terugkeer geen toegang zal krijgen tot de vereiste medische zorg en zijn uitzetting zal leiden tot schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

5.1.    Volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), waarvan het in de paragrafen 32 tot en met 41 van het arrest van 27 mei 2008, N. tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2008:0527JUD002656505, een overzicht geeft, kan uitzetting in verband met de medische toestand van een vreemdeling, onder uitzonderlijke omstandigheden leiden tot een schending van artikel 3 van het EVRM.

    Uit die rechtspraak kan worden afgeleid dat deze uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen, indien een vreemdeling lijdt aan een ernstige ziekte die een dusdanig stadium heeft bereikt, of door uitzetting direct of nagenoeg direct zal bereiken, dat hij door de uitzetting, bij gebrek aan het bestaan van medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, komt te verkeren in een onmenselijke situatie van ondraaglijk lijden, die meteen of vrijwel meteen tot de dood leidt (zie de paragrafen 42 tot en met 45 van voormeld arrest).

    Daaruit kan evenwel niet worden afgeleid dat dergelijke uitzonderlijke omstandigheden ook aan de orde zijn als een vreemdeling lijdt aan een ernstige ziekte die wel in een vergevorderd stadium verkeert, maar niet een direct levensbedreigend stadium heeft bereikt of dat laatste stadium na uitzetting evenmin direct of nagenoeg direct zal bereiken; in die gevallen staat artikel 3 van het EVRM niet aan uitzetting van een vreemdeling met medische problemen in de weg. Dat zich vorenbedoelde uitzonderlijke omstandigheden niet voordoen, betekent overigens niet dat een vreemdeling ook feitelijk moet worden uitgezet. Of de medische toestand van een vreemdeling niettemin aan uitzetting in de weg staat, moet echter worden beoordeeld in het kader van de toepassing door de staatssecretaris van artikel 64 van de Vw 2000.

5.2.    Nu de staatssecretaris op grond van het BMA-advies en de BMA-nota terecht geen medische noodsituatie heeft aangenomen, heeft hij zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat zich geen uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in de jurisprudentie van het EHRM voordoen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2437). De enkele stelling van de vreemdeling dat er als gevolg van een aardbeving een ernstig tekort is aan psychiatrische hulpverlening in Nepal, zodat hij bij terugkeer geen toegang zal krijgen tot de vereiste medische zorg, doet hieraan niet af.

    De beroepsgrond faalt.

6.    De vreemdeling heeft aangevoerd dat de staatssecretaris hem ten onrechte niet in bezwaar heeft gehoord.

6.1.    Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het besluit van 16 september 2015 en hetgeen de vreemdeling daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, mede bezien in het licht van hetgeen onder 3.3 is overwogen, is aan deze maatstaf voldaan.

    De beroepsgrond faalt.

Conclusie beroep

7.    Het beroep is ongegrond.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 5 september 2016 in zaak nr. 15/19286;

III.    verklaart het in die zaak ingesteld beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.

w.g. Verheij    w.g. De Vink

Voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2017

154.