Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1812

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
201606629/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2016:5944, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2015 heeft het college beslist op een verzoek van [appellante] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet openbaarheid van bestuur
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2017/730
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606629/1/A3.

Datum uitspraak: 5 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 augustus 2016 in zaak nr. 15/3453 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2015 heeft het college beslist op een verzoek van [appellante] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob).

Bij besluit van 22 april 2015 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 3 augustus 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2017, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Rolle, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Op 26 januari 2015 heeft [persoon] namens [appellante] op grond van de Wob verzocht om openbaarmaking van documenten met betrekking tot een op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften opgelegde boete wegens een vermeende verkeersovertreding.

Besluitvorming

2.    Bij het besluit van 4 maart 2015 heeft het college op het verzoek beslist en de bij hem aanwezige documenten openbaar gemaakt met uitzondering van de daarin opgenomen gegevens die inbreuk kunnen maken op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen.

    Op 23 maart 2015 heeft [persoon] namens [appellante] bezwaar gemaakt tegen voormeld besluit. Bij aangetekende brief van 27 maart 2015 heeft het college [persoon] verzocht om een machtiging waaruit blijkt dat hij bevoegd is namens [appellante] een bezwaarschrift in te dienen. Het college heeft daarbij vermeld dat, indien de machtiging niet voor 10 april 2015 is toegestuurd, het advies zal luiden om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Op 29 maart 2015 heeft het college de machtiging ontvangen.

    Bij het besluit van 22 april 2015 heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat de machtiging onvoldoende specifiek is om de grenzen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid te kunnen bepalen. Volgens het college is de machtiging zo ruim geformuleerd dat deze als het ware een blanco cheque is waarmee [persoon] alle proceshandelingen in de breedste zin van het woord kan verrichten, ongeacht of [appellante] daarvan op de hoogte is.

Aangevallen uitspraak

3.    Naar aanleiding van de bij het beroepschrift overgelegde machtiging, heeft de rechtbank [persoon] bij brief van 6 augustus 2015 verzocht een schriftelijke machtiging in te dienen waaruit blijkt dat hij gemachtigd is namens [appellante] beroep in te stellen en die specifiek ziet op het onderhavige geschil. [persoon] heeft op 24 augustus 2015 een machtiging overgelegd.

4.    De rechtbank heeft overwogen dat de door [persoon] op 24 augustus 2015 overgelegde machtiging niet voldoet aan de eisen die de Afdeling aan een machtiging stelt. Zij heeft hiertoe overwogen dat de machtiging niet voldoende specifiek is om de grenzen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid te kunnen bepalen. Weliswaar is de machtiging afgegeven om beroep in te stellen tegen het besluit van het college van 22 april 2015, maar daarnaast is de machtiging zo ruim geformuleerd dat deze als het ware een blanco cheque is, waarmee [persoon] alle proceshandelingen kan verrichten, van het indienen van verzoeken om informatie tot en met het aanspannen van (hoger) beroepsprocedures, ongeacht of [appellante] daarvan op de hoogte is. Anders dan in een zaak over een vergelijkbare machtiging ontbreekt in deze machtiging de bepaling dat "voor elke uit te voeren rechtshandeling vooraf met ondergetekende overleg zal worden gepleegd". De onderhavige machtiging reikt zo ver dat [persoon], zonder uitdrukkelijke voorafgaande schriftelijke goedkeuring van [appellante], de hem verleende bevoegdheden aan niet nader omschreven derden kan doorgeven, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

5.    [appellante] betoogt allereerst dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de in beroep overgelegde machtiging onvoldoende specifiek is. Zij voert hiertoe onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1577 aan, dat geen rechtsregel in de weg staat aan het verlenen van een in algemene bewoordingen geformuleerde machtiging tot het voeren van procedures en het in verband daarmee verrichten van alle noodzakelijke handelingen. Een machtiging dient wel voldoende specifiek te zijn om de grenzen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid te kunnen bepalen. Volgens [appellante] is de op 24 augustus 2015 overgelegde machtiging voldoende specifiek en blijkt daaruit dat de machtiging ziet op onderhavig geschil.

5.1.    Artikel 8:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt:

"De bestuursrechter kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen."

5.2.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling staat geen rechtsregel in de weg aan het verlenen van een in algemene bewoordingen geformuleerde machtiging tot het voeren van procedures en het in verband daarmee verrichten van alle noodzakelijke handelingen. Een machtiging dient wel voldoende specifiek te zijn om de grenzen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid te kunnen bepalen. Zo strekt een machtiging voor, bijvoorbeeld, het indienen van een bezwaarschrift zich niet uit tot het indienen van een beroepschrift.

5.3.    De machtiging van 24 augustus 2015 luidt:

"Op het schriftelijke verzoek van de rechtbank Rotterdam d.d. 6 augustus 2015 machtigt ondergetekende, [appellante], wonende te [woonplaats], hierbij [bedrijf] en al haar medewerkers en door [bedrijf] aangewezen personen, gevestigd en kantoorhoudende te Deventer ([…]), postbus […], om namens haar beroep in te stellen bij de rechtbank Rotterdam tegen het besluit van het College van B&W van de gemeente Rotterdam d.d. 22 april 2015. Daarnaast machtigt volmachtgever [bedrijf] om haar te vertegenwoordigen in het kader van verweer tegen boetes en parkeerbelastingen, zowel buitengerechtelijk als gerechtelijk, en al hetgeen te doen dat door de gemachtigde noodzakelijk wordt geacht. Hieronder dient in ieder geval te worden begrepen het zo nodig aanwenden en intrekken van beschikbare rechtsmiddelen (waaronder het instellen van bezwaar en beroep, het instellen van beroep bij de officier van justitie, de kantonrechter en het gerechtshof) en het opvragen van verdere gegevens, bijvoorbeeld door middel van de Wet openbaarheid van bestuur, middels een kennisnemingsverzoek in de zin van de Wet politiegegevens en/of de Wet bescherming persoonsgegevens en op grond van de WAHV, zo ook bij de weigering daarvan voeren van gerechtelijke procedures om deze gegevens alsnog te verkrijgen, alsook het aannemen van bedragen zoals vergoedingen van de overheid voor proceskosten, griffierechten e.d., een en ander in de ruimste zin van het woord.

[bedrijf] is tevens gemachtigd om zo nodig derden in te schakelen en hen volmacht te verlenen om de in deze machtiging genoemde bevoegdheden op gelijke wijze uit te oefenen."

5.4.    De rechtbank heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een schriftelijke machtiging. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit de in beroep overgelegde machtiging volgt dat [persoon] bevoegd is om namens [appellante] beroep in te stellen bij de rechtbank tegen het besluit van het college van 22 april 2015. Tevens volgt daaruit dat [persoon] bevoegd is om [appellante] te vertegenwoordigen in het kader van verweer tegen boetes en parkeerbelastingen, zowel buitengerechtelijk als gerechtelijk, en al hetgeen te doen dat door de gemachtigde noodzakelijk wordt geacht, waaronder het aanwenden van rechtsmiddelen en het opvragen van gegevens, bijvoorbeeld op grond van de Wob en het bij weigering voeren van gerechtelijke procedures om deze gegevens alsnog te verkrijgen. Hoewel zeer algemeen geformuleerd, zijn de grenzen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid aldus voldoende bepaalbaar. Hierbij is van belang dat de machtiging op verzoek van de rechtbank is gespecificeerd naar het onderhavige geschil en uitdrukkelijk betrekking heeft op het instellen van beroep tegen het besluit van 22 april 2015. Hoewel uit de machtiging volgt dat derden kunnen worden ingeschakeld en aan hen volmacht kan worden verleend om bevoegdheden uit te oefenen, leidt dat niet tot het oordeel dat reeds daarom de grenzen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid onvoldoende bepaalbaar zijn. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat voor het doorgeven van de bij de machtiging verleende bevoegdheden een aparte volmacht is vereist en de derde slechts bevoegdheden op gelijke wijze als omschreven in de machtiging kan uitoefenen. Nu [appellante] een nieuwe machtiging heeft ondertekend die ziet op het instellen van beroep tegen het besluit van 22 april 2015, heeft de rechtbank voorts ten onrechte overwogen dat de machtiging onvoldoende specifiek is omdat daarin niet is opgenomen dat voor elke uit te voeren rechtshandeling vooraf met ondergetekende overleg zal worden gepleegd. Daarbij is verder van belang dat in het hogerberoepschrift staat dat de gemachtigde voorafgaand aan de diverse rechtshandelingen per e-mail contact heeft gehad met [appellante] om de werkwijze af te stemmen.

    Het betoog slaagt.

6.    Het hoger beroep is gegrond. De overige gronden behoeven thans geen bespreking meer. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling de gronden van het beroep behandelen.

Beroep

7.    [appellante] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de in bezwaar overgelegde machtiging onvoldoende specifiek is. Zij voert hiertoe aan dat de machtiging, blijkens de bewoordingen, mede strekt tot het voeren van procedures om de opgevraagde gegevens bij weigering alsnog te verkrijgen. [appellante] verwijst hiertoe onder meer naar de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1029. In de machtiging is bovendien omschreven dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid betrekking heeft op CJIB nummer: 3062 5421 8671 4974.

7.1.    Gelet op hetgeen onder 5.4 is overwogen en het feit dat de machtiging die in bezwaar is overgelegd in overwegende mate overeenkomt met de machtiging die in beroep is overgelegd, heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de overgelegde machtiging onvoldoende specifiek is om de grenzen van de vertegenwoordigingsbevoegdheid te kunnen bepalen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de machtiging is gespecificeerd in die zin dat in de machtiging is aangegeven dat deze betrekking heeft op het specifieke CJIB nummer waarover bij het verzoek van 26 januari 2015 informatie is gevraagd. Het college heeft het bezwaar van [appellante] derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

    Het betoog slaagt.

8.    Het beroep is gegrond. Het besluit van 22 april 2015 komt wegens strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor vernietiging in aanmerking. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door het college te nemen nieuwe besluit op het bezwaar van [appellante] slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

9.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 augustus 2016 in zaak nr. 15/3453;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 22 april 2015, kenmerk: A.B.2015.4.03874/BB;

V.    bepaalt dat tegen het door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.485,00 (zegge: veertienhonderdvijfentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Veenboer, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Veenboer

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2017

730.