Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1800

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
201509481/2/R1 en 201600859/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2603, heeft de Afdeling het college van gedeputeerde staten opgedragen om binnen 12 weken na de verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen in vervolg op het besluit van 20 november 2015 waarbij het college hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) heeft vastgesteld ten behoeve van de reconstructie van de Gooilandseweg (N236), een nieuwe beslissing te nemen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Wet geluidhinder
Wet geluidhinder 110a
Wet geluidhinder 110f
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2017/6648
AR 2017/3938
AR 2017/5806
JM 2017/114 met annotatie van M. Bekooy
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201509481/2/R1 en 201600859/2/R1.

Datum uitspraak: 5 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Weesp,

appellant,

en

1.    het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland;

2.    de raad van de gemeente Weesp,

verweerders.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2603, heeft de Afdeling het college van gedeputeerde staten opgedragen om binnen 12 weken na de verzending van de tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen in vervolg op het besluit van 20 november 2015 waarbij het college hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) heeft vastgesteld ten behoeve van de reconstructie van de Gooilandseweg (N236), een nieuwe beslissing te nemen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Het college van gedeputeerde staten heeft op 22 december 2016 laten weten het besluit van 20 november 2015 met een aangepaste motivering in stand te laten.

Het college van burgemeester en wethouders van Weesp en [appellant] hebben hierover schriftelijke zienswijzen naar voren gebracht. De Afdeling heeft het college van gedeputeerde staten de gelegenheid geboden schriftelijk te reageren op de zienswijze van [appellant]. Van die gelegenheid heeft het college gebruik gemaakt. Vervolgens heeft de Afdeling [appellant] de gelegenheid geboden schriftelijk te reageren op de reactie van het college. Van die gelegenheid heeft [appellant] gebruik gemaakt.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), heeft de Afdeling bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft zij het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Tijdigheid reactie college van gedeputeerde staten

1.    [appellant] betoogt dat het college buiten de daarvoor gestelde termijn op zijn zienswijze heeft gereageerd. Om die reden dient de Afdeling deze reactie volgens hem buiten beschouwing te laten.

1.1.    De Afdeling heeft het college bij brief van 13 april 2017 de gelegenheid geboden om binnen twee weken op de zienswijze van [appellant] te reageren. Naar het oordeel van de Afdeling mocht het college de brief aldus opvatten dat de termijn is aangevangen op 14 april en liep tot en met 27 april. Op die laatste dag is evenwel de verjaardag van de Koning gevierd. De Algemene termijnenwet is in artikel 24, eerste lid, van de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2014 van overeenkomstige toepassing verklaard op de daarin bedoelde termijnen. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Algemene termijnenwet is de dag waarop de verjaardag van de Koning wordt gevierd, een algemeen erkende feestdag als bedoeld in die wet. Voorts is bij het Besluit van 24 oktober 2016, nr. 2016001827, houdende gelijkstelling van een aantal data met een algemeen erkende feestdag, 28 april 2017 met een algemeen erkende feestdag als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Algemene termijnenwet gelijkgesteld. Dit betekent dat ingevolge de artikelen 1 en 3 van de Algemene termijnenwet de termijn is verlengd tot en met 1 mei 2017. De op 28 april 2017 gedateerde reactie van het college is diezelfde dag per faxbericht verzonden en bij de Raad van State ingekomen, waarna het per post toegezonden origineel is ingekomen op 1 mei 2017.

    Gelet op het voorgaande is de reactie van het college tijdig ingediend en bestaat geen grond om deze buiten beschouwing te laten.

Het oorspronkelijke besluit van het college van gedeputeerde staten van 20 november 2015

2.    In de tussenuitspraak is onder 5.3 overwogen dat het college van gedeputeerde staten erkent dat de ingevolge artikel 110f van de Wgh vereiste afweging ten aanzien van de cumulatieve geluidsbelasting ten onrechte buiten beschouwing is gelaten. Tevens is overwogen dat de omstandigheid dat het geluid vanwege de weg N236 de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschrijdt, geen reden is om deze afweging niet te maken. De Afdeling heeft geoordeeld dat het besluit van het college van 20 november 2015 vanwege het achterwege laten van die afweging is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

    De Afdeling merkt op dat de aangehaalde passage uit de tussenuitspraak met betrekking tot de omstandigheid dat het geluid vanwege de N236 de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschrijdt, als volgt kan worden verduidelijkt. Het college had in het verweerschrift, evenals in de pleitnotitie ter zitting, het volgende standpunt ingenomen:

"Op de voorgevel van [locatie 1] wordt geen hogere grenswaarde vanwege de N236 vastgesteld, omdat de geluidsbelasting ten gevolge van de N236 hier minder dan 48 dB bedraagt. De cumulatieve geluidsbelasting hoeft dan ook niet nader te worden beschouwd."

Deze overweging van de Afdeling beoogt weer te geven dat dit standpunt van het college niet kan worden gevolgd. Vanwege de enkele omstandigheid dat op één gevel van de woning waarvoor een hogere waarde wordt vastgesteld de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet wordt overschreden, kan niet worden afgezien van onderzoek naar en een afweging van de gevolgen van cumulatie. De in de tussenuitspraak opgenomen aan bedoelde overweging voorafgaande zin luidt:

"Deze afweging kan niet achterwege blijven door te differentiëren naar gevel."

Hiermee is beoogd duidelijk te maken dat niet afzonderlijk per gevel van de woning waarop het akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting van de woning betrekking heeft, conclusies kunnen worden getrokken over de noodzaak onderzoek te doen naar cumulatie.

    In de tussenuitspraak is overwogen dat de desbetreffende woning zowel in de geluidszone van de weg N236 alsook in de geluidszone van de weg N523 is gelegen. De Afdeling merkt nog op dat het gelet op artikel 110f van de Wgh relevant zou zijn als het geluid vanwege de N236 de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB wel overschreed, maar dat van de N523 niet. Volgens de meetresultaten die zijn opgenomen in de brief van 22 december 2016, overschrijdt echter ook de geluidsbelasting als gevolg van de N523 deze voorkeursgrenswaarde. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten om aan de juistheid van die conclusie te twijfelen. Het college van gedeputeerde staten was ingevolge artikel 110f, eerste en vierde lid, van de Wgh dan ook gehouden de cumulatie van geluidbronnen bij zijn besluitvorming te betrekken. Het college heeft dit in het kader van het besluit van 20 november 2015 zoals dat oorspronkelijk luidde echter niet gedaan. Onder die omstandigheid moet worden geoordeeld dat dat besluit zich in dit opzicht niet verdraagt met artikel 3:2 van de Awb. Het beroep is, voor zover gericht tegen dit besluit, gegrond.

2.1.    In de tussenuitspraak is voorts onder 7.2 overwogen dat het besluit van 20 november 2015 waar het gaat om de problematiek rond zogenoemde binnenwaarden is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De Afdeling merkt op dat het opschrift boven het onderdeel waarin deze overweging voorkomt weliswaar "Binnenwaarden" luidt, maar dat de desbetreffende overweging naar inhoud niet de vraag betreft of wel of niet aan de binnenwaarden van de woning wordt voldaan. De tussenuitspraak sluit op dit punt aan bij vaste jurisprudentie van de Afdeling. Het college van gedeputeerde staten heeft wat dit aspect betreft terecht gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:785. In die uitspraak heeft de Afdeling onder 9.2 overwogen dat uit de systematiek van de Wgh volgt dat met betrekking tot binnenwaarden eerst na vaststelling van hogere waarden behoeft te worden bepaald of gevelisolerende maatregelen moeten worden getroffen om te kunnen voldoen aan een geluidsbelasting binnen de woning van 33 dB. Het besluit van 20 november 2015 betreft niet de verplichting tot het treffen van maatregelen aan de gevel als vastgelegd in artikel 111b, tweede lid, van de Wgh. De vraag of de verplichting hiertoe bestaat, staat los van de beoordeling van de rechtmatigheid van dit besluit. De omstandigheid dat, zoals [appellant] in zijn schriftelijke reactie heeft betoogd, de regeling van de Wet geluidhinder er mede op is gericht te voorkomen dat als gevolg van wegverkeer binnenniveaus optreden die boven een waarde van 33 dB liggen, maakt dit niet anders. Voor zover [appellant] heeft gewezen op de zinsnede "na het zo mogelijk treffen van maatregelen" als vermeld in de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2410, onder 4.3, wordt opgemerkt dat daarmee slechts gedoeld kan zijn op bron- en overdrachtsmaatregelen. Maatregelen aan de betrokken woningen zelf als door [appellant] bedoeld kunnen immers geen consequenties hebben voor de geluidsbelasting op de gevel maar alleen op de geluidsbelasting in de woningen.

    De Afdeling merkt voorts op dat het zorgvuldigheidsgebrek dat in overweging 7.2 van de tussenuitspraak wordt vastgesteld betrekking heeft op het, later weliswaar door het college verlaten, standpunt zoals verwoord in het bestreden besluit van 20 november 2015 dat alleen een hogere waarde kan worden vastgesteld als het geluidsniveau binnen de woningen lager is dan 35 dB. Ter onderbouwing daarvan is het akoestisch onderzoek Geluidwering gevels van 27 februari 2015 opgesteld. Dit rapport is aldus mede aan het besluit hogere waarden ten grondslag gelegd. Het college erkende vervolgens in het verweerschrift dat in bedoeld rapport abusievelijk is uitgegaan van een geluidsbelasting met een correctie van 2 dB, hetgeen naar het oordeel van de Afdeling in de tussenuitspraak een zorgvuldigheidsgebrek inhoudt.

2.2.    De Afdeling zal in het hierna volgende bespreken of de gewijzigde motivering van 22 december 2016 aanleiding geeft de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten.

Het besluit van het college van gedeputeerde staten van 20 november 2015 zoals nader gemotiveerd op 22 december 2016.

3.    Voor zover de beroepsgronden zien op de problematiek rond zogenoemde binnenwaarden, kunnen deze gelet op hetgeen is overwogen onder 2.1 geen doel treffen. In het onderstaande wordt daarom alleen het aspect cumulatie van geluid besproken.

4.    In de brief van 22 december 2016 heeft het college van gedeputeerde staten alsnog aandacht geschonken aan de cumulatie van geluidbronnen ter plaatse van woningen die in geluidszone van zowel weg N236 als weg N523 liggen. Tot die woningen behoort de woning van [appellant] aan de [locatie 2]. De desbetreffende heroverweging heeft er echter niet toe geleid dat het college van gedeputeerde staten andere hogere grenswaarden heeft vastgesteld dan vervat in het besluit van 20 november 2015. In dat verband heeft het college opgemerkt dat de gecumuleerde geluidsbelasting zich goed verhoudt tot het maximum van 58 dB dat ingevolge artikel 83 van de Wgh voor de afzonderlijke wegen geldt. Hierbij heeft het college onder meer in beschouwing genomen dat de gecumuleerde geluidsbelasting is berekend zonder dat een aftrek is toegepast als bedoeld in artikel 110g van de Wgh. Bij de berekening of aan de normen voor de afzonderlijke wegen wordt voldaan dient een dergelijke aftrek echter wel te worden toegepast, aldus het college. Het college acht het verder van belang dat bij een deel van de betrokken woningen de geluidsbelasting van de gevels aan de zuidoostzijde - in de brief van 22 december 2016 per abuis de noordoostzijde genoemd - volledig wordt beheerst door de N523. Tot die woningen behoort de woning van [appellant]. Wijziging van de hogere grenswaarden die zijn vastgesteld voor het geluid van de N236 zou in zoverre dus niet leiden tot vermindering van de cumulatieve belasting, aldus het college.

4.1.    [appellant] voert aan dat het college van gedeputeerde staten ook in de brief van 22 december 2016 niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe rekening is gehouden met de samenloop van geluidbronnen. Volgens hem heeft het college ten onrechte evenals in het besluit zoals dat oorspronkelijk luidde een differentiatie naar gevel toegepast, dit in weerwil van de tussenuitspraak. Hij acht het onbegrijpelijk dat het college thans weliswaar erkent dat de geluidsbelasting ten gevolge van de N523 niet op alle gevels aan de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB voldoet, maar toch geen aanleiding ziet om terug te komen van de uitkomsten van het besluit zoals dat oorspronkelijk luidde. Verder betoogt [appellant] dat het rapport van het bureau Sweco waarop het college zijn heroverweging mede heeft gebaseerd, een aantal rekenfouten bevat waardoor de cumulatieve geluidsbelasting is onderschat. In dat verband wijst hij op een door hem ingebrachte notitie van Het Geluidburo van 9 februari 2017 en een nadere notitie van Het Geluidburo die is opgesteld naar aanleiding van de schriftelijke reactie van het college. Uit die notities blijkt volgens [appellant] dat Sweco ten onrechte tweemaal een aftrek heeft toegepast als bedoeld in artikel 110g van de Wgh. Verder hebben Sweco en het college naar zijn mening miskend dat de aftrek om technische redenen niet kan worden toegepast op de gecumuleerde geluidsbelasting.

4.2.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat een inzichtelijke afweging heeft plaatsgevonden en dat de akoestische uitgangspunten die bij de heroverweging zijn gehanteerd, correct zijn.

4.3.    De Afdeling stelt voorop dat artikel 110f, eerste lid, van de Wgh ertoe noopt om in een geval als thans aan de orde onderzoek te doen naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidsbronnen. Aangegeven dient te worden op welke wijze met de samenloop rekening is gehouden bij de te treffen maatregelen, aldus het artikellid. Het artikellid schrijft echter niet voor hoe veelomvattend het onderzoek moet zijn en op welke aspecten precies acht moet worden geslagen. Ook is niet wettelijk vastgelegd welke consequenties het bevoegd gezag uit de onderzoeksresultaten dient te trekken.

    Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de Afdeling niet met vrucht worden gesteld dat het college van gedeputeerde staten onvoldoende zorgvuldigheid aan de dag heeft gelegd dan wel bij zijn beslissing welke hogere grenswaarden dienen te worden vastgesteld, in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met de cumulatie van geluid als gevolg van de N236 en de N523. Daartoe wordt als volgt nader overwogen.

    In de tussenuitspraak is onder 5.4 opgemerkt dat een afweging ten aanzien van de cumulatie niet achterwege kan blijven door te differentiëren naar gevel. De Afdeling stelt vast dat nu het college inmiddels daadwerkelijk een afweging ten aanzien van cumulatie heeft uitgevoerd, geen sprake meer is van het achterwege blijven daarvan. De omstandigheid dat in het kader van die afweging de cumulatieve geluidsbelasting op de verschillende gevels in kaart is gebracht en dat de desbetreffende gegevens bij de beoordeling zijn betrokken, is op zichzelf niet onzorgvuldig te achten. Veeleer zou het college onzorgvuldig hebben gehandeld als het niet aan alle zijden van de woningen de geluidsbelasting had beoordeeld. Verder roept artikel 110f van de Wgh weliswaar de verplichting in het leven om aandacht te besteden aan cumulatie van geluid als de voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten gevolge van het geluid van verschillende wegen wordt overschreden, maar daaraan behoeven niet in alle gevallen consequenties te worden verbonden voor de te stellen hogere waarden. De beoordeling kan er ook toe leiden dat, zoals in deze situatie, de vaststelling van de hogere waarden blijft zoals die zou zijn uitgevallen wanneer het aspect cumulatie van geluid buiten beschouwing was gelaten. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college voldoende inzichtelijk gemaakt waarom in dit geval voor dat laatste is gekozen. In hetgeen [appellant], mede onder verwijzing naar de notities van Het Geluidburo, naar voren brengt, kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat het rapport van Sweco zodanige onjuistheden bevat, dat het college zijn heroverweging daarop niet mede heeft mogen baseren. Het college heeft in dit verband toegelicht dat de cumulatieve geluidsbelasting is berekend aan de hand van de rekenmethode die is voorgeschreven in artikel 1.4 van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 in verbinding met hoofdstuk 2 van Bijlage I bij die regeling en dat hierbij gebruik is gemaakt van het akoestisch rapport "Reconstructie N236" van Grontmij Nederland B.V. De Afdeling ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat, zoals [appellant] heeft betoogd, in bijlage 6 van dat laatste rapport waardes na aftrek worden weergegeven. Voor de veronderstelling dat in het rapport van Sweco ten onrechte tweemaal een aftrek heeft plaatsgevonden, bestaat derhalve evenmin grond. Ook anderszins is niet gebleken dat bij de heroverweging op onjuiste wijze is omgegaan met een aftrek in de zin van artikel 110g van de Wgh.

5.    Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het betoog van [appellant] over cumulatie van geluid in relatie tot de heroverweging van 22 december 2016 faalt. Aangezien de beroepsgronden voor zover die zien op de problematiek rond de binnenwaarden ook geen doel treffen, bestaat grond om de rechtsgevolgen van het besluit van 20 november 2015 in stand te laten.

Het bestemmingsplan

6.    In de tussenuitspraak is onder 11.2 overwogen dat gelet op hetgeen in het kader van de beroepsgronden tegen het besluit tot vaststelling van hogere waarden is overwogen, vooralsnog niet vaststaat dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Verder is overwogen dat in de einduitspraak zal worden beslist of de Wgh in zoverre aan de vaststelling van het bestemmingsplan in de weg staat.

    Uit het vorenoverwogene komt naar voren dat de Wgh, voor zover hier van belang, niet aan de vaststelling van het bestemmingsplan in de weg staat. Onder die omstandigheid en nu tegen het besluit van de raad tot vaststelling van het bestemmingsplan geen afzonderlijke gronden naar voren zijn gebracht, is het beroep voor zover dit is gericht tegen dat laatste besluit ongegrond.

Proceskosten

7.    Het college van gedeputeerde staten dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond voor zover dit is gericht tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 20 november 2015 waarbij hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder zijn vastgesteld ten behoeve van de reconstructie van de Gooilandseweg (N236);

II.    vernietigt het onder I bedoelde besluit;

III.    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het onder I en II bedoelde besluit in stand worden gelaten;

IV.    verklaart het beroep ongegrond voor zover dit is gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Weesp van 26 november 2015 waarbij het bestemmingsplan "Reconstructie N236 traject km 7,0-11,0" is vastgesteld;

V.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.485,00 (zegge: veertienhonderdvijfentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 167,00 (zegge: honderdzevenenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Priem, griffier.

w.g. Hoekstra

voorzitter    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2017

195.