Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1774

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
201606690/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:3852, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 oktober 2015 heeft de minister een aanvraag van Cinop om subsidie afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2017/248 met annotatie van Redactie, W. den Ouden
BA 2017/225
Gst. 2017/192 met annotatie van C.N. van der Sluis, mr. H.F.T. Pennarts
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201606690/1/A2.

Datum uitspraak: 5 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 juli 2016 in zaak nr. 16/1331 in het geding tussen:

CINOP Global B.V. (hierna: Cinop), gevestigd te 's-Hertogenbosch,

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2015 heeft de minister een aanvraag van Cinop om subsidie afgewezen.

Bij besluit van 8 maart 2016 heeft de minister het door Cinop daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 juli 2016 heeft de rechtbank het door Cinop daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 maart 2016 vernietigd en de minister opgedragen binnen zes weken na bekendmaking van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Cinop heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

Bij besluit van 21 oktober 2016 heeft de minister, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, opnieuw beslist op het door Cinop gemaakte bezwaar en dit bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Cinop heeft daartegen beroepsgronden aangevoerd.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Cinop heeft bij nader stuk haar beroep tegen het besluit van 21 oktober 2016 ingetrokken.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 maart 2017, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. drs. G.H. van den Borne en mr. dr. M. Dekker, werkzaam bij het ministerie, en Cinop, vertegenwoordigd door mr. W.D. de Vos, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

    Aanleiding

1.    De subsidieregeling Local Employment in Africa for Development (hierna: LEAD) is ontwikkeld om oorzaken van migratie te bestrijden door jongeren in Afrikaanse landen perspectief te bieden via lokaal ondernemerschap en banencreatie.

2.    Cinop is een Nederlandse sociale onderneming die zich richt op de ontwikkeling van beroepsonderwijs in Afrika, Azië, het Midden-Oosten en Latijns-Amerika. Cinop heeft subsidie aangevraagd in het kader van LEAD om de werkgelegenheid in Mali te versterken door het begeleiden van innovatieve start-ups.

3.     De minister heeft alle aanvragen in het kader van LEAD getrapt beoordeeld in een tenderprocedure. In de eerste fase is beoordeeld of de aanvragen voldoen aan de ontvankelijkheidsvereisten en drempelcriteria. Bij het niet voldoen aan één of meer van de drempelcriteria werd de aanvraag afgewezen op grond van paragraaf 3.2 van de LEAD beleidsregels. In de tweede fase is de kwaliteit van de aanvragen beoordeeld met toekenning van punten per onderdeel.

4.    De aanvraag van Cinop is bij het, in bezwaar gehandhaafde, besluit van 19 oktober 2015 in de eerste fase afgewezen omdat deze niet voldoet aan het drempelcriterium D7 van de beleidsregels (hierna: het drempelcriterium), dat inhoudt dat de bezoldiging van de individuele leden van het bestuur maximaal € 163.000,00 (hierna: de dg-norm) per kalenderjaar bedraagt. Uit het bij de aanvraag gevoegde formulier "Wet Normering Topinkomens", de zogenoemde WNT verklaring, blijkt dat de bezoldiging van de bestuurder van Cinop hoger is dan de dg-norm.

Uitspraak van de rechtbank

5.    De rechtbank heeft het in beroep bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De rechtbank heeft overwogen dat het drempelcriterium beoogt te voorkomen dat de subsidiemiddelen voor ontwikkelingssamenwerking worden benut voor subsidieverlening aan organisaties die bezoldigingen toekennen die politiek en maatschappelijk niet acceptabel worden geacht. Het doel van de subsidie is om activiteiten te ontwikkelen in of ten behoeve van ontwikkelingslanden op het terrein van private sectorontwikkeling. Volgens de rechtbank strekt het drempelcriterium derhalve niet tot verwezenlijking van dat doel en heeft de minister, door de subsidieaanvraag van Cinop op grond van dat criterium af te wijzen, in strijd met artikel 3:3 van de Awb de hem toegekende bevoegdheid gebruikt voor een ander doel dan dat waarvoor die bevoegdheid is verleend. Tussen de in het drempelcriterium opgenomen dg-norm en de gesubsidieerde activiteiten bestaat een te ver verwijderd verband.

    Voor haar oordeel heeft de rechtbank steun gevonden in de uitspraken van 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2348 en van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1177, waarin de Afdeling heeft overwogen dat een subsidieverplichting inzake topsalarissen niet strekt tot verwezenlijking van het doel van de subsidie, maar tot verwezenlijking van een ander doel, namelijk inkomenspolitiek, en dat het verband tussen de verplichting en de gesubsidieerde activiteit te ver verwijderd is om als een geoorloofde niet-doelgebonden verplichting in de zin van artikel 4:39, tweede lid, van de Awb te kunnen worden aangemerkt.

    De rechtbank heeft geconcludeerd dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:3 van de Awb. De aanvraag mocht niet worden afgewezen op grond van overschrijding van de dg-norm.

Aangevoerde gronden in hoger beroep

6.    De minister betoogt dat de rechtbank een te enge uitleg heeft gegeven aan het doel van de subsidie en de aan hem toekomende bevoegdheden voor het toekennen hiervan. Hij heeft geen misbruik gemaakt van zijn bevoegdheid, maar gebruik gemaakt van de door de wetgever gegeven bevoegdheden binnen de daarbij geboden ruimte. Volgens de minister is de rechtbank voorbij gegaan aan de bevoegdheden die hij heeft op grond van artikel 4:35 van de Awb, de artikelen 2 en 3 van de Kaderwet, artikel 8, eerste lid, aanhef en onder d, en de artikelen 10 en 14, eerste lid, van het Subsidiebesluit. Op grond van die bepalingen mag de minister subsidievoorwaarden stellen die betrekking hebben op het doelmatig uitgeven van overheidsmiddelen, van subsidieaanvragers vergen dat activiteiten uit eigen middelen worden bekostigd, meewegen of subsidieverstrekking in strijd komt met het voor ontwikkelingssamenwerking gevoerde beleid en in de besluitvorming betrekken of voldoende draagvlak bestaat voor de activiteiten. Volgens de minister betekent dit dat hij mag weigeren om subsidie te verstrekken aan organisaties met een bovenmatige beloningsstructuur. Uit de geschiedenis van totstandkoming van artikel 4:35 van de Awb (Kamerstukken II, 1994/1995, 23 700, nr. 5, blz. 24) volgt dat de gronden waarop een subsidie kan worden geweigerd primair wordt bepaald door de betrokken subsidieregeling en dat subsidieregelingen in veel gevallen het bestuursorgaan zoveel beleidsruimte laten, dat de subsidie op beleidsmatige gronden kan worden geweigerd. De hem gegeven ruimte laat toepassing van het drempelcriterium toe, aldus de minister.

    De minister voert verder aan dat de in het drempelcriterium opgenomen dg-norm sinds 2009 deel uitmaakt van het subsidiebeleid voor ontwikkelingssamenwerking, hetgeen in subsidieprogramma’s steeds tot uitdrukking is gebracht in de vorm van een in een beleidsregel opgenomen drempelcriterium. De politiek en de samenleving steunen dit en vergen dit zelfs van de minister. De Tweede Kamer heeft, met algemene stemmen, de motie Dijkhoff aangenomen (Kamerstukken II, 2010/2011, 32500 V, nr. 50), waarin de regering wordt verzocht om de organisaties die actief zijn op het vlak van ontwikkelingssamenwerking en waarvan de directiesalarissen hoger zijn dan de dg-norm, niet in aanmerking te laten komen voor (toekomstige) subsidies.

    De minister betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister met het drempelcriterium beoogt topsalarissen binnen organisaties te voorkomen. Met het drempelcriterium beoogt hij, anders dan in de Wet normering topinkomens, geenszins in te grijpen in topsalarissen binnen organisaties noch deze te voorkomen. Met het drempelcriterium wil hij enkel de organisaties selecteren waarmee hij een subsidierelatie wil aangaan en waaraan hij de schaarse, hem ter beschikking staande, subsidiemiddelen wil besteden. Die selectie is gebaseerd op de beleidsdoelstelling als neergelegd in artikel 2, onder d, van de Kaderwet en de bevoegdheden die hem daarbij toekomen. Voor het draagvlak en de maatschappelijke acceptatie van de besteding van subsidie aan ontwikkelingssamenwerking is essentieel dat alleen subsidie wordt verstrekt aan organisaties die hun middelen doelmatig besteden, in die zin dat deze met zo min mogelijk subsidie zoveel mogelijk bijdragen aan de doelstellingen van ontwikkelingssamenwerking. Organisaties die de dg-norm niet overschrijden, kunnen meer uit eigen middelen betalen. De minister stelt dat hij organisaties tot niets verplicht. Het staat organisaties vrij om de dg-norm te overschrijden. Hij kan een subsidieaanvraag van een dergelijke organisatie echter binnen de hem toegekende bevoegdheden afwijzen, aldus de minister.

    Tot slot betoogt de minister dat het oordeel van de rechtbank ten onrechte steunt op de uitspraken van de Afdeling van 25 juni 2014 en van 4 mei 2016. In die zaken was de dg-norm afgedwongen door middel van een subsidieverplichting, waarop artikel 4:39 van de Awb van toepassing is. Dat is hier niet het geval, nu het drempelcriterium geen aan de subsidie verbonden verplichting betreft, maar een subsidievoorwaarde aan de voorkant van de subsidieprocedure, zodat artikel 4:39 van de Awb toepassing mist.

Beoordeling gronden hoger beroep

6.1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

6.2.    Partijen zijn verdeeld over de vraag of de rechtbank terecht het bestreden besluit heeft vernietigd wegens strijd met artikel 3:3 van de Awb. Beoordeeld dient te worden of de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat de minister door toepassing van het drempelcriterium de hem toegekende bevoegdheid om een subsidieaanvraag af te wijzen, heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.

6.3.    De in artikel 4:35 van de Awb genoemde gronden om een subsidie te weigeren, zijn niet limitatief. De minister voert terecht aan, onder verwijzing naar de geschiedenis van totstandkoming van die bepaling, dat een subsidie ook op beleidsmatige gronden die in een bijzondere subsidieregeling zijn opgenomen, kan worden geweigerd. Gelet op de artikelen 10 en 14 van het Subsidiebesluit, kan de minister voorts worden gevolgd in het betoog dat hem in dit geval veel beleidsruimte is gegeven. Dit betekent echter niet dat die ruimte onbegrensd is en elke weigeringsgrond toelaatbaar is. De in de beleidsregels opgenomen weigeringsgrond moet binnen de kaders van wet- en regelgeving blijven, inhoudelijk niet onredelijk zijn en niet in strijd zijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

6.4.    In artikel 3:3 van de Awb is opgenomen dat het bestuursorgaan de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel gebruikt dan waarvoor die bevoegdheid is verleend. Daaruit volgt dat de grond die de minister hanteert om een subsidie te weigeren, voldoende verband moet houden met verwezenlijking van het doel van de subsidie.

    Volgens onderdeel 1.3 van de bijlage bij de LEAD beleidsregels is de doelstelling van LEAD het creëren van werkgelegenheid voor jongeren in acht Afrikaanse landen, door hen te ondersteunen bij duurzame inkomensverwerving. De activiteiten die zijn gericht op het realiseren van duurzame inkomensverschaffing voor jongeren, via (zelfstandig) ondernemerschap of door het anderszins creëren van nieuwe arbeidsplaatsen, komen voor subsidie in aanmerking.

    De minister heeft aangevoerd dat hij geen subsidie aan organisaties met een bovenmatige beloningsstructuur wil verstrekken en met het drempelcriterium wil bereiken dat alleen die organisaties voor subsidieverlening worden geselecteerd die de dg-norm niet overschrijden. Naar het oordeel van de Afdeling houdt het drempelcriterium onvoldoende verband met het verwezenlijken van het doel van LEAD, het creëren van werkgelegenheid voor jongeren in Afrikaanse landen. Niet valt in te zien dat de doelstelling van LEAD wordt bereikt door alleen die organisaties te selecteren die de dg-norm niet overschrijden. Ook organisaties die de dg-norm overschrijden, kunnen de betreffende werkgelegenheid voor jongeren creëren. Voorts is niet gezegd, zoals Cinop terecht in het verweerschrift aanvoert, dat de subsidiegelden door dergelijke organisaties niet of minder doelmatig worden besteed.

    Het is de Afdeling voorts niet gebleken dat het drempelcriterium anderszins voldoende verband houdt met de verwezenlijking van het doel van LEAD. Het drempelcriterium strekt bijvoorbeeld niet tot het voorkomen van een latere intrekking of lagere vaststelling van de subsidie of om misbruik of onverhaalbaarheid van de subsidiegelden van LEAD tegen te gaan.

    De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de minister zijn bevoegdheid tot het afwijzen van de subsidieaanvraag in strijd met artikel 3:3 van de Awb heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid aan hem is verleend, door de subsidie te weigeren op grond van overschrijding van de in het drempelcriterium opgenomen dg-norm.

6.5.    Hetgeen de minister verder heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. De minister kan worden gevolgd in zijn betoog dat het voor het draagvlak en de maatschappelijke acceptatie van de besteding van subsidie aan ontwikkelingssamenwerking van belang is dat alleen subsidie wordt verstrekt aan organisaties die de dg-norm niet overschrijden. De minister heeft voorts aannemelijk gemaakt dat dit laatste in politiek opzicht ook van hem wordt gevergd. Dat het drempelcriterium een gerechtvaardigd doel dient en een politiek draagvlak heeft, neemt echter niet weg dat het  drempelcriterium onvoldoende verband houdt met realisatie van het doel dat met LEAD is beoogd en dat de weigering op grond van dit criterium derhalve in strijd is met artikel 3:3 van de Awb.

6.6.    Het betoog van de minister dat de rechtbank ten onrechte aansluiting heeft gezocht bij de uitspraken van de Afdeling van 25 juni 2014 en van 4 mei 2016 treft evenmin doel. Het gaat hier niet om een aan de subsidie verbonden verplichting, waardoor artikel 4:39 van de Awb toepassing mist, maar om een criterium waaraan moet zijn voldaan om voor subsidie in aanmerking te komen. Gelet op artikel 3:3 van de Awb geldt echter ook voor zo’n criterium dat het voldoende verband moet houden met het met de subsidie beoogde doel. Aan het uitgangspunt dat ten grondslag ligt aan artikel 4:39 van de Awb, dat een beperking die niet strekt tot verwezenlijking van het doel van de subsidie slechts aan de subsidie kan worden verbonden voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald, kan in het licht van artikel 3:3 van de Awb niet voorbij worden gegaan, door deze beperking in de vorm van een subsidievoorwaarde of drempelcriterium op te leggen aan de voorkant van de subsidieprocedure.

6.7.    Deze strijdigheid met artikel 3:3 van de Awb kan alleen bij wet in formele zin worden weggenomen. Niet is gebleken dat de Kaderwet of een andere wet in formele zin hierin voorziet. Een grondslag in een algemene maatregel van bestuur, zoals het Subsidiebesluit, of in een ministeriële regeling, zoals de Subsidieregeling, is ontoereikend om de strijdigheid weg te nemen, aangezien de Awb als wet in formele zin hoger in rang staat.

6.8.    De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat de minister de subsidieaanvraag niet mocht afwijzen op grond van overschrijding van de in het drempelcriterium opgenomen dg-norm. Zij heeft het bestreden besluit terecht vernietigd wegens strijd met artikel 3:3 van de Awb.

Nieuw besluit

7.    Bij het besluit van 21 oktober 2016 heeft de minister ter uitvoering van de aangevallen uitspraak opnieuw beslist op het door Cinop gemaakte bezwaar. De minister heeft de dg-norm buiten toepassing gelaten en geconcludeerd dat de aanvraag van Cinop voldoet aan de drempelcriteria. De afwijzing van de subsidieaanvraag heeft hij echter gehandhaafd op de grond dat de subsidieaanvraag van onvoldoende kwaliteit is om voor subsidie in aanmerking te komen. Cinop heeft hiertegen beroep ingesteld. Aangezien zij dit beroep vervolgens heeft ingetrokken, is dit geen onderwerp meer van dit geding.

Conclusie

8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.    De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CINOP Global B.V. in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    bepaalt dat van de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking een griffierecht van € 503,00 (zegge: vijfhonderddrie euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. de Vlieger-Mandour, griffier.

w.g. Polak    w.g. De Vlieger-Mandour

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2017

615. BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:3

Het bestuursorgaan gebruikt de bevoegdheid tot het nemen van een besluit niet voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is verleend.

Artikel 4:23

1. Een bestuursorgaan verstrekt slechts subsidie op grond van een wettelijk voorschrift dat regelt voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt.

Artikel 4:35

1. De subsidieverlening kan in ieder geval worden geweigerd indien een gegronde reden bestaat om aan te nemen dat:

a. de activiteiten niet of niet geheel zullen plaatsvinden;

b. de aanvrager niet zal voldoen aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

c. de aanvrager niet op een behoorlijke wijze rekening en verantwoording zal afleggen omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten, voor zover deze voor de vaststelling van de subsidie van belang zijn.

2. De subsidieverlening kan voorts in ieder geval worden geweigerd indien de aanvrager:

a. in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beschikking op de aanvraag zou hebben geleid, of

b. failliet is verklaard of aan hem surséance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.

Artikel 4:39

1. Verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie kunnen slechts aan de subsidie worden verbonden voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald.

2. Verplichtingen als bedoeld in het eerste lid kunnen slechts betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht.

Kaderwet subsidies Ministerie van Buitenlandse Zaken (de Kaderwet)

Artikel 2

Onze minister kan subsidies verstrekken voor activiteiten welke passen in het beleid ten aanzien van:

[…]

d. het bevorderen van ontwikkelings- en transitieprocessen in andere landen.

Artikel 3

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling worden de activiteiten waarvoor subsidie kan worden verstrekt nader bepaald en worden nadere regels voor die verstrekking vastgesteld.

2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling kunnen voorts regels worden vastgesteld met betrekking tot:

[…]

e. de voorwaarden waaronder de subsidie wordt verleend.

Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken (het Subsidiebesluit)

Artikel 6

1. Indien onze minister beleidsregels met betrekking tot de verstrekking van subsidie vaststelt, maakt hij deze uiterlijk twee weken voor aanvang van het subsidietijdvak bekend. Onze minister kan een subsidieplafond vaststellen.

Artikel 8

1. Onze minister neemt bij de beoordeling van subsidieaanvragen, mede in relatie tot overige aanvragen waarop nog niet is beslist, in acht de mate waarin:

[…]

d. draagvlak voor de activiteiten bestaat, bijvoorbeeld blijkend uit een bijdrage in de kosten door betrokkenen.

Artikel 10

Onverminderd het overigens bij of krachtens de wet bepaalde kan onze minister de verstrekking van subsidie weigeren indien verstrekking niet verenigbaar is met het beleid van onze minister ten aanzien van de buitenlandse betrekkingen en de ontwikkelingssamenwerking, zoals onder andere kenbaar uit de memorie van toelichting bij de begroting van het ministerie van Buitenlandse Zaken, uit het verkeer tussen onze minister en de Staten-Generaal, uit de bekendmaking van zijn beleidsregels op grond van artikel 6, eerste lid, of uit andere geschikte vormen van bekendmaking of mededeling.

Artikel 14

1. Subsidie wordt slechts verstrekt voor de noodzakelijke kosten van de voorgenomen activiteiten in het licht van de beoogde doelstellingen en resultaten voor zover redelijkerwijs niet gevergd kan worden dat deze uit eigen middelen of anderszins bekostigd worden.

Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (de Subsidieregeling)

Artikel 5.1

De minister kan subsidie verlenen voor andere activiteiten, dan bedoeld in afdeling 4, in of ten behoeve van ontwikkelingslanden op het terrein van een of meer van de volgende thema’s:

[…]

- private sectorontwikkeling.

Besluit van de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking van 23 juli 2015, MINBUZA-2015.372790, tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond op grond van de Subsidieregeling, Local Employment in Africa for Development (de LEAD beleidsregels)

Artikel 1

Voor subsidieverlening in het kader van artikel 5.1 van de Subsidieregeling op het terrein van private sectorontwikkeling in het kader van LEAD gelden de als bijlage bij dit besluit gevoegde beleidsregels.

Bijlage

1.3 Doelstelling

De doelstelling van LEAD is het creëren van werkgelegenheid voor jonge mannen en vrouwen in acht Afrikaanse landen. Door Afrikaanse jongeren te ondersteunen bij duurzame inkomensverwerving, bijvoorbeeld door hen te helpen bij het starten van een onderneming of door bestaande ondernemingen te helpen doorgroeien zodat er nieuwe arbeidsplekken worden gecreëerd voor jongeren, wordt de lokale economie gestimuleerd en wordt jongeren lokaal perspectief geboden. De verwachting is dat dit bijdraagt aan een afnemende migratiedruk en het risico op radicalisering en conflicten.

De activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd, hebben als doelstelling duurzame inkomensverschaffing voor jongeren te realiseren via (zelfstandig) ondernemerschap of door het anderszins creëren van nieuwe arbeidsplaatsen. Daarbij is het streven dat jonge vrouwen gelijke kansen hebben. Technische assistentie (TA), zoals het verzorgen van trainingen, kan onderdeel uitmaken van de interventie, maar op zichzelf staande TA-activiteiten komen niet voor subsidie in aanmerking.

2.1. Drempelcriteria

Om in aanmerking te komen voor subsidie in het kader van deze beleidsregels dient tenminste aan de volgende drempelcriteria te worden voldaan:

[…]

D.7. De maximale bezoldiging van de individuele leden van management en bestuur van de aanvrager en eventuele alliantiepartners bedraagt met ingang van het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd per kalenderjaar ten hoogste € 163.000,- op grond van een 36-urige werkweek. Genoemd bedrag bestaat naast de beloning (de som van de periodiek betaalde beloningen en winstdelingen en bonusbetalingen) ook uit de belastbare vaste en variabele onkostenvergoedingen en beloningen betaalbaar op termijn, zoals vakantiegeld, 13e maand, werkgeversdeel, pensioenbijdrage e.a.

De maximale bezoldiging van de individuele leden van management en bestuur van lokale alliantiepartners staat op het moment van indienen van de subsidie in redelijke verhouding tot het niveau van de functie, de geografische ligging en de omvang en complexiteit van de organisatie.

3.2. Beoordelingsprocedure

De beoordeling van de aanvragen voor LEAD zal getrapt plaatsvinden.

Fase 1 bestaat uit een controle op ontvankelijkheidsvereisten zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht en de drempelcriteria zoals bepaald in deze beleidsregels. Voor de tweede fase worden alleen de voorstellen bekeken die voldoen aan de ontvankelijkheidsvereisten en drempelcriteria. De drempelcriteria zijn criteria waaraan aanvragen voor een subsidie in het kader van LEAD zonder meer moeten voldoen. Er worden geen punten toegekend; bij het niet voldoen aan één of meerdere criteria volgt een afwijzing en wordt de aanvraag niet verder beoordeeld.

In fase 2 wordt de kwaliteit van het programmavoorstel beoordeeld. Indien de kwaliteit van het programma als onvoldoende wordt beoordeeld, komt de aanvraag niet voor subsidie in het kader van LEAD in aanmerking en volgt een afwijzing.