Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1796

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
201605895/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:3462, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 november 2014 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom van € 50.000,00 gelast het aanplanten van fruitbomen en de werkzaamheden ten behoeve daarvan op de percelen aan de Ammanswal te Waardenburg, kadastraal bekend als sectie X, nummers 403, 1066, 1067 (gedeeltelijk), 1356 (gedeeltelijk), 1358, 1361, 1408 (gedeeltelijk) en 1409 (gedeeltelijk) met onmiddellijke ingang te beëindigen en beëindigd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605895/1/A1.

Datum uitspraak: 5 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Tuil, gemeente Neerijnen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 juni 2016 in zaak nr. 15/7076 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Neerijnen.

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2014 heeft het college [appellant] onder oplegging van een dwangsom van € 50.000,00 gelast het aanplanten van fruitbomen en de werkzaamheden ten behoeve daarvan op de percelen aan de Ammanswal te Waardenburg, kadastraal bekend als sectie X, nummers 403, 1066, 1067 (gedeeltelijk), 1356 (gedeeltelijk), 1358, 1361, 1408 (gedeeltelijk) en 1409 (gedeeltelijk) met onmiddellijke ingang te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 25 februari 2015 heeft het college de verbeurde dwangsom ingevorderd.

Bij besluit van 9 november 2015 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 14 november 2014 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 25 februari 215 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 juni 2016 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juni 2017, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. F.A. Pommer, advocaat te Nijmegen, en mr. C. Bots, werkzaam bij de Omgevingsdienst Rivierenland, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [fruitteler A] en [fruitteler B] als deskundigen gehoord.

Overwegingen

1.    [appellant] heeft in februari 2014 een aantal percelen aan de Ammanswal te Waardenburg gekocht met de intentie om daarop fruitbomen aan te planten. Dit is gedeeltelijk in strijd met het bestemmingsplan "Buitengebied Neerijnen", zoals dat ten tijde van belang ter plaatse gold. Daarin hadden deze percelen (gedeeltelijk) de bestemming "Agrarisch" of "Natuur", met de dubbelbestemming "Waarde Archeologie 4" en met als gebiedsaanduiding "Overige zone - open landschap". Nadat het college had geconstateerd dat [appellant] - zonder omgevingsvergunning - was begonnen met het aanplanten van perenbomen en werkzaamheden ten behoeve daarvan, heeft het college hem op 14 november 2014 gelast om onmiddellijk daarmee te stoppen. Op 24 november 2014 heeft een toezichthouder geconstateerd dat na vastlegging van de nulsituatie op 15 november 2014 nog 20 geulen met gepote bomen zijn aangevuld met grond. Daarop heeft het college geconstateerd dat de dwangsom van € 50.000,00 is verbeurd. Bij brief van 25 februari 2015 is het college overgegaan tot invordering daarvan. [appellant] meent dat de last onder dwangsom ten onrechte aan hem is opgelegd en dat het college niet tot invordering heeft mogen overgaan.

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zijn brief van 29 november 2014 terecht niet heeft aangemerkt als bezwaarschrift tegen de last onder dwangsom van 14 november 2014 en dat het college het bezwaarschrift van 4 april 2015 (lees: 3 april 2015) terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens termijnoverschrijding. Hij voert hiertoe aan dat het besluit van 14 november 2014 is verzonden naar een niet bestaand adres en dat daarom de termijn voor het indienen van bezwaar toen niet is gaan lopen. Voorts had het college er volgens [appellant] bij de kwalificatie van de brief van 29 november 2014 rekening mee moeten houden dat hij geen jurist is. Uit de stappen die hij vanaf april 2015 heeft genomen blijkt dat hij de intentie had om bezwaar in te dienen, aldus [appellant].

2.1.    [appellant] heeft in beroep en opnieuw in hoger beroep opgemerkt dat het besluit van 14 november 2014 op dezelfde datum aan hem bekend is gemaakt door uitreiking. Reeds daarom is er geen aanleiding om te oordelen dat de termijn voor het indienen van bezwaar niet op de dag daarna is aangevangen en op 29 december 2014 is geëindigd.

    Voorts heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat de brief van 29 november 2014 geen aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat dit een bezwaarschrift is, gericht tegen het besluit van 14 november 2014. Ook met inachtneming van de omstandigheid dat [appellant] geen jurist is, heeft het college de brief van [appellant] niet als bezwaarschrift hoeven aanmerken. Dat [appellant] nadien alle hem ter beschikking staande stappen heeft gezet om de last onder dwangsom aan te vechten, leidt niet tot een ander oordeel. Het college kon bij de beoordeling van de brief van 29 november 2014 geen informatie betrekken waarover het op dat moment nog niet beschikte.

    Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de brief van 29 november 2014 terecht niet heeft aangemerkt als bezwaarschrift. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college het bezwaarschrift van 3 april 2015 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

    Het betoog faalt.

3.    Gelet op hetgeen onder 2.1. is overwogen, behoeft het betoog van [appellant] dat de last onder dwangsom onrechtmatig is opgelegd geen bespreking meer. Voor de hiernavolgende bespreking van de gronden van het hoger beroep gericht tegen het invorderingsbesluit van 25 februari 2015 wordt van de rechtmatigheid van het besluit van 14 november 2014 uitgegaan.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college heeft kunnen concluderen dat hij de last niet heeft nageleefd omdat het aanaarden van al gepote bomen als een aanplantactiviteit moet worden aangemerkt. Hij betoogt daartoe dat hij de bomen na het opleggen van de last heeft aangeaard om vorstschade te voorkomen en niet om het plantproces af te ronden. De rechtbank heeft bij haar beoordeling volgens [appellant] ten onrechte aansluiting gezocht bij hetgeen in Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal is vermeld over "planten" en "aanplanten". Hij wijst erop dat in de woordenlijst "tuinbouwtaal" van het Productschap Tuinbouw onder aanaarden wordt verstaan "een extra laag grond bij de plantvoet (eventueel de oculatie) aanbrengen om vorstschade te voorkomen". Dat het aanaarden van perenbomen noodzakelijk is om bevriezing te voorkomen, blijkt voorts uit deskundigenrapporten van 18 januari 2017 van [fruitteler A] van Agruniek Rijnvallei en [belanghebbende] van het Centraal Adviesorgaan Fruitteelt, aldus [appellant].

4.1.    Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college heeft kunnen concluderen dat hij de last om niet verder te gaan met het planten van bomen op de percelen niet heeft nageleefd. Dat met "aanaarden" in de tuinbouwbranche wordt bedoeld een methode om vorstschade te voorkomen, betekent niet dat in de situatie dat gepote bomen nog in open geulen staan, het aanvullen van die pootgeulen met grond, niet evenzeer een integraal onderdeel van het aanplantproces is. Dat [appellant], naar hij stelt, op het moment van het vullen van de pootgeulen in de eerste plaats beoogde vorstschade te voorkomen, maakt dat niet anders. [appellant] heeft, door in november bomen te planten waar dat niet mocht, zelf het risico genomen dat het plantproces zou worden stilgelegd en dat de bomen beschadigd zouden kunnen raken. Voorts had hij de bomen ook op andere wijze dan door middel van aanaarden kunnen beschermen tegen vorst, bijvoorbeeld door deze uit de pootgeulen te verwijderen en binnen op te slaan.

    Het betoog faalt.

5.    Voor zover [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd dat de controle of aan de last is voldaan heeft plaatsgevonden op het deel van de gronden waar het aanplanten van bomen wel is toegestaan, is dit een herhaling van wat hij al in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is hierop in de aangevallen uitspraak ingegaan. [appellant] voert niet nader aan waarom de desbetreffende overwegingen onjuist, dan wel onvolledig zijn. Het aangevoerde geeft daarom geen aanleiding om die uitspraak te vernietigen.

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen er geen bijzondere omstandigheden waren op grond waarvan het college van invordering heeft moeten afzien. Hij voert hiertoe aan dat er concreet zicht op legalisering was. Hij wijst erop dat het bestemmingsplan inmiddels daadwerkelijk is gewijzigd, dat het aanplanten van bomen op de percelen nu mogelijk is, en dat hij daarvoor ook de benodigde omgevingsvergunningen heeft verkregen. Voorts was het aanaarden van de bomen noodzakelijk om vorstschade te voorkomen, aldus [appellant].

6.1.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 22 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5290, richt het betoog dat er concreet zicht op legalisering is zich tegen het besluit waarbij de last onder dwangsom is opgelegd. Deze grond kan niet meer met succes worden ingebracht tegen een invorderingsbeschikking. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

6.2.    Bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom, dient aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien (zie de uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW5949).

6.3.    Dat [appellant] is overgegaan tot het aanaarden van reeds gepote, maar nog niet in de grond gezette bomen om vorstschade te voorkomen, kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan van invordering had moeten worden afgezien. Eventuele schade aan de bomen als gevolg van het rechtmatige handhavend optreden door het college komt voor rekening en risico van [appellant].

    Er is geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college tot invordering kon besluiten.

6.4.    Het betoog faalt.

7.    Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn betoog in beroep dat het college in het invorderingsbesluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het niet het advies van de commissie voor bezwaarschriften van de gemeente Neerijnen van 3 november 2015 om het bezwaar gegrond te verklaren, heeft opgevolgd, kan niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. De bezwaarcommissie heeft geadviseerd dat omdat, naar deze commissie ambtshalve heeft geconstateerd, de last onder dwangsom een onzorgvuldigheid in zich draagt nu deze ook ziet op gronden waarop wel bomen mogen worden aangeplant, ook het invorderingsbesluit - voor wat betreft de hoogte van de dwangsom - onzorgvuldig is genomen. In het besluit op bezwaar van 9 november 2015 is uiteengezet dat het college het advies van de bezwaarcommissie op dit punt niet opvolgt omdat de last onder dwangsom onherroepelijk is en omdat het voorts niet correct is om hier via een omweg op terug te komen. Verder is volgens het college de hoogte van de dwangsom vastgesteld op basis van de waarde van de op of nabij de percelen aanwezige bomen. Omdat niet alle bomen op de percelen aanwezig waren, is de helft van de door [appellant] opgegeven waarde van de bomen als dwangsom ineens - en niet per geplante boom - opgelegd. Ook heeft het college erop gewezen dat het grootste deel van de in strijd met de last aangeaarde bomen op gronden staan waarop geen bomen mogen worden geplant en dat reeds daarom de dwangsom is verbeurd.

    Met het voorgaande heeft het college duidelijk en voldoende gemotiveerd uiteengezet waarom het het advies van de bezwaarcommissie niet heeft opgevolgd en het bezwaar van [appellant] tegen het invorderingsbesluit ongegrond heeft verklaard. Van strijd met het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel is geen sprake.

    Het betoog faalt.

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Dijken, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van Dijken

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2017

595.