Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1786

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
201608475/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:5898, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 14 oktober 2016 heeft de rechtbank het college veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 3000,00 aan [appellante].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3496
AR 2017/4427
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201608475/1/A2.

Datum uitspraak: 5 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 oktober 2016 in zaak nr. 15/6828 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Almere.

Procesverloop

Bij uitspraak van 14 oktober 2016 heeft de rechtbank het college veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 3000,00 aan [appellante].

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2017, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door C.L. Aben, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante] stelt schade te hebben geleden, omdat zij in de periode april - maart 2015 ten onrechte niet over een vaste standplaats beschikte op de zaterdagmarkt in Almere.

2.    Bij besluit van 31 juli 2013 heeft het college het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 18 april 2013, waarbij het college aan [persoon] een vergunning heeft verleend voor het innemen van een standplaats op de zaterdagmarkt in Almere, ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 juni 2014 heeft de rechtbank het door [appellante] ingestelde beroep tegen het besluit van 31 juli 2013 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd.

3.    Op 25 maart 2015 zijn [appellante] en het college overeengekomen dat aan [appellante] alsnog een vaste standplaats wordt toegekend en dat het college aan haar een nader te bepalen bedrag aan schadevergoeding zal betalen. Vervolgens heeft [appellante] het tegen de uitspraak van 26 juni 2014 ingestelde hoger beroep ingetrokken.

Uitspraak van de rechtbank

4.    De rechtbank heeft in haar uitspraak van 14 oktober 2016 overwogen dat [appellante] de door haar gestelde schade van € 17.500,00 niet heeft onderbouwd. Omdat het college de geleden schade tot een bedrag van € 3000,00 heeft erkend, heeft de rechtbank het verzoek tot dit bedrag toegewezen.

Hoger beroep

5.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat uit de overeenkomst van 25 maart 2015 volgt dat het bedrag aan schadevergoeding moet worden bepaald op basis van het aantal zaterdagen waarop [appellante] niet op de markt heeft kunnen staan, omdat zij niet beschikte over een vaste standplaats. Zij stelt dat de schade € 250,00 aan nettowinst per zaterdag bedraagt en dat moet worden uitgegaan van 70 zaterdagen. De totale schade bedraagt aldus € 17.500,00.

Oordeel in hoger beroep

6.    De bewijslast van de schade en de omvang daarvan ligt in beginsel bij degene die stelt schade te hebben geleden. Anders dan [appellante] betoogt, volgt uit de overeenkomst niet dat zonder meer aanspraak bestaat op vergoeding voor alle zaterdagen in 2013 en 2014. In de overeenkomst is opgenomen dat het bedrag nader zal worden bepaald op basis van het aantal zaterdagen waarop zij door het niet hebben van een vaste standplaats niet op de markt heeft kunnen staan. [appellante] had de door haar gestelde schade met concrete bedrijfsgegevens moeten onderbouwen.

    Het college heeft op 5 juni 2015 verzocht om een accountantsverklaring over de inkomsten van 2013 en 2014 en om bijstelling van het aantal zaterdagen, omdat er in 2014 voldoende plek was op de zaterdagmarkt om als "meeloper" standplaats in te nemen. Bij brief van 23 oktober 2015 heeft het college wederom verzocht om een accountantsverklaring van de omzet en netto-inkomsten over de jaren 2011 tot en met het eerste halfjaar van 2015. Ook is [appellante] gevraagd een kopie van de belastingaangifte over de jaren 2012 tot en met 2014, waaruit blijkt dat zich in de jaren 2013 en 2014 inkomstenderving heeft voorgedaan als gevolg van het niet staan op de markt. Vervolgens is verzocht om de reden dat zij in 2014 niet op de markt heeft gestaan, terwijl er voldoende plaats was en het als meeloper mogelijk is standplaats in te nemen.

    Vast staat dat ook nadat [appellante] door het college nadrukkelijk is gewezen op het ontbreken van bewijs, zij geen gegevens over de schade en de omvang ervan heeft overgelegd. In beroep heeft zij volstaan met de enkele mededeling dat het bedrag van € 250,00 is gebaseerd op informatie van haar boekhouder en dat het bijna onmogelijk is zonder vergunning op de markt te staan. Zelfs na de uitspraak van de rechtbank, waarin wederom nadrukkelijk is gewezen op het ontbreken van bewijs, heeft zij geen aanleiding gezien de door haar gestelde schade te onderbouwen en alleen gewezen op de overeenkomst. Het eerst ter zitting in hoger beroep gedane aanbod om alsnog de schade te onderbouwen, komt gelet op het voorgaande, te laat in de procedure.

7.    De slotsom is dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de schade door [appellante] onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien een hoger bedrag aan schadevergoeding toe te kennen

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Planken

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2017

299.