Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2017:1771

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-07-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
201604472/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:3831, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 maart 2015 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor een pluimveehouderij aan de [locatie] te Kelpen-Oler (hierna: de inrichting).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Natuurbeschermingswet 1998
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3459
JOM 2017/733
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201604472/1/A1.

Datum uitspraak: 5 juli 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Leefmilieu, gevestigd te Nijmegen, en [appellant], wonend te Kelpen-Oler, gemeente Leudal,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 mei 2016 in zaak nr. 15/1440 in het geding tussen onder andere:

Leefmilieu en [appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Leudal.

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2015 heeft het college aan [belanghebbende] een omgevingsvergunning verleend voor een pluimveehouderij aan de [locatie] te Kelpen-Oler (hierna: de inrichting).

Bij besluit van 10 december 2015 heeft het college het besluit van 3 maart 2015 ingetrokken en onder vervanging van hoofdstuk 4 van de vergunningvoorschriften en onder aanvulling van de motivering de omgevingsvergunning opnieuw verleend.

Bij uitspraak van 4 mei 2016 heeft de rechtbank het door onder meer Leefmilieu en [appellant] tegen het besluit van 3 maart 2015 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft verder het beroep van Leefmilieu tegen het besluit van 10 december 2015 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van onder meer [appellant] gegrond verklaard. Voorts heeft zij het besluit van 10 december 2015 vernietigd voor zover daaraan geen controlevoorschrift ten aanzien van de voorschriften 4.1.1 en 4.1.2 is verbonden en zelf voorziend controlevoorschrift 4.3.2 aan de vergunning verbonden. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben Leefmilieu en [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[belanghebbende] heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

Het college en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2017, waar [appellant], bijgestaan door mr. V. Wösten, het college, vertegenwoordigd door ir. S.G.T. Jacobs, en [belanghebbende], vertegenwoordigd door haar [bestuurders], bijgestaan door ing. P.S.J. van Lier, werkzaam bij Bergs Advies, en mr. M.I.J. Toonders, advocaat te Tilburg, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij besluit van 3 maart 2015 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bouwwerk als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), voor handelen in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, en voor het veranderen van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, in samenhang met artikel 2.6, van de Wabo. De verleende vergunning ziet op 73.815 kippen die verdeeld worden over twee stallen: een stal van twee etages waar 60.000 kippen kunnen worden gehouden (hierna: stal 1) en een stal met één etage, waar 13.815 kippen kunnen worden gehouden (hierna: stal 2). Ten opzichte van hetgeen eerder in de inrichting was toegestaan, betekent dit een uitbreiding van het aantal kippen met 2008, een verlenging van stal 1 met ongeveer 30 m, het toevoegen van een mestdroogtunnel aan stal 1 en een wijziging van het huisvestingssysteem van stal 2.

    Bij besluit van 10 december 2015 heeft het college het besluit van 3 maart 2015 ingetrokken en de bij dit besluit vergunde activiteiten opnieuw vergund. Aan dit nieuwe besluit heeft het college een aanvullend akoestisch onderzoek en aanvullende geurberekeningen ten grondslag gelegd. In hoger beroep wordt opgekomen tegen de rechtbankuitspraak ten aanzien van dit besluit. [appellant] woont in de nabije omgeving van de inrichtin[appellant] en Leefmilieu wensen een verdergaande vernietiging van het besluit, met name omdat zij vrezen voor geluidhinder en gezondheidsrisico’s.

Belanghebbendheid Leefmilieu

2.    Leefmilieu betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij geen belanghebbende is bij het besluit. Zij wijst daartoe op de feitelijke werkzaamheden die door Leefmilieu worden verricht en voert aan dat de Afdeling in andere procedures herhaaldelijk Leefmilieu als belanghebbende heeft aangemerkt.

2.1.    Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt:

"Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

    Het derde lid luidt:

"Ten aanzien van rechtspersonen worden als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen."

2.2.    Onder verwijzing naar haar uitspraak van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2378, overweegt de Afdeling als volgt. Blijkens artikel 2, eerste lid, van de statuten van Leefmilieu heeft zij tot doel met inachtneming van het algemeen belang, het handhaven dan wel bevorderen van een goed leefmilieu in de meest algemene zin van het woord en het behartigen van de belangen van haar leden op gebieden van leefmilieu, groen- en milieubeheer. Blijkens het tweede lid tracht de vereniging haar doel onder andere te bereiken door het streven naar goede wettelijke regelingen met betrekking tot het leefmilieu en het bevorderen van de naleving van zodanige regelingen, het geven van voorlichting aan de leden en derden, het onderhouden van contacten met de overheid, het samenwerken en deelnemen in andere organisaties op het terrein van leefmilieu, groen- en milieubeheer, het indelen van de vereniging in rechtspersoonlijkheid bezittende afdelingen en alle andere wettige middelen, welke tot het bereiken van het doel dienstig worden geacht. Deze doelstelling is gericht op het behartigen van algemene belangen als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb.

    Teneinde haar statutaire doel te bereiken verricht de vereniging naast het voeren van procedures ook andere feitelijke werkzaamheden. Zo organiseert zij bijeenkomsten, werkt zij samen met andere milieuorganisaties en levert zij inbreng op beleidsvoornemens met betrekking tot het leefmilieu. Deze werkzaamheden worden verricht door heel Nederland en betreffen in het bijzonder het leefmilieu.

    De verleende omgevingsvergunning heeft gevolgen voor het leefmilieu en raakt daarmee de belangen die Leefmilieu volgens haar statutaire doelstellingen en gelet op haar feitelijke werkzaamheden behartigt.

    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte Leefmilieu niet als belanghebbende aangemerkt en haar beroep niet-ontvankelijk verklaard.

    Het betoog slaagt.

2.3.    Leefmilieu en [appellant] hebben gezamenlijk beroep ingediend. De rechtbank is op de door hen ingediende beroepsgronden ingegaan. Er zijn geen beroepsgronden van Leefmilieu afzonderlijk die nog bespreking behoeven.

Natura 2000

3.    Leefmilieu en [appellant] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de milieugevolgen van de aangevraagde omgevingsvergunning voor het Belgische Natura 2000-gebied "Uiterwaarden langs de Limburgse Maas met Vijverbroek" had moeten betrekken. Zij voeren aan dat de verleende vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 van 7 augustus 2014 (hierna: de Nbw-vergunning) daar niet op ziet, omdat de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) niet op buitenlandse Natura 2000-gebieden ziet.

3.1.    Voorafgaande aan de aanvraag om omgevingsvergunning was reeds een aanvraag om een Nbw-vergunning ingediend. De beoordeling in het kader van de Nbw 1998 maakt daarom geen onderdeel uit van de omgevingsvergunning. Dit betekent dat hetgeen reeds in het kader van de Nbw-vergunning aan de orde kon komen, in het kader van de omgevingsvergunning niet meer wordt beoordeeld.

    Hoewel een Belgisch Natura 2000-gebied niet onder de reikwijdte van artikel 19d van de Nbw 1998 valt, neemt dat niet weg dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 10 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:180, het college van gedeputeerde staten in het kader van de vergunning die op grond artikel 19d van de Nbw 1998 vereist is, dient te beoordelen of vergunningverlening in overeenstemming met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn is. Dit leidt ertoe dat de gevolgen van vergunningverlening voor een Belgisch Natura 2000-gebied desalniettemin bij de verlening van een Nbw-vergunning moeten worden betrokken, hetgeen ook is gebeurd. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college deze gevolgen bij zijn besluit tot verlening van de omgevingsvergunning had moeten betrekken. In hetgeen is aangevoerd heeft de rechtbank dan ook terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de omgevingsvergunning moet worden vernietigd.

    Het betoog faalt.

3.2.    Nu het betoog faalt, behoeft het beroep van het college op het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste geen bespreking.

Geluid

4.    Leefmilieu en [appellant] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college in voorschrift 4.1.1, waarin de normering van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (hierna: LAr,LT) is geregeld, ten aanzien van de geluidbelasting bij de woning van [appellant] aan de Grathemerweg 6 zonder deugdelijke motivering van de in de beleidsnota "Gebiedsgericht geluidbeleid" van de gemeente Leudal van 8 oktober 2014 (hierna: de geluidnota) opgenomen richtwaarden is afgeweken. Volgens Leefmilieu en [appellant] is bovendien twijfelachtig of het referentieniveau wel juist is vastgesteld, omdat de Grathemerweg maar twee rijbanen heeft met elk een rijstrook.

4.1.    Voorschrift 4.1.1 luidt:

"Het LAr,LT  veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten in de representatieve bedrijfssituatie, mag op:

*immisiepunt 1, niet meer bedragen dan:

- 50 dB(A) op 1,5 m hoogte in de uren gelegen tussen 07.00 en 19.00 uur;

- 45 dB(A) op 5 m hoogte in de uren gelegen tussen 19.00 en 23.00 uur;

- 40 dB(A) op 5 m hoogte in de uren gelegen tussen 23.00 en 07.00 uur.

[…]"

4.2.    Het college heeft bij zijn besluit de geluidnota toegepast. In deze nota staat dat in een landelijk gebied voor het LAr,LT  richtwaarden gelden van 45 dB(A), 40 dB(A) en 35 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Uit de nota volgt dat van deze richtwaarden kan worden afgeweken indien het referentieniveau hoger is dan de richtwaarden, waarbij dan als grenswaarde maximaal het referentieniveau mag worden vastgesteld.

    In het akoestisch rapport "Industrielawaai" van M&A Milieuadviesbureau B.V. (hierna: M&A) van 7 mei 2014 staat dat het referentieniveau de geluidbelasting als gevolg van verkeerslawaai minus 10 dB bedraagt. Op de voorgevel bij de Grathemerweg 6 - zijnde immissiepunt 1 - is het verkeerslawaai volgens dit rapport gedurende de dag-, avond- en nachtperiode respectievelijk 66,8 dB(A), 63,5 dB(A) en 58,3 dB(A). Dit betekent dat het referentieniveau 56,8 dB(A), 53,5 dB(A) en 48,3 dB(A) bedraagt. In de enkele stelling dat de daadwerkelijke referentieniveaus wellicht lager zijn omdat de Grathemerweg maar twee rijstroken heeft, ziet de Afdeling geen aanleiding om aan de juistheid van deze referentieniveaus te twijfelen. In het akoestisch rapport staat voorts dat de geluidbelasting op de woning aan de Grathemerweg 6 vanwege de inrichting in de dag-, avond- en nachtperiode respectievelijk 49 dB(A), 39 dB(A) en 36 dB(A) bedraagt. De in voorschrift 4.1.1 opgenomen grenswaarden van 50 dB(A), 45 dB(A) en 40 dB(A) zijn dus lager dan de referentieniveaus, maar hoger dan de in het akoestisch onderzoek berekende geluidniveaus.

    Nu de gestelde grenswaarden niet hoger zijn dan het referentieniveau, zijn deze in overeenstemming met de geluidnota en bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college deze grenswaarden niet in redelijkheid toereikend heeft kunnen achten ter bescherming tegen onaanvaardbare geluidhinder. Dat in het akoestisch onderzoek staat dat de feitelijke geluidbelasting die de inrichting zal produceren, kleiner is, maakt dat niet anders.

    Het betoog faalt.

5.    Leefmilieu en [appellant] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de in het akoestisch onderzoek van 7 mei 2014 gehanteerde geluidbelasting door de ventilatoren onjuist is. Zij voeren daartoe aan dat de gebruikte gegevens niet controleerbaar zijn en uit de adviesmemo’s van De Roever omgevingsadvies van 8 maart 2016 en 19 mei 2015 volgt dat de berekende geluidbelasting waarschijnlijk te laag is.

5.1.    In de noordelijke kopgevel van stal 1 komen gevelventilatoren waar stofvangkappen voor worden geplaatst. In het akoestisch rapport van 7 mei 2014 wordt een geluidbelasting vanwege de ventilatoren gehanteerd van 85 dB(A) voor de ventilatoren met een doorsnede van 1000 mm en 86 dB(A) voor de ventilatoren met een doorsnede van 1400 mm. In dit rapport staat dat deze geluidbelasting gebaseerd is op geluidmetingen bij een ander bedrijf met vergelijkbare stofvangbakken. Voorts staat in de "Adviesmemo inzake reactie op beroep" van M&A van 25 maart 2016 dat in Geomilieu, het standaardrekenprogramma voor geluidberekeningen, voor een ventilator met een diameter van 1400 mm een standaardgeluidbelasting van 85 dB(A) gehanteerd wordt. Ter verdere onderbouwing van het standpunt van het college dat de gehanteerde geluidbelasting niet te laag is, heeft [belanghebbende] de memo "Reactie op beroep" van M&A van 20 maart 2017 overgelegd, met daarbij geluidmetingen van een bedrijf in de nabije omgeving van zijn inrichting, waar gebruik wordt gemaakt van twee typen eindgevelventilatoren van het merk Stienen, met lamellen voor afsluiting, met een doorsnede van 800 en 1300 mm. In deze memo staat dat uit voornoemde geluidmetingen volgt dat de bronvermogens van deze ventilatoren respectievelijk 75 dB(A) en 79 dB(A) zijn. Leefmilieu en [appellant] hebben niet onderbouwd waarom deze meting niet gebruikt kan worden voor de bedrijfssituatie van de inrichting. Hoewel hierbij ventilatoren zijn gemeten met een andere diameter dan bij de inrichting zullen worden geplaatst, is de gemeten geluidbelasting dusdanig veel lager dan de voor de inrichting gehanteerde belasting van 85 dB(A) en 86 dB(A), dat de Afdeling in die omstandigheid geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de in het akoestisch onderzoek gehanteerde geluidbelasting te laag is.

    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat het college voldoende onderbouwd heeft waarom de gehanteerde geluidbelasting vanwege de gevelventilatoren niet te laag is. De rechtbank heeft in het betoog dan ook terecht geen aanleiding gezien om de omgevingsvergunning van 10 december 2015 te vernietigen.

    Het betoog faalt.

6.    Leefmilieu en [appellant] betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college de geluidbelasting vanwege de kippen niet als verwaarloosbaar had mogen beschouwen. Zij wijzen erop dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt op welke manier het tot de gestelde geluidbelasting is gekomen.

6.1.    In het aanvullend akoestisch rapport van M&A van 18 november 2015 staat dat de maximale bijdrage van het kippengeluid op de omliggende woningen 13 dB(A) bedraagt. In de adviesmemo van De Roever van 8 maart 2016 staat dat moet worden uitgegaan van een bijdrage aan het LAr,LT  in de nachtperiode van ongeveer 32 dB(A). De Roever wijst erop dat in de nachtperiode de berekende geluidbelasting op de woning aan de Grathemerweg 6 34,4 dB(A) bedraagt, zodat een bijdrage van 32 dB(A) niet als verwaarloosbaar kan worden beschouwd. In de memo van M&A van 25 maart 2016 staat dat ook indien moet worden uitgegaan van een bijdrage van 32 dB(A), dit op de woning aan de Grathemerweg 6 gedurende de nachtperiode zou leiden tot een totale geluidbelasting van 37 dB(A), hetgeen nog steeds onder de gestelde norm van 40 dB(A) ligt.

6.2.    Onbetwist is dat ook indien wordt uitgegaan van een geluidbelasting vanwege de kippen van 32 dB(A), de totale geluidbelasting op de woning aan de Grathemerweg 6 onder de gestelde geluidgrenswaarde van 40 dB(A) blijft. Daargelaten of van een geluidbelasting van 13 dB(A) of 32 dB(A) moet worden uitgegaan, leidt de geluidbelasting vanwege de kippen er dus niet toe dat het college de vergunning in redelijkheid niet had kunnen verlenen. De rechtbank is dan ook terecht tot die conclusie gekomen.

    Het betoog faalt.

Gezondheidsrisico’s

7.    Leefmilieu en [appellant] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet in redelijkheid vergunning had kunnen verlenen, zonder advies te vragen aan de GGD over de mogelijke gezondheidsrisico’s. Volgens Leefmilieu en [appellant] had het college niet kunnen volstaan met het voorschrijven van algemene hygiënemaatregelen. Zij wijzen in dat kader op het rapport "Veehouderij en gezondheid omwonenden" van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu van juli 2016. [appellant] stelt dat hij veel gezondheidsklachten ondervindt van de zich nabij zijn woning bevindende veehouderijen, waaronder de inrichting.

7.1.     In de voorschriften bij de revisievergunning heeft het college een aantal voorzieningen en maatregelen opgenomen die verspreiding van endotoxinen, vee-gerelateerde MRSA-bacteriën en zoönosen moeten tegen gaan. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, hebben Leefmilieu en [appellant] niet met algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten aannemelijk gemaakt dat het in werking zijn van de inrichting zodanige nadelige gevolgen voor de volksgezondheid kan opleveren, dat om die reden nadere voorschriften aan de vergunning hadden moeten worden verbonden dan wel dat de vergunning om die reden had moeten worden geweigerd. Het door Leefmilieu en [appellant] genoemde rapport kan niet als zodanig worden aangemerkt.

    Het betoog faalt.

Proceskosten in beroep

8.    Leefmilieu en [appellant] betogen dat de rechtbank ten onrechte de vergoeding van de door hen gemaakte deskundigenkosten van € 757,80 tot een bedrag van € 100,00 heeft gematigd.

8.1.    Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) wordt het bedrag van de kosten bij de rechtbank vastgesteld volgens de daarbij gegeven regels. Op grond van het tweede lid van artikel 2 van het Besluit kan het op grond van het eerste lid vastgestelde bedrag worden verminderd indien een partij gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld.

8.2.    Gelet op artikel 2, tweede lid, van het Besluit was de rechtbank, nu de rechtbank het besluit van 10 december 2015 slechts gedeeltelijk heeft vernietigd, bevoegd de toe te kennen proceskostenvergoeding te matigen. De wijze waarop de rechtbank dat in dit geval heeft gedaan, acht de Afdeling niet onredelijk.

    Het betoog faalt.

Conclusie

9.    Het hoger beroep van [appellant] is ongegrond. Het hoger beroep van Leefmilieu is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank daarbij het beroep van Leefmilieu niet-ontvankelijk heeft verklaard. Leefmilieu en [appellant] hebben gezamenlijk beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] gegrond verklaard. De Afdeling ziet daarom aanleiding om het beroep van Leefmilieu ook gegrond te verklaren. Het voorgaande betekent dat het college geen nieuw besluit hoeft te nemen.

10.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

11.    Redelijke toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb brengt met zich dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier van de Raad van State wordt terugbetaald.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van [appellant] ongegrond;

II.    verklaart het hoger beroep van Leefmilieu gegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 4 mei 2016 in zaak nr. 15/1440, voor zover de rechtbank daarbij het beroep van Leefmilieu niet-ontvankelijk heeft verklaard;

IV.    verklaart het door Leefmilieu bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Leudal tot vergoeding van bij Leefmilieu in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 990,00 (zegge: negenhonderdnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    verstaat dat de griffier van de Raad van State aan Leefmilieu het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 251,00 (zegge: tweehonderdeenenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

w.g. Wortmann    w.g. Soede

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2017

270-811.