Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1791

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
201605804/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:2983, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2014 heeft het college aan [appellant A] en [appellant B] een last onder dwangsommen opgelegd in verband met een hekwerk met poort en een kelder op het perceel [locatie] te Knegsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201605804/1/A1.

Datum uitspraak: 5 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Knegsel, gemeente Eersel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 juni 2016 in zaak nrs. 15/1740 en 15/2139 in het geding tussen:

[appellant A]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eersel.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2014 heeft het college aan [appellant A] en [appellant B] een last onder dwangsommen opgelegd in verband met een hekwerk met poort en een kelder op het perceel [locatie] te Knegsel.

Bij besluit van 19 mei 2015 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 16 juli 2015 heeft het college de verbeurde dwangsommen ingevorderd.

Bij uitspraak van 13 juni 2016 heeft de rechtbank de door [appellant A] tegen de besluiten van 19 mei 2015 en 16 juli 2015 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 juni 2017, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. T.I.P. Jeltema, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.M.H.M. Bakermans, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant A] en [appellant B] wonen op het perceel [locatie] te Knegsel. In maart 2014 hebben toezichthouders van de gemeente Eersel geconstateerd dat op dit perceel is gebouwd zonder, of in afwijking van, een daarvoor verleende omgevingsvergunning. Op het deel van het perceel met de bestemming "Bos" is een hekwerk geplaatst van 1,80 meter hoog, terwijl hekwerken op deze bestemming maximaal 1 meter hoog mogen zijn. Voorts is op het perceel een kelder van 107 m2 aangetroffen die illegaal is geworden na intrekking van de eerder verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning. [appellant A] en [appellant B] zijn bij besluit van 18 december 2014, gehandhaafd bij besluit van 19 mei 2015, gelast om het hekwerk binnen 4 weken na dagtekening daarvan in overeenstemming te brengen met de verleende omgevingsvergunning met nummer 20070073 van 15 maart 2007 of deze te verwijderen en verwijderd te houden, alsmede om binnen 12 weken de kelder te verwijderen en verwijderd te houden. Een en ander onder oplegging van dwangsommen van € 5.000,00 onderscheidenlijk € 20.000,00 ineens. In het besluit is vermeld dat [appellant A] en [appellant B] ook kunnen volstaan met het verlagen van het hekwerk tot 1,00m, zodat dit vergunningvrij wordt, en met het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een kelder van 80m2, waarbij de rest van de kelder moet worden verwijderd en verwijderd gehouden. Bij besluit van 16 juli 2015 heeft het college [appellant A] en [appellant B] laten weten dat geconstateerd is dat de overtredingen niet zijn beëindigd, dat de dwangsommen daarom zijn verbeurd en dat tot invordering is besloten. [appellant A] en [appellant B] zijn het niet eens met voormelde besluiten. Zij menen dat het hekwerk niet illegaal is en doen voorts een beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat het college ook niet zou optreden tegen illegale hekwerken in hun omgeving. Voorts menen [appellant A] en [appellant B] dat het college niet tot invordering van de dwangsom voor de kelder mocht overgaan omdat alsnog aan de last is voldaan.

Last onder dwangsommen

3.    [appellant A] en [appellant B] hebben ter zitting van de Afdeling het betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor het hekwerk, gelet op de hoogte ervan, een vergunning vereist is, ingetrokken.

4.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college de bevoegdheid had om op te treden tegen het hekwerk omdat dit niet legaal is. Zij voeren daartoe aan dat het hekwerk, zoals dat eerder in 2007 was vergund, naar aanleiding van een kavelruil moest worden verplaatst.

4.1.    Niet meer in geschil is dat het hekwerk is gebouwd in afwijking van de in 2007 verleende omgevingsvergunning. Het college heeft ter zitting van de rechtbank van 9 november 2015 verklaard dat het niet heeft kunnen terugvinden dat het hekwerk moest worden verplaatst in verband met een kavelruil. [appellant A] en [appellant B] hebben in hoger beroep niet alsnog stukken overgelegd ter ondersteuning van hun betoog dat het hekwerk niettemin legaal is geplaatst. Er is geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college bevoegd was om tegen het hekwerk op te treden.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hun beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. De rechtbank heeft voor dit oordeel redengevend geacht dat het college heeft verklaard dat in 2016 een gebiedsgerichte actie is voorzien, waarbij het zal optreden tegen op de bestemming "Bos" gelegen, niet te legaliseren illegale hekwerken op de door [appellant A] en [appellant B] in beroep genoemde adressen. Volgens [appellant A] en [appellant B] is deze toezegging van het college onvoldoende concreet om hun beroep op het gelijkheidsbeginsel te verwerpen. Zij merken op dat het college weliswaar gefaseerd mag handhaven, maar dat het op de andere locaties wel daadwerkelijk tot handhaving moet overgaan. Vooralsnog is daarvan niet gebleken en lijkt het college alleen tegen hun hekwerk op te treden, aldus [appellant A] en [appellant B].

5.1.    Het college heeft ter zitting van de Afdeling onweersproken toegelicht dat in beroep is gebleken dat zeven van de elf door [appellant A] en [appellant B] als gelijke gevallen aangedragen hekwerken niet daadwerkelijk vergelijkbaar waren. In de overige gevallen leek het op het eerste gezicht wel om gelijke gevallen te gaan en het college had ook aangekondigd daartegen te zullen optreden. Nader onderzoek heeft volgens het college echter uitgewezen dat ook dat geen gelijke gevallen waren. Eén geval betrof geen hekwerk en in de overige gevallen bestond geen grondslag om tegen de hekwerken op te treden omdat daarvoor vergunning bleek te zijn verleend. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de toelichting van het college te twijfelen.

    Nu geen sprake is van gelijke gevallen, biedt het beroep op het gelijkheidsbeginsel geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college tot handhaving heeft kunnen overgaan.

    Het betoog faalt.

Invorderingsbesluit

6.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college niet van invordering van de dwangsom ten aanzien van de kelder heeft hoeven afzien. Zij voeren hiertoe aan dat, nadat het college de last onder dwangsom had opgelegd en had vastgesteld dat de dwangsom is verbeurd, zij een omgevingsvergunning hebben aangevraagd voor de kelder. Die vergunning is verleend op 29 juli 2015. Nu de kelder slechts zeer kort illegaal is geweest, rechtvaardigt dit dat de opgelegde dwangsom wordt gematigd, aldus [appellant A] en [appellant B].

6.1.    Niet is in geschil is dat het college de last onder dwangsom voor de kelder terecht heeft opgelegd. Evenmin is in geschil dat [appellant A] en [appellant B] eerst na afloop van de begunstigingstermijn aan de last hebben voldaan. Daarmee is de dwangsom verbeurd.

6.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van de Afdeling van 19 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7685) dient bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

6.3.    [appellant A] en [appellant B] hebben op 15 juli 2015 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het legaliseren van 80 m2  van de kelder, welke vergunning bij besluit van 29 juli 2015 is verleend. Dat daarmee na het verstrijken van de begunstigingstermijn, maar hangende het beroep bij de rechtbank alsnog aan de last is voldaan, is geen omstandigheid als gevolg waarvan het college de hoogte van de in te vorderen dwangsom had moeten matigen (vergelijk voormelde uitspraak van de Afdeling van 19 september 2012).

6.4.    De rechtbank heeft terecht en op goede grond overwogen dat het college het invorderingsbesluit heeft mogen nemen.

    Het betoog faalt.

Conclusie

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Dijken, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van Dijken

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2017

595.