Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1804

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
201609051/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:5736, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 december 2015 heeft de staatssecretaris de verzoeken van Stichting Nidos, wettelijk vertegenwoordiger van [appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen: de pleegkinderen), om aan hen het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201609051/1/V6.

Datum uitspraak: 5 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B] en [appellant C] (hierna tezamen: appellanten), wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 oktober 2016 in zaak nr. 16/2397 in het geding tussen:

appellanten

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2015 heeft de staatssecretaris de verzoeken van Stichting Nidos, wettelijk vertegenwoordiger van [appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen: de pleegkinderen), om aan hen het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 1 april 2016 heeft de minister van Veiligheid en Justitie het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 oktober 2016 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 juni 2017, waar [appellant C], bijgestaan door mr. P. Kramer-Ograjensek, advocaat te Sittard, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door drs. J.M. Sidler, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2.    Onder de staatssecretaris wordt tevens zijn rechtsvoorganger verstaan.

3.    Stichting Nidos, een voogdijinstelling, heeft op 23 april 2015 ten behoeve van de pleegkinderen verzoeken om verlening van het Nederlanderschap ingediend in het kader van het pleegkinderenbeleid zoals neergelegd in de toelichting bij artikel 10 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) in de Handleiding voor de toepassing van de RWN 2003 (hierna: de Handleiding). [appellant C] is de pleegvader van de pleegkinderen. Bij het besluit van 1 april 2016 heeft de staatssecretaris de afwijzing van de verzoeken gehandhaafd, omdat de pleegkinderen niet ten minste drie jaren vóór het indienen van de verzoeken krachtens een Nederlandse rechterlijke beslissing onder het gezag van een voogdijinstelling zijn komen te staan en niet na het instellen van dat gezag ten minste drie jaren ononderbroken door de pleegouder(s) in Nederland zijn verzorgd en opgevoed. De pleegkinderen staan sinds 3 september 2013 krachtens beschikkingen van de rechtbank Noord-Nederland onder de voogdij van Stichting Nidos. Reeds hierom wordt volgens de staatssecretaris niet voldaan aan de vereisten in het pleegkinderenbeleid.

4.    Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een zodanig bijzonder geval dat toepassing van artikel 10 van de RWN aangewezen is. Hiertoe voeren zij aan dat de pleegkinderen al sinds juli of augustus 2008 feitelijk deel uitmaken van het gezin van de pleegouders, zodat sprake is van een bestendige relatie. De staatssecretaris heeft deze bestendige relatie reeds aangenomen in het kader van de verblijfsprocedures, door de pleegkinderen met het oog op gezinshereniging een verblijfsvergunning te verlenen. Door het besluit waarbij aan hen het Nederlanderschap is geweigerd, komen de pleegkinderen in een uitzonderingspositie binnen het gezin, hetgeen het pleegkinderenbeleid juist beoogt te voorkomen.

4.1.    Volgens de Handleiding kunnen er in uitzonderlijke gevallen belangen zijn die prevaleren boven het handhaven van de wettelijke voorwaarden voor naturalisatie. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 juli 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AH9033), heeft de staatssecretaris bij de toepassing van artikel 10 van de RWN beoordelingsvrijheid waarvan de invulling primair tot zijn verantwoordelijkheid behoort. De staatssecretaris pleegt van artikel 10 van de RWN terughoudend gebruik te maken, namelijk slechts wanneer zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen. Een beroep op artikel 10 van de RWN zal volgens de Handleiding niet worden gehonoreerd als de verzoeker binnen afzienbare tijd voldoet aan de reguliere wettelijke voorwaarden.

4.2.    Gelet op de toelichting bij artikel 10 van de RWN in de Handleiding moet in het kader van het pleegkinderenbeleid sprake zijn van een bestendige relatie tussen pleegkind en pleegouder(s). Naar analogie van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c en d, van de RWN is hiervoor noodzakelijk dat de pleegkinderen ten minste drie jaren vóór het indienen van het verzoek om naturalisatie krachtens een Nederlandse rechterlijke beslissing onder het gezag van (één van) de pleegouder(s) of een voogdijinstelling zijn komen te staan en na het instellen van dat gezag ononderbroken door de pleegouder(s) zijn verzorgd en opgevoed.

    Nu het verzoek om het Nederlanderschap dateert van 23 april 2015 en de pleegkinderen sinds 3 september 2013 onder het gezag van Stichting Nidos staan, zijn de pleegkinderen niet ten minste drie jaren vóór het indienen van het verzoek krachtens een Nederlandse rechterlijke beslissing onder het gezag van een voogdijinstelling komen te staan. Reeds hierom voldoen appellanten niet aan het pleegkinderenbeleid als bedoeld in de toelichting bij artikel 10 van de RWN in de Handleiding. De omstandigheid dat de kinderen al sinds 2008 feitelijk deel uitmaken van het gezin van de pleegouders, leidt niet tot het oordeel dat toepassing van artikel 10 van de RWN toch aangewezen is. Zoals hiervoor onder 4.1 is overwogen, is artikel 10 van de RWN bedoeld om bij uitzondering van de wettelijke voorwaarden voor naturalisatie af te wijken en moet van dit artikel terughoudend gebruik worden gemaakt. Voor de in het beleid gestelde voorwaarde dat de pleegkinderen sinds ten minste drie jaren vóór het indienen van het verzoek krachtens een Nederlandse rechterlijke beslissing onder het gezag van een voogdijinstelling moeten staan, is aangesloten bij de wettelijke bepaling over de verkrijging van het Nederlanderschap door optie in het geval van pleegkinderen die onder het gezag staan van een niet-Nederlandse vader of moeder en een ander die Nederlander is, zoals neergelegd in artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Van die wettelijke bepaling kan niet met toepassing van artikel 10 van de RWN worden afgeweken. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant B] het Nederlanderschap alsnog kan verkrijgen indien de pleegmoeder dit in 2018 verkrijgt en [appellant A], na het bereiken van de 18-jarige leeftijd op 1 juli 2017, zelf om verlening van het Nederlanderschap kan verzoeken, zodat de kinderen niet in een uitzonderingspositie behoeven te verkeren. Derhalve heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een zodanig bijzonder geval dat toepassing van artikel 10 van de RWN aangewezen is. Dat het doen van een nieuw verzoek kosten met zich brengt, is onvoldoende voor toepassing van artikel 10 van de RWN. Dat geldt, zoals vermeld in de toelichting bij dit artikel in de Handleiding, ook voor zover de pleegkinderen, zoals ter zitting bij de Afdeling is betoogd, praktische problemen ondervinden bij het niet hebben van een Nederlands paspoort.

    Het betoog faalt.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Elburg, griffier.

w.g. Parkins-de Vin    w.g. Elburg

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2017

800. BIJLAGE

Rijkswet op het Nederlanderschap

Artikel 6

1. Na het afleggen van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring verkrijgt door een bevestiging als bedoeld in het derde lid het Nederlanderschap:

(…)

c. de minderjarige vreemdeling die door een Nederlander is erkend en die niet op grond van de artikelen 3 of 4 Nederlander is of is geworden, indien hij onmiddellijk voorafgaand aan de verklaring gedurende een onafgebroken periode van ten minste drie jaren verzorging en opvoeding heeft genoten van de Nederlander door wie hij is erkend;

d. de minderjarige vreemdeling die krachtens Nederlandse rechterlijke beslissing of bij zijn geboorte van rechtswege onder het gezamenlijk gezag is komen te staan van een niet-Nederlandse vader of moeder en een ander die Nederlander is, indien hij na het instellen van dat gezag gedurende een onafgebroken periode van tenminste drie jaren verzorging en opvoeding heeft genoten van deze Nederlander, en hij zijn hoofdverblijf niet heeft in het land waarvan hij onderdaan is. Op de minderjarige die ten tijde van het afleggen van de verklaring de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, is het vierde lid van dit artikel niet van toepassing;

(…)

Artikel 10

Wij kunnen, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, in bijzondere gevallen het Nederlanderschap verlenen met afwijking van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, c en d, artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, en de termijn genoemd in artikel 11, derde, vierde en vijfde lid.

Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap

Toelichting bij artikel 10

Paragraaf 1. Algemeen

Dit artikel biedt de mogelijkheid van naturalisatie wanneer aan bepaalde in de Rijkswet zelf gestelde voorwaarden niet is voldaan. Uitgangspunt is dat er sprake is van een zeer ‘bijzonder geval’. In uitzonderlijke gevallen kunnen er belangen zijn die prevaleren boven het handhaven van de wettelijke voorwaarden voor naturalisatie. Het moet dan mogelijk zijn om van die voorwaarden af te wijken. Het moet gaan om gevallen waarin redenen van staatsbelang of andere gewichtige belangen van (één van de landen van) het Koninkrijk zich voordoen, zoals op het gebied van de internationale economische en culturele betrekkingen. In concreto kan worden gedacht aan vreemdelingen die in aanmerking komen voor een functie waarvoor het Nederlanderschap is vereist of gewenst en eventueel hun echtgenoten/partners. Ook in gevallen van ernstig ambtelijk verzuim of om humanitaire redenen kan worden afgeweken van de geldende voorwaarden voor naturalisatie.

(…)

Het is niet de bedoeling dat op grote schaal van onderhavig artikel gebruik wordt gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in haar uitspraken (zie uitspraak van 27 augustus 2014 in zaak nr. 201400641/1/V6 en uitspraak van 2 juli 2003 in zaak nr. 200204721/1) overwogen dat de minister bij de toepassing van artikel 10 van de RWN beoordelingsvrijheid heeft waarvan de invulling primair tot zijn verantwoordelijkheid behoort. De minister pleegt van dit wetsartikel terughoudend gebruik te maken. De uitzonderingen zijn alleen toegestaan indien zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen. Een verzoek om toepassing van artikel 10 RWN zal dus moeten worden gemotiveerd. Tevens moet exact worden aangegeven van welke vereisten in artikel 8, 9 of 11 RWN afwijking wordt verzocht.

Er zijn geen eenduidige criteria op grond waarvan met grote stelligheid kan worden voorspeld of een beroep op artikel 10 RWN zal worden gehonoreerd. (...) Een beroep op artikel 10 RWN zal niet worden gehonoreerd als de verzoeker binnen afzienbare tijd voldoet aan de reguliere wettelijke voorwaarden.

(…)

Paragraaf 2. Voorbeelden van bijzondere gevallen

Ten behoeve van de beeldvorming, met betrekking tot de vraag wanneer er sprake kan zijn van bijzondere omstandigheden op grond waarvan onderhavig artikel kan worden toegepast, volgt onderstaand een aantal praktijkvoorbeelden. Bij een aantal voorbeelden is aangegeven op welke wijze met vergelijkbare gevallen kan worden omgegaan.

(…)

Paragraaf 2.2. Humanitaire redenen

- het pleegkind dat niet deelt in de verkrijging van het Nederlanderschap door of niet deelt in de verlening van het Nederlanderschap aan de pleegouder(s) waardoor het kind ten opzichte van de eigen kinderen van de pleegouder(s), die wel meedelen, in een uitzonderingspositie komt te verkeren. De uitzonderingspositie ontstaat dus als gevolg van het feit dat de pleegouder(s) en diens eigen kinderen de Nederlandse nationaliteit verkrijgen door optie of naturalisatie en het pleegkind als enige ‘buiten de boot’ valt.

Met pleegkind wordt hier bedoeld een buitenlands pleegkind dat in een pleeggezin (dus niet in een verzorgingsinrichting) wordt verzorgd en opgevoed in zodanige omstandigheden dat de pleegouder of pleegouders feitelijk de plaats van de ouders innemen. In dit verband kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een kind dat in het gezin van een familielid, zoals een grootouder, een oom of tante, een oudere broer of zus, een neef of nicht wordt verzorgd en opgevoed. Het kind kan ook met het oog op adoptie in dat gezin verblijven. Er moet sprake zijn van een bestendige relatie tussen pleegkind en pleegouder(s). Naar analogie van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c en d, RWN is in dit kader dan ook noodzakelijk dat het pleegkind ten minste drie jaren vóór het indienen van het verzoek om naturalisatie krachtens een Nederlandse rechterlijke beslissing onder het gezag van (één van) de pleegouder(s) is komen te staan en dat het pleegkind na het instellen van het gezag ononderbroken door de pleegouder(s) is verzorgd en opgevoed. Pleegkinderen, die een bestendige relatie hebben met hun pleegouder(s) maar onder het gezag staan van een voogdij-instelling, zoals bijv. Stichting NIDOS, worden in dit verband gelijkgesteld aan kinderen die onder het gezag staan van (één van) de pleegouder(s). De voogdij (het gezag) moet dan wel berusten bij de rechtspersoon, die de minderjarige heeft geplaatst in het gezin dat (of bij de alleenstaande die) voornemens is een verzoek om naturalisatie in te dienen. De voogdij-instelling kan t.b.v. het pleegkind een separaat artikel 10 verzoek indienen, dat wel in samenhang met dat van de pleegouder(s) (niet-voogden) zal worden beoordeeld.

Aan het pleegkind zal het Nederlanderschap slechts worden verleend als ook wordt voldaan aan de voorwaarden voor medeverkrijging dan wel medeverlening die zouden gelden in de situatie dat het pleegkind een eigen kind van de pleegouder zou zijn (artikel 6, achtste lid, RWN en artikel 11, tweede en derde lid, RWN). Die voorwaarden gelden immers ook voor de eigen kinderen van de pleegouder. Onder de voorwaarden die de Rijkswet in de artikelen 6 en 11 stelt, valt tevens de voorwaarde dat sprake is van het gelijktijdig en gezamenlijk indienen van het naturalisatieverzoek van de pleegouder(s) en het naturalisatieverzoek van het pleegkind.

Let op! Het enkele feit dat het pleegkind praktische problemen ondervindt bij het niet hebben van een Nederlands paspoort, is onvoldoende voor toepassing van artikel 10 RWN;

(…)