Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1805

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
201606426/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juli 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Grensmaas 2016" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3458
Omgevingsvergunning in de praktijk 2017/7654
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606426/1/R1.

Datum uitspraak: 5 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Roosteren, gemeente Echt-Susteren,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Echt-Susteren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 juli 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Grensmaas 2016" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juni 2017, waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door [appellant A], bijgestaan door mr. Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, en de raad, vertegenwoordigd door drs. J. Münten, zijn verschenen.

Overwegingen

Het plan

1.    Het plan voorziet in een actuele, planologisch-juridische regeling voor het gebied van het Maasdal in de gemeente Echt-Susteren. Het plan is met name gericht op het beheer van de bestaande situatie en heeft derhalve een consoliderend karakter.

Inleiding

2.    [appellant A] en [appellant B] wonen aan de [locatie 1] te Roosteren. Dit perceel - en overigens ook de rest van het plangebied - is gelegen in het rivierbed van de Maas. [appellant A] en [appellant B] kunnen zich niet met het plan verenigen, omdat daarin recht voor hun woning wordt voorzien in de realisering van een damwand van maximaal 3 m hoog. Hierdoor wordt hun woon- en leefklimaat ernstig aangetast. Voorts kan de realisering van de damwand er volgens [appellant A] en [appellant B] toe leiden dat zij hun eigen perceel niet meer kunnen bereiken. [appellant A] en [appellant B] stellen verder dat het plan voorziet in twee woningen op de percelen [locatie 1] en 34, terwijl in het verleden drie woningen op deze percelen aanwezig waren. Het voorgaande wijst er volgens hen op dat de raad hun belangen onvoldoende bij de vaststelling van het plan heeft betrokken. Volgens [appellant A] en [appellant B] is voorts onduidelijk hoe het plan zich verhoudt tot het Rijks- en provinciaal beleid en in hoeverre is aangesloten bij het voorheen geldende plan.

    Ten behoeve van onder meer de realisering van de damwand in de directe nabijheid van de [locatie 1] is door het waterschap Roer en Overmaas op 24 mei 2016 het projectplan "Sluitstukkaden Maasdal Cluster B (Grevenbicht en Roosteren)" vastgesteld, welk besluit op 7 juni 2016 door het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: het college van GS) is goedgekeurd. Bij besluit van 13 juni 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders ter uitvoering van het projectplan een omgevingsvergunning verleend voor onder meer het aanbrengen van de damwand. [appellant A] en [appellant B] hebben beroep ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit en tegen het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning. Bij uitspraak van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:241, heeft de Afdeling dit beroep ongegrond verklaard.    

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep

Dubbelbestemmingen en Rijks- en provinciaal beleid

4.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de raad in zijn reactie op hun zienswijze heeft gesteld dat de toekenning van de dubbelbestemmingen "Waterstaat - Waterbergend rivierbed", "Waterstaat - Waterkering" en "Waterstaat - Beschermingszone waterkering" aan delen van hun perceel, een vertaling is van Rijks- en provinciaal beleid ter bescherming van de waterstaatkundige belangen. Volgens [appellant A] en [appellant B] heeft de raad daarbij echter niet vermeld welk beleid precies wordt bedoeld, zodat zij niet kunnen nagaan of de toekenning van de dubbelbestemmingen een goede vertaling is van het beleid dat de raad hierbij op het oog had. Volgens [appellant A] en [appellant B] heeft de raad zich voorts bij de beantwoording van hun zienswijze op het standpunt gesteld dat Rijkswaterstaat in haar reactie op het ontwerpplan heeft aangegeven dat de waterstaatkundige belangen hierin goed zijn vertaald. Omdat de reactie van Rijkswaterstaat echter door de raad niet is overgelegd, is ook dit volgens [appellant A] en [appellant B] niet controleerbaar. [appellant A] en [appellant B] stellen dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

    [appellant A] en [appellant B] betogen voorts dat - voor zover de raad ten aanzien van de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergend rivierbed" heeft bedoeld te verwijzen naar de Beleidsregels grote rivieren - de kaart die in de plantoelichting is opgenomen onvoldoende duidelijk is om te beoordelen waar het waterbergend gebied volgens deze beleidsregels moet zijn gelegen. Derhalve is volgens hen niet na te gaan of de situering van het waterbergend gebied in de Beleidsregels grote rivieren klopt met de situering van de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergend rivierbed" in het plan. In zoverre is het plan volgens [appellant A] en [appellant B] vastgesteld in strijd met het beginsel van rechtszekerheid.

4.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat in de plantoelichting uitvoerig wordt ingegaan op het van toepassing zijnde beleidskader. Daarmee acht hij voldoende gemotiveerd waarom de door [appellant A] en [appellant B] genoemde dubbelbestemmingen aan delen van hun perceel zijn toegekend. Voorts heeft de raad de reactie van Rijkswaterstaat op het ontwerpplan bij het verweerschrift alsnog overgelegd.

4.2.    In de plantoelichting staat dat het plan is vastgesteld ter actualisering van het voorheen geldende plan "Grensmaas". Dit bestemmingsplan is in 2006 opgesteld door en voor de vijf gemeenten waarbinnen het Grensmaasgebied is gelegen. De plantoelichting vermeldt dat de dubbelbestemmingen uit dat bestemmingsplan zijn overgenomen in dit plan, waarbij aanpassing aan eventuele nieuwe wet- en regelgeving heeft plaatsgevonden. In hoofdstuk 2 van de plantoelichting besteedt de raad aandacht aan deze wettelijke regelingen en tevens aan het Rijks- en provinciaal beleid waarmee rekening is gehouden. Daarbij is toegelicht op welke wijze het Rijks- en provinciaal beleid een rol heeft gespeeld bij de vaststelling van het plan en bij de toekenning van de dubbelbestemmingen aan - onder meer - delen van het perceel van [appellant A] en [appellant B]. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling dan ook geen reden voor het oordeel dat het plan in zoverre onvoldoende is gemotiveerd dan wel onzorgvuldig is vastgesteld. Daarbij betrekt de Afdeling dat in de reactie van Rijkswaterstaat is vermeld dat de belangen van Rijkswaterstaat in de planregels en op de verbeelding bij het plan goed zijn vertaald. Het betoog faalt in zoverre.

4.3.    De Afdeling stelt voorts vast dat het plangebied is gelegen in het rivierbed van de Maas als bedoeld in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro). De Beleidsregels grote rivieren hebben betrekking op dit gebied, zoals in de plantoelichting is uiteengezet. Uit de plantoelichting blijkt verder dat de raad bij de toekenning van de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergend rivierbed" is aangesloten bij het gebied dat op de detailkaart bij de Beleidsregels grote rivieren is aangeduid als "bergend regime".

    De Afdeling stelt verder vast dat de relevante detailkaart bij de Beleidsregels grote rivieren in de plantoelichting is opgenomen. Op de afgedrukte kaart is - vanwege het formaat daarvan - niet goed te zien of het perceel van [appellant A] en [appellant B] is gelegen binnen het bergend regime. Wanneer de digitaal raadpleegbare kaart bij de Beleidsregels grote rivieren echter wordt vergroot, blijkt dat het gedeelte van het perceel van [appellant A] en [appellant B] waaraan de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergend rivierbed" is toegekend, op de detailkaart binnen het bergend regime is gelegen. In het aangevoerde ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De Afdeling betrekt daarbij dat de detailkaarten bij de Beleidsregels grote rivieren via de website van de Helpdesk Water van Rijkswaterstaat eenvoudig digitaal zijn te raadplegen. Ook in zoverre faalt het betoog.

Dubbelbestemmingen en voorheen geldende plan

5.    [appellant A] en [appellant B] betogen voorts dat de raad bij de beantwoording van hun zienswijze heeft gesteld dat de situering van de in het plan opgenomen dubbelbestemmingen "Waterstaat - Waterbergend rivierbed", "Waterstaat - Waterkering" en "Waterstaat - Beschermingszone waterkering" overeenkomt met die van de vergelijkbare dubbelbestemmingen in het voorheen geldende bestemmingsplan "Grensmaas". Volgens [appellant A] en [appellant B] is deze stelling van de raad onjuist en heeft de raad het plan in zoverre ondeugdelijk gemotiveerd.

    Ten aanzien van de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergend rivierbed" voeren zij hiertoe aan dat in het bestemmingsplan "Grensmaas" onderscheid werd gemaakt tussen waterbergend rivierbed "binnen en buiten de contour". De raad is aan dit onderscheid in dit plan ten onrechte voorbijgegaan.

    Met betrekking tot de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" voeren [appellant A] en [appellant B] aan dat de verbeelding bij het voorheen geldende bestemmingsplan onvoldoende duidelijk is om te kunnen vaststellen of de daarin toegekende dubbelbestemming "Grondbeslag waterkering" exact overeenkomt met de genoemde dubbelbestemming in dit plan.

    Wat betreft de dubbelbestemming "Waterstaat - Beschermingszone waterkering" voeren [appellant A] en [appellant B] aan dat uit de verbeelding bij het voorheen geldende bestemmingplan niet kan worden afgeleid dat ter plaatse van hun perceel in de dubbelbestemming "Beschermingszone waterkering" werd voorzien. De raad heeft zich daarom ten onrechte op het standpunt gesteld dat de dubbelbestemming "Waterstaat - Beschermingszone waterkering" overeenkomt met de dubbelbestemming "Beschermingszone waterkering" in het voorheen geldende plan.

5.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat voor de begrenzing van de dubbelbestemmingen "Waterstaat - Waterbergend rivierbed", "Waterstaat - Waterkering" en "Waterstaat - Beschermingszone waterkering" in beginsel is aangesloten bij de begrenzingen van die dubbelbestemming in het voorheen geldende bestemmingsplan "Grensmaas". Wat betreft de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergend rivierbed" voegt de raad daaraan toe dat het onderscheid tussen waterbergend rivierbed "binnen en buiten de contour" - dat werd gehanteerd in het voorheen geldende plan - in dit plan is komen te vervallen. De reden daarvoor is dat het was gebaseerd op een wettelijke regeling in de (oude) Wet op de Ruimtelijke Ordening die thans niet meer bestaat.

5.2.    Ter zitting is aan de hand van de verbeeldingen bij dit plan en bij het voorheen geldende plan, nauwkeurig bezien in hoeverre de situering van de dubbelbestemmingen "Waterstaat - Waterbergend rivierbed", "Waterstaat - Waterkering" en "Waterstaat - Beschermingszone waterkering" overeenkomt met de vergelijkbare dubbelbestemmingen "Waterbergend rivierbed buiten de contour", "Grondbeslag waterkering" en "Beschermingszone waterkering" in het voorheen geldende plan. De Afdeling stelt vast dat de situering van de dubbelbestemmingen in de beide plannen nagenoeg overeenstemt. Daarbij is in aanmerking genomen dat het onderscheid tussen waterbergend rivierbed "binnen en buiten" de contour thans niet meer wordt gemaakt. In het aangevoerde ziet de Afdeling derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich in zijn reactie op de zienswijze van [appellant A] en [appellant B] ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat voor de situering van de genoemde dubbelbestemmingen in dit plan, aansluiting is gezocht bij de genoemde dubbelbestemmingen in het voorheen geldende plan. Voor het oordeel dat het plan is zoverre onvoldoende is gemotiveerd ziet de Afdeling evenmin aanleiding. Het betoog faalt.

Evenredigheid van de belangenafweging

Woon- en leefklimaat

6.    [appellant A] en [appellant B] betogen voorts dat de raad bij het toekennen van de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" aan een deel van hun perceel, onvoldoende gewicht heeft toegekend aan hun belangen. Zij voeren hiertoe aan dat deze dubbelbestemming mogelijk maakt dat wordt voorzien in een damwand van maximaal 3 m hoog, hetgeen onaanvaardbare gevolgen heeft voor hun woon- en leefklimaat. [appellant A] en [appellant B] wijzen erop dat zij als gevolg van de damwand verlies van uitzicht en vermindering van lichtinval zullen ervaren. Voorts zal realisering van de damwand het onmogelijk maken om met een voertuig de garage op het perceel in te rijden, of zelfs om het perceel te bereiken.

6.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan blijk geeft van een goede ruimtelijke ordening. Het woon- en leefklimaat van [appellant A] en [appellant B] wordt door de realisering van de damwand weliswaar aangetast, maar de raad acht deze aantasting - gelet op de belangen die met de realisering van de damwand zijn gemoeid - niet onaanvaardbaar. Voorts wijst de raad erop dat het woon- en leefklimaat van [appellant A] en [appellant B] in de procedure over het projectplan en de omgevingsvergunning reeds aan de orde is geweest en dat de Afdeling de belangenafweging die in dat verband door het college van GS is goedgekeurd, niet onredelijk heeft geacht.

6.2.    De Afdeling overweegt dat zij in haar uitspraak van 1 februari 2017 - die hiervoor, onder 2, reeds is genoemd - heeft beoordeeld in hoeverre de realisering van een damwand in de directe nabijheid van het perceel van [appellant A] en [appellant B] leidt tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat.

    In die uitspraak heeft de Afdeling over de vermindering van uitzicht en lichtinval geoordeeld dat zij deze nadelige gevolgen voor [appellant A] en [appellant B] niet zodanig groot acht, dat daaraan een groter belang moest worden toegekend dan aan de realisering van de damwand. Bij dat oordeel heeft de Afdeling betrokken dat een recht op blijvend vrij uitzicht niet bestaat en dat plaatsing van de damwand alleen een verslechtering van het uitzicht op de benedenverdieping met zich brengt. Ook heeft de Afdeling in haar oordeel rekening gehouden met het destijds uitgebrachte deskundigenbericht van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: StAB), waaruit naar voren kwam dat van de realisering van de damwand slechts een zeer beperkt effect op de zonlichttoetreding valt te verwachten. De Afdeling ziet geen aanleiding om in het kader van de beoordeling van de belangenafweging die de raad in verband met de vaststelling van het plan heeft gemaakt, niet bij het oordeel in haar eerdere uitspraak aan te sluiten.

6.3.    Voorts heeft de Afdeling in haar uitspraak van 1 februari 2017 geoordeeld dat het belang van [appellant A] en [appellant B] bij een goede bereikbaarheid van hun perceel, voldoende was betrokken in de besluitvorming omtrent de realisering van een damwand in de directe nabijheid van dat perceel. Bij dat oordeel heeft de Afdeling het deskundigenbericht van de StAB betrokken. Hieruit kwam naar voren dat de woning als gevolg van de realisering van de damwand bereikbaar zal blijven, maar dat door het verleggen van de waterkering onvoldoende ruimte overblijft voor het op- en afrijden van de parkeerplaatsen. Verder volgde uit het deskundigenbericht dat het achtererf, als gevolg van het vervallen van de onverharde toegangsweg naar de tuin, niet langer goed bereikbaar zal zijn.     [appellant A] en [appellant B] waren destijds - en zijn ook thans nog - in overleg met het waterschap om tot een oplossing te komen. Ter zitting hebben zij toegelicht dat momenteel wordt onderhandeld over verplaatsing van de schuur aan de oostzijde van de woning naar de achterzijde van het perceel, zodat op de plek waar nu de schuur staat een ontsluitingsweg met parkeerplaatsen kan worden gerealiseerd. Desgevraagd heeft de raad ter zitting gesteld dat het plan hieraan niet in de weg staat.

    Ook ten aanzien van de bereikbaarheid van het perceel ziet de Afdeling geen aanleiding om in het kader van de beoordeling van de belangenafweging van de raad met het oog op de vaststelling van het plan, niet bij het oordeel in haar eerdere uitspraak aan te sluiten. Hierbij betrekt de Afdeling dat het plan niet in de weg staat aan de verplaatsing van de schuur en de realisering van een ontsluitingsweg en parkeerplaatsen op de locatie waar thans de schuur aanwezig is.

6.4.    Gelet op het voorgaande en gelet op het belang dat met de uitvoering van het plan is gediend, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant A] en [appellant B] tot gevolg heeft. Het betoog faalt.

Aantal wooneenheden

7.    [appellant A] en [appellant B] betogen verder dat de raad aan hun perceel, tezamen met het naastgelegen perceel [locatie 2], waar één woning aanwezig is, ten onrechte de aanduiding "maximum aantal wooneenheden: 2" heeft toegekend. Zij voeren hiertoe aan dat in het verleden op hun perceel twee woningen aanwezig waren. Hiervan is er één door de vorige eigenaar gesloopt. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de raad zich er bij de vaststelling van het plan onvoldoende rekenschap van heeft gegeven dat op hun perceel in het verleden een tweede woning aanwezig was. Zij voeren hiertoe aan dat de mogelijkheid om op het perceel in een extra woning te voorzien, een oplossing zou zijn voor de knelpunten die als gevolg van het plan optreden met betrekking tot de bereikbaarheid van het perceel.

7.1.    Niet meer in geschil is dat zowel in het voorheen geldende plan als in dit plan op het perceel [locatie 1] in maximaal één woning is voorzien. De raad heeft desgevraagd gesteld niet bereid te zijn om op het perceel van [appellant A] en [appellant B] een extra woningbouwmogelijkheid te creëren, nu hij dat vanwege de waterstaatkundige belangen niet wenselijk acht. Voorts staat het gemeentelijk woningbeleid volgens de raad niet toe dat buiten het vastgestelde woningbouwprogramma in nieuwe woningen wordt voorzien, zodat ook om die reden het toevoegen van een woningbouwmogelijkheid aan het perceel niet mogelijk is. Gelet op dit standpunt van de raad en de omstandigheid dat in het voorheen geldende plan op het perceel van [appellant A] en [appellant B] evenmin in twee woningen was voorzien, en nu tevens is gebleken dat het plan het mogelijk maakt om de bereikbaarheid van het perceel ook op andere wijzen dan door de toevoeging van een woningbouwmogelijkheid te vergroten, is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid heeft kunnen besluiten om in het plan niet in de realisering van een tweede woning op het perceel [locatie 1] te voorzien. Het betoog faalt.

Conclusie

8.    Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Groen, griffier.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Groen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2017

831.